Testament vernietigbaar op grond van bedrog of onrechtmatige daad? Bewijsvoering. Redelijkheid en billijkheid.
Van onze advocaat nietig testament. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 7 augustus 2018 uitspraak gedaan over de vraag over of een testament vernietigbaar was op grond van bedrog of onrechtmatige daad. Bewijsvoering. Redelijkheid en billijkheid.
In de grief betogen appellanten dat de rechtbank ten onrechte de vernietiging van de testamenten van erflater op grond van bedrog heeft afgewezen.
De advocaat van appellanten heeft met betrekking daartoe tijdens pleidooi in deze zaak het navolgende citaat uitgesproken: “De stelling van appellanten is dat het handelen van geïntimeerde vanaf het moment dat de broer is komen te overlijden in maart 2010 er uit heeft bestaan opzettelijk en systematisch appellanten in een kwaad daglicht te plaatsten bij vader, onwaarheden te construeren en aan vader te verkondigen, en feiten tegenover vader te verdraaien en/of verdoezelen en handelingen te verrichten met het oogmerk te bewerkstelligen dat vader een zodanig negatief beeld van appellanten krijgt en vader zodanig afhankelijk van haar maakt dat hij waardoor bewogen wordt tot datgene dat in 2011 en 2012 daadwerkelijk is gebeurd en waardoor geïntimeerde over het vermogen van de ouders alleen de regie kon krijgen en dit geheel ten voordele van haar is gekomen met terzijde stelling van appellanten”.
Appellanten beroepen zich onder meer op de verklaring die erflater op 22 november 2012 heeft afgelegd tegenover notaris mr. P te Nijmegen die geheel en al door geïntimeerde zou zijn voorgekookt getuige de brief van geïntimeerde aan deze notaris met als ontvangststempel 18 februari 2011 waaruit een vooropgezet plan blijkt. De brief luidt als volgt:
“Beste Odette,
Bijgaand de verzamelde informatie aangaande de toedracht van de opname, ontslag en röntgenfoto’s van mijn moeder in de week van 2 t/m 7 februari 2011.
Zoals we bespraken leek het ook jou verstandig dit vast te laten leggen en bij jou onder te brengen. Indien je ook nog de CD-rom met röntgenfoto’s nodig hebt voor het dossier, laat even weten, dan stuur ik je die alsnog op.
Zie ook bijgaand de informatie die de huisarts heeft afgegeven ten aanzien van euthanasie. Kunnen we denk ik niet al te veel mee.
Mijn vader wordt door klinisch geriater in maart/april onderzocht en daarvan wordt rapport opgemaakt. Een kopie zend ik je dan alsnog toe.
Als er nog vragen zijn, of als jij denkt dat ik nog aanvullende informatie dien te verzamelen, hoor ik dat graag.
Vertrouwend je hiermee te hebben geïnformeerd,
Met vriendelijke groet,
geïntimeerde”
Geïntimeerde betwist het door appellanten gestelde gemotiveerd. Zij ontkent bevriend te zijn (geweest) met notaris P.
Dominee X, een goede vriend van vader, heeft deze notaris aanbevolen omdat zijn dochter als kandidaat-notaris werkzaam is bij het kantoor van de notaris. Ook schakelde erflater notaris W te Haarlem in. Deze notaris is aansprakelijk gesteld door appellanten, reden waarom erflater zich daarna weer tot notaris P heeft gewend. De verklaring van 22 november 2012 bestaat uit 11 pagina’s die erflater samen met voornoemde X heeft voorbereid; geïntimeerde heeft er inhoudelijk geen bemoeienis mee gehad. Dat zij de notaris in de hiervoor geciteerde brief tutoyeert betekent geenszins dat van een vriendschap tussen hen beiden sprake is.
Het hof overweegt als volgt. Zoals hiervoor is overwogen is niet komen vast te staan dat erflater wilsonbekwaam was op 16 augustus 2012.
Dat erflater dat wel was op 22 november 2012 is het hof, onder verwijzing naar hetgeen is overwogen, evenmin gebleken.
Dat betekent dat het hof bij de beoordeling van deze zaak als uitgangspunt neemt dat de door de notaris op 22 november 2012 in een akte vastgelegde verklaring van erflater de daadwerkelijke gevoelens en gedachten van erflater bevat en door erflater is opgesteld en niet door geïntimeerde (al dan niet in samenspraak met de notaris).
Het hof wijst op navolgende citaten uit de verklaring van 22 november 2012:
“(…) Hier mijn verhaal. Ik wil hier expliciet verklaren dat mijn zoon en dochter (appellanten) systematisch de wil en keuzes van moeder] (hof: de vooroverleden echtgenote van erflater, de moeder van appellanten en geïntimeerde) alsook van mij niet hebben gerespecteerd en respecteren en naar eigen inzichten, intenties met leugens en onder valse voorwendselen, zonder met ons te overleggen, gehandeld hebben. Uitdrukkelijk tegen ons beider wil in. Ik verzet mij daarom uitdrukkelijk tegen de vernietiging van moeders Testament.
(…)
In april 2010 ben ik wegens een vermeende hartaanval, opgenomen in ziekenhuis Gelderse Vallei. Mijn oudste zoon heeft de regie uit handen van de specialisten van de Gelderse Vallei genomen en mij laten overbrengen naar het Antonius Ziekenhuis te Nieuwegein. Daar bleek dat ik geen hartaanval had gehad na grondig onderzoek (mijn diagnose was dat ik een allergische reactie heb gehad op het smaak versterkingsmiddel Ve-tsin (E 621). Ik werd officieel ontslagen, maar appellanten hebben mij gezegd dat ik de dag na mijn ontslag naar het B ziekenhuis moest voor nadere aan mij onbekende en niet toegelichte onderzoeken en dit geheel en al buiten overleg met mijzelf. Ik weigerde hieraan mee te werken en wilde naar huis. Appellanten wenste mij niet naar huis te brengen toen ik daarom vroeg. Moeder reed geen auto meer, zodat ik mijn jongste dochter [geïntimeerde] heb gebeld met het verzoek mij te komen halen en naar huis te brengen. Zij vroeg mij waarom en of ik officieel uit het Antonius Ziekenhuis was ontslagen, waarop ik haar antwoordde dat ik officieel was ontslagen en dat ik nu naar huis wilde. Toen de ontslagbrief werd meegegeven bleek er geen verwijzing naar het B door de behandelend arts uit het Antonius Ziekenhuis, te zijn bijgevoegd/afgegeven. Sindsdien ben ik verder gaan twijfelen aan de intenties en integriteit van appellantenmede omdat appellante geïntimeerde heeft gebeld en haar heeft bevolen mij in het Antonius Ziekenhuis achter te laten en geen gehoor te geven aan mijn verzoek mij naar huis te brengen.
(…)
Tijdens de bezoeken (3x) in juli en augustus 2010 aan mr. P te Nijmegen hebben wij ons geschonden vertrouwen in appellanten geuit. Ook is door ons aan mr P aangegeven dat de moeder en ikzelf vanwege het gebrek aan vertrouwen en het ontbreken van compassie wij onze belangen niet wilden laten behartigen door appellanten. moeder en ook ikzelf wantrouwden appellant en vertrouwden appellante ook niet meer. De rol van executeur van L is aan de orde geweest waarvan mr P heeft aangegeven dat de heer van L veel te veel regie had over de financiën en het vermogen van ons beiden, omdat hij executeur tevens vermogensbeheerder en de aangiften IB voor ons verzorgde. Verder zijn de mogelijkheden besproken om moeder te beschermen als ik onverhoopt zou wegvallen en het vertrouwen dat moeder en ikzelf in onze jongste dochter [geïntimeerde] hadden, uitdrukkelijk aan de orde geweest. Mr. P heeft de vrijwillig onder bewindstelling aangereikt als oplossing. Tot slot hebben we onze medische wensen met mr. P besproken. Ik heb mevrouw P direct kenbaar gemaakt tijdens ons eerste bezoek dat ik appellanten wilde onterven. Moeder vond dat nog te vroeg en ik heb met haar ingestemd.
(…)
Periode maart 2011 – juni 2011. (…) Mr P vertelde ik mijn gevoel over de heer van L en de weigering van de heer van L op mijn verschillende verzoeken tot informatie over mijn vermogen en financiën. Mr P heeft ons aangeraden om een gesprek met de heer van L te beleggen en hoor en wederhoor te plegen met een onafhankelijk deskundige. De heer G werd aanbevolen en het gesprek heeft plaatsgehad. Het gesprek bij ons thuis verliep stroef. Ik was totaal ontluisterd door de antwoorden van Van L op de vragen van de heer G. Niet geïntimeerde heeft de vragen gesteld maar G. De reden dat zij bij dit gesprek aanwezig was, is omdat zij mede bewindvoerder was over moeder en daarmee mede verantwoordelijk over het vermogen en de financiën van haar. G heeft een onderzoek op mijn verzoek gepleegd en de resultaten aan mij gegeven. Dat was de aanleiding om de (advies)overeenkomst met de heer van L op te zeggen. (…) Op aanraden van W zijn de door mr P opgemaakte testamenten voor advies naar mr. W in Haarlem gestuurd met het verzoek de testamenten zo eenduidig mogelijk te maken en om ons te adviseren over de mogelijkheden van juridische onterving van appellanten maar niet in financiële zin. Mede omdat ik en moeder als executeur van onze wederzijdse testamenten geen behoefte meer hadden om door appellanten omver te worden gelopen, want dat gevoel hadden wij heel sterk. Mr. W heeft hieraan gevolg gegeven. Mr. W heeft de afwijkingen en aanvullingen ten opzichte van onze testamenten opgemaakt door mr. P in een samenvatting opgesteld en naast de volledige concept testamenten aan ons toegezonden. De concept testamenten en de samenvatting hebben moeder en ik uitvoerig bestudeerd en besproken. Mevrouw R heb ik telefonisch laten weten dat moeder en ikzelf het eens waren met de (her)nieuwde inhoud van de testamenten.
(…)
Op 1 augustus 2011 is mr W bij ons thuis gekomen met 2 getuigen om de testamenten te passeren. (…) Mijn jongste dochter heeft moeder niet naar de wc gebracht. Geïntimeerde heeft haar wel uit de kamer begeleid. Daarna heeft het verplegend personeel, aanwezig op dat moment (er was 24/7 verpleging en verzorging in huis) haar naar de wc begeleid en teruggebracht waarna het voorlezen van de testamenten werd hervat.
(…)
Mijn oudste zoon [appellant 1] en oudste dochter [appellante 2] hebben met alle middelen die hen ter beschikking stonden mij onder curatele trachten te zetten. Dit is per Beschikking per 30 oktober jongsteleden afgewezen. (…) Het is een schande dat zij mij, hun vader, onder curatele trachten te zetten, terwijl ik 90 jaar ben, mijn liefde van mijn leven heb verloren, [de moeder] , hun eigen moeder en niet weet waarmee en waartoe ik de draad weer moet oppakken. De intenties van appellanten zijn na alles wat er is gebeurd in de afgelopen jaren niet anders samen te vatten dan controle over mij en moeder te krijgen in emotionele, mentale en financiële zin. De systematische planning van de acties en Rechtszaken (juli 2011, 23 Oktober 2012, nu de aanvechting Testament) van appellanten wijzen meer op hun valse intenties en doelstellingen waarvan zij mijn jongste dochter beschuldigen. Ik sta volkomen achter de goede intenties van mijn jongste dochter [geïntimeerde] , en twijfel geen moment aan haar.
(…)
Ik bepaal zelf wat ik wil en niet mijn kinderen [appellanten].
(…)
Slot verklaring comparant
Ik wens nog enkele verklaringen door mij ondertekend aan deze akte toe te voegen, waaronder mijn getuigenis van tweeëntwintig november tweeduizend twaalf dat ik mijn zoon [appellant 1] en dochter [appellante 2] niet meer wens te zien, spreken of horen.”
Testament vernietigbaar op grond van bedrog of onrechtmatige daad? Bewijsvoering. Redelijkheid en billijkheid.
De rechter oordeelt als volgt.
De kern van de grief is dat erflater, onder invloed van geïntimeerde en de door haar ingegeven verkeerde voorstelling van zaken, zijn testament heeft gewijzigd.
Uit de verklaring van 22 november 2012 blijkt echter dat meerdere voorvallen in het verleden, zoals de gang van zaken rondom de opname, de ziekte en het overlijden van zijn echtgenote, de poging om erflater te laten opnemen en onderzoeken in het B ziekenhuis en het verzoek tot ondercuratelestelling dat werd gegrond op het bestaan van een geestelijke stoornis en de gewoonte van drankmisbruik, bij erflater hebben gezorgd voor een groot wantrouwen jegens appellanten en uiteindelijk tot de beslissing hebben geleid om appellanten te onterven.
Verder blijkt uit deze verklaring dat erflater bij de beslissing om Van L als vermogensbeheerder en executeur te ontslaan niet over één nacht ijs is gegaan en dat die beslissing niet uit de koker van geïntimeerde is gekomen, maar dat erflater daarvoor zelfs een derde, G, voor advies heeft ingeschakeld.
De gedragingen die geïntimeerde door appellanten worden verweten dan wel aan haar worden toegedicht ter onderbouwing van de stelling dat geïntimeerde bedrog heeft gepleegd jegens appellanten, zijn alle door erflater zelf weerlegd in de verklaring, opgemaakt bij akte, van 22 november 2012.
Uit deze verklaring blijkt dat het zelfstandige beslissingen en overwegingen van erflater betreffen. Feiten en/of omstandigheden die, indien bewezen, tot het oordeel moeten leiden dat erflater door oneigenlijk handelen door geïntimeerde tot deze beslissingen en overwegingen is gebracht, zijn niet, althans onvoldoende gesteld of gebleken.
De hiervoor overwogen feiten en omstandigheden in combinatie met de verklaring van erflater van 22 november 2012, tonen aan dat erflater sinds 2010 meerdere malen een bezoek heeft gebracht aan notaris P.
De verklaring van 2012 is tot stand gekomen op een in de notariële praktijk gebruikelijke en zorgvuldige manier, getuige het feit dat erflater heeft verklaard dat deze notaris hem heeft doorverwezen naar notaris W om de testamenten te wijzigen en heeft geadviseerd om zorgvuldigheid te betrachten door eerst een gesprek met Van L aan te gaan, alvorens hem niet meer als executeur te benoemen en hem niet meer in te schakelen bij het vermogensbeheer.
Evenzeer valt uit de verklaring van 2012 op te maken dat deze niet op een achternamiddag bij de notaris is opgesteld, maar dat erflater de tijd heeft genomen zijn gevoelens aan het papier toe te vertrouwen om vervolgens die verklaring aan de notaris te zenden en haar te verzoeken een en ander vast te leggen in een akte. Dit blijkt uit de slotverklaring waarin erflater op 22 november 2012 verklaart dat hij nog een getuigenis aan zijn reeds bestaande verklaring wil toevoegen. Dat geïntimeerde op verzoek van vader diverse stukken aan notaris P heeft gezonden, doet aan het voorgaande niet af.
De conclusie van het voorgaande is dat niet kan worden gezegd dat het geïntimeerde is geweest die erflater heeft bewogen tot het verrichten van diverse (rechts)handelingen door opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededelingen of het opzettelijk verzwijgen van feiten die zij verplicht was aan erflater mee te delen of door andere kunstgrepen en derhalve jegens appellanten bedrog heeft gepleegd.
Alle door appellanten daartoe genoemde argumenten zijn, gelet op het voorgaande, slechts suggestief van aard en in het licht van het voorgaande onvoldoende onderbouwd.
Daarom is er geen aanleiding appellanten op dit punt toe te laten tot bewijs zoals met grief is betoogd. De grieven falen dan ook.
Grief V luidt: Ten onrechte heeft de rechtbank de vordering tot betaling van schadevergoeding jegens het (onrechtmatig) handelen van geïntimeerde jegens appellanten afgewezen.
Als onrechtmatige daad wordt krachtens het bepaalde in artikel 6:162 lid 2 BW aangemerkt een inbreuk op een recht en een doen of nalaten in strijd met een wettelijke plicht of met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een en ander behoudens de aanwezigheid van een rechtvaardigingsgrond. Lid 3 van dat artikel bepaalt dat een onrechtmatige daad aan iemand kan worden toegerekend, indien zij te wijten is aan zijn schuld of aan een oorzaak welke krachtens de wet of de in het verkeer geldende opvattingen voor zijn rekening komt.
In de toelichting op de grief verwijzen appellanten naar het gestelde omtrent het door geïntimeerde gepleegde vermeende bedrog. Indien van bedrog geen sprake is, is volgens hen in ieder geval sprake van onrechtmatige daad omdat geïntimeerde ten opzichte van erflater gedrag heeft vertoond en zodanig heeft gehandeld, althans zich jegens erflater over appellanten zodanig heeft geuit, dat erflater door deze uitingen en dit gedrag het contact met appellanten heeft verbroken.
Met de grief betogen appellanten dat zij ook in dit verband, ondanks hun uitdrukkelijke aanbod daartoe, ten onrechte niet tot nadere bewijslevering van hun stellingen zijn toegelaten.
Ook de grieven falen. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen. De door appellanten aan geïntimeerde verweten gedragingen zijn mede in het licht van de verklaring van erflater van 22 november 2012 geenszins komen vast te staan, zodat reeds op grond daarvan niet kan worden geconcludeerd dat geïntimeerde onrechtmatig heeft gehandeld jegens appellanten. Ook op dit punt zullen appellanten niet worden toegelaten tot nader bewijs, nu zij daarvoor hun stellingen in het licht van de betwisting daarvan door geïntimeerde onvoldoende hebben onderbouwd.
In de zevende en laatste grief beroepen appellanten zich erop dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat geïntimeerde meer rechten kan ontlenen aan de uiterste wilsbeschikking van erflater dan een aanspraak gelijk aan een derde deel van het saldo van de nalatenschap.
Appellanten betogen dat een beroep op de redelijkheid en de billijkheid kan worden gedaan om daarmee de gevolgen van de uiterste wilsbeschikking van erflater in te perken omdat de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven.
Die feiten en omstandigheden waarop appellanten zich beroepen zijn identiek aan de feiten en omstandigheden die zij aan de vorderingen tot nietigverklaring c.q. vernietiging van het testament van 16 augustus 2012 ten grondslag hebben gelegd.
Appellanten betogen ook nog dat er vermogensoverheveling heeft plaatsgevonden van het vermogen van hun ouders naar geïntimeerde, omdat het chalet dat erflater en zijn echtgenote hadden in Zwitserland op naam van geïntimeerde is gezet. Voorts zou geïntimeerde € 700.000,- ontvangen hebben van de ouders voor de bouw van haar eigen huis in Zwitserland en door de oprichting van een stichting geld hebben geprobeerd te onttrekken aan de ouders. Ter onderbouwing van hun stellingen hebben appellanten een brief overgelegd van de Zwitserse UBS bank van 24 januari 2014 aan appellant, waar zich kluizen bevonden van de ouders. Uit deze brief blijkt, aldus appellanten, dat deze kluizen op naam werden gesteld van de toenmalig vriend/partner van geïntimeerde , B.
Geïntimeerde ontkent het door appellanten gestelde gemotiveerd. De waarde van het chalet van de ouders dat op haar naam is gesteld en waarbij de ouders het vruchtgebruik over het chalet hielden, zal met inachtneming van het vruchtgebruik worden meegenomen bij de vaststelling van de omvang van de nalatenschap. Tijdens de bouw van haar eigen huis in Zwitserland hebben de ouders borg gestaan voor de kosten daarvan. Zodra het huis was afgebouwd is er door haar een hypotheek op het huis verleend aan een bank. De bouw is betaald met eigen geld. De borg is nimmer ingeroepen en dus is er geen geld van de ouders naar haar gegaan. Geïntimeerde betwist dat B voornoemd haar partner is geweest. De B’s waren goede bekenden van haar ouders. Het geld dat de ouders bezaten in Zwitserland is op enig moment overgeboekt naar de Nederlandse rekening van de ouders, zoals ook blijkt uit het feit dat de door dit hof in 2013 benoemde bewindvoerder namens erflater een beroep heeft gedaan op de inkeerregeling bij de fiscus.
Zoals hiervoor door het hof overwogen, is de uiterste wilsbeschikking van erflater van 16 augustus 2012 rechtsgeldig.
Door aanspraak te maken op hetgeen geïntimeerde krachtens het testament toekomt, handelt zij conform de laatste wil van erflater.
De door appellanten genoemde feiten en omstandigheden op grond waarvan zij een beroep doen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zijn deels besproken bij de grieven die handelen over bedrog dan wel onrechtmatig handelen door geïntimeerde.
Deze feiten en omstandigheden rechtvaardigen niet de toewijzing van het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.
Daartoe hebben appellanten zoals hiervoor reeds overwogen bij de grieven III tot en met VI, onvoldoende gesteld.
Ook de door appellanten aangevoerde financiële omstandigheden rechtvaardigen dit beroep niet gelet op de gemotiveerde betwisting door en verklaring van geïntimeerde. Het verweer van geïntimeerde dat zij geen geld van haar ouders heeft ontvangen, vindt steun in de verklaring van erflater (en zijn echtgenote) van 14 augustus 2011 dat hij nooit een lening van € 700.000 aan geïntimeerde heeft verstrekt. Dat er gelden van erflater (en zijn echtgenote) zijn verplaatst van hun Zwitserse kluizen naar een kluis ten name van B blijkt niet uit de door appellanten genoemde productie. Ook hiervoor hebben appellanten onvoldoende gesteld. Ditzelfde geldt met betrekking tot de enkele, niet nader uitgewerkte stelling dat geïntimeerde door middel van het oprichten van een stichting zou hebben geprobeerd om tot een vermogensverschuiving te komen. Ook grief VII faalt.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de uitleg van een testament, over de wilsbekwaamheid van de erflater, over de vernietigbaarheid of nietigheid van een testament of over de redelijkheid en billijkheid in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.