Testament nietig op grond van wilsonbekwaamheid?
Van onze advocaat nietig testament. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 7 augustus 2018 uitspraak gedaan over de vraag of een testament nietig was op grond van wilsonbekwaamheid van de erflater
Partijen zijn broer respectievelijk zussen van elkaar. Zij zijn geboren uit het huwelijk tussen de moeder, overleden op 25 april 2012, en erflater (hierna: erflater) en overleden op 17 maart 2014. Partijen hadden een broer, overleden op 8 maart 2010 zonder achterlating van erfgenamen.
Op 1 augustus 2011 hebben de moeder en erflater beiden een uiterste wilsbeschikking gemaakt waarin zij appellanten als erfgenamen hebben uitgesloten en hen een legaat hebben doen toekomen gelijk aan een bedrag ter hoogte van de legitieme.
Op of omstreeks 12 juni 2012 hebben appellanten en een zus van erflater een verzoek tot ondercuratelestelling van erflater ingediend bij de rechtbank Arnhem, nevenzittingsplaats Utrecht.
Bij beschikking van 30 oktober 2012 is dit verzoek door de rechtbank afgewezen. In hoger beroep heeft dit hof deze beschikking bekrachtigd op 24 september 2013.
Over de goederen toebehorend aan erflater is, rekening houdende met de wens van erflater zelf, een bewind ingesteld.
Voorafgaand aan laatstgenoemde beschikking van dit hof heeft ingevolge een tussenbeschikking van 15 juli 2013 de oudste raadsheer erflater op 30 juli 2013 bezocht op zijn huisadres, alwaar zij met hem heeft gesproken. In de beschikking van 24 september 2013 heeft het hof overwogen van oordeel te zijn dat op grond van het verhandelde ter terechtzitting van 15 juli 2013, de overgelegde stukken en het met erflater gevoerde gesprek, niet is komen vast te staan dat erflater leed aan een geestelijke stoornis.
Op 16 augustus 2012 heeft erflater de eerder door hem gemaakte uiterste wilsbeschikkingen herroepen, geïntimeerde tot zijn enige erfgename benoemd en appellanten uitdrukkelijk onterfd met toekenning van een legaat van 20% van het saldo van de nalatenschap.
Deze wilsverklaring is opgemaakt ten overstaan van notaris mr. O.G.M. P te Nijmegen.
Op 22 november 2012 is door notaris P een akte opgemaakt. Onder 2, met als kop: Overweging vooraf staat in deze akte: “Zoals uit de verklaring van de comparant (hof: erflater) en de bijlagen blijkt zijn er thans meerdere procedures aanhangig (geweest) waarbij de comparant is betrokken en zijn zoon (appellant sub 1) en dochter (appellante sub 2). Deze verklaring van de comparant dient er voor zo goed mogelijk de gang van zaken te schetsen en tevens om de gevoelens van de comparant daaromtrent vast te leggen.” De akte bestaat uit 11 pagina’s en 32 bijlagen. In een afzonderlijke verklaring, genaamd ‘Getuigenis’, eveneens ondertekend op 22 november 2012, heeft erflater verklaard dat hij appellanten niet meer wil ontmoeten, zien of horen. De handtekening van erflater onder deze getuigenis is gelegaliseerd door notaris P.
Bij dit hof is tevens aanhangig het bij leven door erflater en geïntimeerde ingestelde hoger beroep tegen een vonnis van 18 juni 2014 van de rechtbank Midden-Nederland waarin op vordering van appellanten voor recht is verklaard dat de uiterste wilsbeschikking van de moeder van partijen van 1 augustus 2011 nietig is omdat een met die wilsbeschikking overeenstemmende wil geacht moet worden te ontbreken.
In de onderhavige zaak heeft de rechtbank in het vonnis van 16 november 2016 de vorderingen van appellanten afgewezen. In hoger beroep hebben appellanten zeven grieven tegen het vonnis aangevoerd die het hof hierna zal bespreken.
De eerste twee grieven gaan over de vraag of erflater op 16 augustus 2012 wilsbekwaam was.
Appellanten stellen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat niet is komen vast te staan dat erflater ten tijde van het maken van de wilsverklaring van 16 augustus 2012 aan een geestelijke stoornis leed en derhalve wilsonbekwaam was en dat de rechtbank ten onrechte appellanten niet heeft toegelaten tot nadere bewijslevering op dit punt onder meer door het horen van de door hen aangedragen getuigen.
Appellanten stellen dat de rechtbank in haar vonnis geheel ten onrechte voorbij is gegaan aan hun stellingen. Aan de door de rechtbank in het vonnis genoemde rapporten van de neuroloog dr. Q.G. L en de klinisch geriater B respectievelijk 19 juli 2012 en 18 juli 2011 heeft de rechtbank te veel gewicht toegekend, omdat deze rapporten niet beoogden een oordeel te geven over de wilsbekwaamheid van erflater, maar opgemaakt zijn onder het voorwendsel dat appellanten graag wilden dat erflater uit huis zou worden geplaatst en daarom onder curatele moest worden gesteld.
Bovendien is het rapport van dr. L summier en dat van B onzorgvuldig. Appellanten verwijzen naar een brief van F.M. van E, huisarts, van 16 juli 2016 waarin Van E vragen over de inhoud van de medische rapporten heeft beantwoord, alsmede naar een gesprek dat zij hebben gehad met dr. Z, arts inspecteur bij de Inspectie Gezondheidszorg (IGZ), die volgens appellanten aan hen heeft verklaard dat hij ten zeerste betwijfelt of beide ouders op 15 maart 2011 ten tijde van het passeren van de Medische Verklaringen (hof: de levenstestamenten van de beide ouders) nog wel wilsbekwaam waren gezien het ziekteverloop van beide ouders.
Verder is de rechtbank eraan voorbij gegaan dat er ten tijde van het passeren van beide testamenten elk deugdelijk onderzoek naar de wilsbekwaamheid van erflater ontbrak. Het “Stappenplan wilsbekwaamheid” werd niet gevolgd. Appellanten verzoeken het hof nader onderzoek te doen naar de wilsbekwaamheid van erflater op 16 augustus 2012 en menen dat daartoe een deskundige benoemd dient te worden.
Geïntimeerde voert gemotiveerd verweer en stelt dat appellanten bewust vasthouden aan een onjuiste weergave van de feiten. Geïntimeerde verwijst onder meer naar de beschikking van dit hof van 24 september 2013 waarin het hof de beschikking van de rechtbank, waarin deze het verzoek tot ondercuratelestelling van erflater van appellant en een zus van vader afwees, heeft bekrachtigd.
Testament nietig op grond van wilsonbekwaamheid?
Het hof overweegt als volgt.
Evenals de rechtbank gaat het hof voorbij aan de bezwaren die appellanten tegen het rapport van dr. L hebben aangevoerd. Uit de verklaring van erflater ter mondelinge behandeling van het verzoek tot ondercuratelestelling op 23 oktober 2012 blijkt dat erflater, anders dan Van E concludeert, door zijn huisarts naar dr. L is verwezen.
Hetgeen Van E overigens over de totstandkoming van het rapport zegt, betekent niet dat aan het onderzoek door L slechts een beperkte waarde moet worden toegekend. Uit het rapport blijkt dat het onderzoek betrekking heeft gehad op het cognitief functioneren van erflater, meer in het bijzonder of bij hem sprake was van dementie.
De conclusie van het rapport is dat er geen sprake was van een dementieel beeld bij erflater. Bij brief van 1 december 2017 heeft dr. L aan de advocaat van geïntimeerde (nogmaals) bevestigd dat hij tijdens zijn onderzoek op 19 juli 2012 bij erflater geen enkele aanwijzing kon vaststellen voor een dementieel syndroom.
Uit de brief blijkt verder dat dr. L op voornoemde datum een uitvoerig en langdurig gesprek heeft gehad met erflater waarop hij zijn conclusie heeft gebaseerd. Het hof acht dan ook het rapport van dr. L van 19 juli 2012 van groot belang bij de beantwoording van de vraag of erflater op 16 augustus 2012 al dan niet wilsbekwaam was.
Naar het oordeel van het hof kan aan de verklaring van dr. Z van de IGZ niet de waarde worden toegekend die appellanten daaraan toekennen, namelijk dat erflater op 15 maart 2011 al wilsonbekwaam was.
Het door appellanten overgelegde verslag naar aanleiding van het gesprek met de IGZ bevat een vastlegging van hetgeen appellanten daar verklaard hebben.
In het door appellanten overgelegde verslag valt de uitspraak van dr. Z zoals gesteld door appellanten niet te lezen. Er is derhalve geen (begin van) bewijs dat dr. Z deze uitspraak heeft gedaan, nog daargelaten dat dr. Z erflater niet persoonlijk heeft gezien of gesproken en slechts heeft aangehoord hetgeen appellanten hebben verteld.
De door appellanten aan dr. Z toegedichte verklaring staat voorts in schril contrast met het rapport van dr. L en het rapport van de klinisch geriater B van 18 juli 2011 waaruit blijkt dat de diagnosen van erflater geen reden geven waarom erflater niet bekwaam zou zijn om financiële beslissingen te nemen.
Het hof gaat dan ook voorbij aan de door appellanten gestelde uitlating van dr. Z bij de beantwoording van de vraag of erflater op 16 augustus 2012 al dan niet wilsbekwaam was, terwijl het hof zich, evenals de rechtbank, wel tevens baseert op het rapport van de klinisch geriater B.
Met betrekking tot dit rapport merkt het hof nog op dat de daarin genoemde datum van 9 juni 2010 waarop erflater op de polikliniek werd gezien, gelet op de data van de aanvullende onderzoeken die hebben plaatsgevonden, niet anders kan worden begrepen dan een verschrijving. Het hof begrijpt dat het onderzoek van erflater op 9 juni 2011, en daarmee niet lang na 15 maart 2011, heeft plaatsgevonden. Voorts geldt met betrekking tot dit rapport dat, anders dan appellanten hebben betoogd, ook eventuele andere verschrijvingen de conclusies in het rapport nog niet onbruikbaar of onbetrouwbaar maken.
Het hof volgt appellanten niet in hun betoog dat uit de brief van de Inspectie voor de Volksgezondheid van 29 mei 2015, waarin staat dat geïntimeerde sinds het aantreden van de nieuwe huisarts van erflater per april 2011 de bevoegdheid had namens erflater op te treden en de regie te voeren in de aangelegenheden als in de Medische Verklaring genoemd, volgt dat erflater vanaf april 2011 in medische zin wilsonbekwaam was.
De enkele vaststelling door de Inspectie dat geïntimeerde die bevoegdheid had en dat de huisarts door de Medische Verklaring aan de inhoud daarvan was gehouden, betekent immers nog niet dat geïntimeerde op dat moment (april 2011) krachtens de Medische Verklaring namens erflater heeft opgetreden omdat erflater daartoe niet langer in staat was.
Verder acht het hof bij de beantwoording van de vraag of erflater op 16 augustus 2012 al dan niet wilsbekwaam was van belang dat een lid van dit hof erflater heeft bezocht in zijn woning op 30 juli 2013 en met hem heeft gesproken. Naar aanleiding daarvan heeft het hof op 24 september 2013 beslist – derhalve ruim na het verlijden van het testament op 16 augustus 2012 – dat er geen aanleiding was voor ondercuratelestelling van erflater, hetgeen impliceert dat er evenmin aanleiding was om op dat moment aan de wilsbekwaamheid van erflater te twijfelen.
Hetgeen appellanten naar voren brengen doet niet af aan dit toets-moment van de geestelijke gesteldheid van erflater, die wijst op wilsbekwaamheid. In dat licht bezien is hetgeen appellanten in hoger beroep aanvoeren over de wisbekwaamheid van erflater al niet voldoende, omdat in dat geval aangenomen zou moeten worden dat erflater ten tijde van het afleggen van de uiterste wilsverklaring tijdelijk niet wilsbekwaam was, waarvoor onvoldoende is gesteld.
Tot slot geldt dat de rechtbank met juistheid heeft overwogen dat het feit dat bij het verlijden van de wilsverklaring het protocol Handelingsbekwaamheid niet is gevolgd, niet betekent dat sprake was van een geestelijke stoornis bij erflater op 16 augustus 2012 en van causaal verband tussen die geestelijke stoornis en het maken van de wilsbeschikking.
Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, is ook in hoger beroep niet komen vast te staan dat erflater ten tijde van het maken van de wilsverklaring van 16 augustus 2012 leed aan een geestelijke stoornis en derhalve wilsonbekwaam was.
Er is op grond van het voorgaande geen aanleiding tot het benoemen van een deskundige voor nader onderzoek naar de wilsbekwaamheid van erflater op 16 augustus 2012 zoals door appellanten. verzocht. Evenmin komt het hof toe aan nadere bewijslevering door appellanten nu zij, in het licht van de vaststaande gegevens zoals hiervoor overwogen, daarvoor onvoldoende hebben gesteld. De eerste twee grieven van appellanten falen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de nietig van een testament, over de wilsonbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, over de bewijsvoering dat sprake is van een geestelijke stoornis of over de bewijslast, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.