Misbruik van omstandigheden ten aanzien van een transactie tussen een van de erfgenamen en erflaatster terwijl zij leed aan vasculaire dementie?
Van onze advocaat nietig testament. Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag of sprake was van misbruik van omstandigheden ten aanzien van een transactie tussen een van de erfgenamen en erflaatster terwijl zij leed aan vasculaire dementie.
Bij de beoordeling van deze grief stelt het hof voorop dat stelplicht en bewijslast met betrekking tot het bestaan van misbruik van omstandigheden ten tijde van de totstandkoming van de hier bedoelde overeenkomst, bij appellant ligt.
Appellant heeft aan zijn beroep op misbruik van omstandigheden ten grondslag gelegd dat moeder ten tijde van de onderhavige transactie op 8 april 2003 niet in staat was die transactie goed te beoordelen, hetgeen volgt uit het feit dat zij toen 91 jaar was en in verband met “vasculaire dementie met overzichtsverlies” was opgenomen op de gesloten afdeling ouderenpsychiatrie.
Bovendien stond volgens appellant de koopsom van € 429.492,- niet in verhouding tot de werkelijke waarde van de panden en bestonden de belastingschulden die door geïntimeerde zouden zijn overgenomen niet meer op 8 april 2003. Volgens appellant zou moeder deze transactie nooit hebben goedgekeurd indien zij wél in staat zou zijn geweest om deze te beoordelen.
Misbruik van omstandigheden ten aanzien van een transactie tussen een van de erfgenamen en erflaatster terwijl zij leed aan vasculaire dementie?
De rechter oordeelt als volgt.
Dat moeder ten tijde van de levering van de 9 woningen leed aan vasculaire dementie met overzichtsverlies en om die reden opgenomen was in een gesloten psychiatrische afdeling vindt bevestiging in een voorlopig ontslagbericht van de klinisch geriater, deze feiten worden ook niet door geïntimeerde betwist. Dit rechtvaardigt de conclusie dat moeder op 8 april 2003 niet in staat was de onderhavige transactie goed te beoordelen.
Hiermee is echter nog niet gegeven dat de transactie door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen.
Daarvoor is immers nodig dat feiten en/of omstandigheden komen vast te staan die de conclusie rechtvaardigen dat moede de overeenkomst met geïntimeerde niet of in ieder geval niet op dezelfde voorwaarden zou hebben gesloten indien zij wél in staat zou zijn geweest om de onderhavige transactie goed te beoordelen en desgewenst weerstand had kunnen bieden tegen de kennelijke wens van geïntimeerde om de woningen van haar over te nemen op de condities zoals verwoord in de leveringsakte.
Tevens moet de conclusie gerechtvaardigd zijn dat geïntimeerde dit laatste redelijkerwijs heeft moeten begrijpen.
De stelling van appellant dat de hoogte van de koopprijs ad € 429.492,- op zichzelf al voldoende zou zijn om een conclusie als hiervoor bedoeld de kunnen trekken wordt door het hof niet gevolgd, dit gelet op de stellingen van geïntimeerde dat de hoogte van de koopsom overeenkomt met 14 maal de jaarhuur van de woningen en dat een dergelijke prijsbepaling gebruikelijk is in deze sector, terwijl het bovendien ging om panden die in slechte onderhoudstoestand verkeerden; deze stellingen zijn door appellant niet, of in ieder geval niet voldoende weersproken zodat het hof uitgaat van de juistheid hiervan.
Appellant heeft aan zijn beroep op misbruik van omstandigheden mede ten grondslag gelegd dat van belastingschulden van moeder zoals gesteld door geïntimeerde, ten tijde van de onderhavige transactie geen sprake meer was.
De belastingschulden waar het volgens geïntimeerde om ging zijn vermeld in de brief van de belastingdienst van 26 januari 2000; volgens appellant zijn die schulden ná de brief van de belastingdienst d.d. 26 januari 2000 maar vóór de transactie op 8 april 2003 voldaan uit de opbrengst van verkopen (aan derden) van panden die eigendom waren van moeder.
Naar het oordeel van het hof rechtvaardigt het voorgaande vooralsnog de conclusie dat ten tijde van de overdracht van de 9 woningen aan geïntimeerde géén sprake meer was van een belastingschuld zoals door hem gesteld.
Deze omstandigheid, in samenhang met de reeds genoemde omstandigheid dat moeder door haar psychische toestand niet in staat was de transactie goed te beoordelen, rechtvaardigt de conclusie dat appellant vooralsnog geslaagd is in het bewijs van zijn stelling dat de onderhavige transactie door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen.
Het hof zal geïntimeerde in de gelegenheid stellen om, conform zijn aanbod, tegenbewijs te leveren op dit punt. Hij kan dit doen door aannemelijk te maken zijn stellingen:
– dat op 8 april 2003 sprake was van belastingschulden van moeder ten bedrage van (ongeveer) € 429.492,- en dat om die reden executoriale verkoop van de panden door de fiscus dreigde, alsmede:
– dat hij die belastingschulden daadwerkelijk heeft overgenomen en betaald.
Indien geïntimeerde niet slaagt in het leveren van toereikend tegenbewijs komt aan de orde of de overeenkomst met betrekking tot de 9 woningen kan worden vernietigd zoals appellant heeft gevorderd.
Geïntimeerde heeft dit bestreden, waarbij door hem onder meer is aangevoerd dat een dergelijke vordering van de ene deelgenoot in een gemeenschap op de andere deelgenoot niet mogelijk is.
Het hof overweegt hieromtrent het volgende.
In het arrest van de Hoge Raad d.d. 6 april 2018 ECLI:NL:HR:2018:535 is (onder 3.4.1) het volgende overwogen:
“Art. 3:171, eerste volzin, BW bevat de regel dat, tenzij een regeling anders bepaalt, iedere deelgenoot bevoegd is tot het instellen van rechtsvorderingen en het indienen van verzoekschriften ter verkrijging van een rechterlijke uitspraak ten behoeve van de gemeenschap.
Deze regel ziet in beginsel slechts op vorderingen en verzoeken ten behoeve van de gemeenschap tegen derden en niet op vorderingen en verzoeken ten behoeve van de gemeenschap tegen een deelgenoot. Laatstgenoemde vorderingen en verzoeken dienen immers op de voet van art. 3:184 BW en 3:185 BW in de verdeling van de gemeenschap te worden betrokken.”
De Hoge Raad voegt hieraan weliswaar toe dat een uitzondering op het voormelde uitgangspunt gerechtvaardigd is indien een vordering of een verzoek ten behoeve van de gemeenschap tegen een deelgenoot zich er niet voor leent in de verdeling van de gemeenschap te worden betrokken, maar uit het arrest van de Hoge Raad blijkt dat deze uitzondering niet geldt voor een situatie als de onderhavige waarbij het nadeel dat geïntimeerde de nalatenschap heeft berokkend als gevolg van misbruik van omstandigheden – indien dat komt vast te staan – door toerekening als bedoeld in artikel 3:184 BW in de verdeling kan worden betrokken.
Het hof merkt hierbij op dat de vorderingen van appellant geacht moeten worden te zijn ingesteld ten behoeve van de gemeenschap; hij vordert immers verdeling van de nalatenschap en hij wenst dat het door geïntimeerde veroorzaakte nadeel als gevolg van het gestelde misbruik van omstandigheden, wordt betrokken in die verdeling.
Indien – na bewijslevering – vast mocht komen te staan dat sprake is geweest van misbruik van omstandigheden zal taxatie dienen plaats te vinden van de actuele waarde van de 9 woningen, op basis van de toestand waarin die woningen verkeerden ten tijde van het overlijden van moeder in 2005. Tevens zal in dat geval een berekening gemaakt moeten worden van de (netto) huurinkomsten die geïntimeerde vanaf 8 april 2003 met betrekking tot deze woningen heeft ontvangen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag over de uitleg van een testament, over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, over de wilsonbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament of over misbruik van omstandigheden in het erfrecht, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.