Erfrecht. Wilsbekwaamheid. Vernietiging overeenkomst. Is de koopovereenkomst tot stand gekomen onder invloed van een geestesstoornis? Wilsgebrek. Dwaling. Toetsing.
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 9 november 2021 uitspraak gedaan over de vraag of een koopovereenkomst tot stand was gekomen onder invloed van een geestesstoornis of dat bij het sluiten van de overeenkomst sprake was van een wilsgebrek.
In deze zaak staat de vraag centraal of er een (geldige) koopovereenkomst is gesloten met betrekking tot een deel van een perceel (hierna: het stuk grond).
De mogelijke verkopers waren de broers [broer1] (hierna: broer1) en de broer2 (hierna: broer2), die samen de eigenaren waren van het perceel waar het stuk grond een deel van uitmaakte.
De eventuele kopers, geïntimeerden]c.s., waren de buren van broer2 en eigenaren van het naastgelegen perceel.
Broer1 woonde op het moment van de koop in een verzorgingstehuis, waar hij nog woont.
Broer2 is inmiddels overleden.
De bewindvoerder is een van de executeurs van zijn testament.
Ook is hij een van de bewindvoerders over de goederen van broer1.
Na de levering van het stuk grond is namens broer1 en broer2 aan geïntimeerden c.s. verzocht om de koop terug te draaien, omdat broer1 en broer2 de koop niet zouden hebben gewild.
Erfrecht. Wilsbekwaamheid. Vernietiging van een overeenkomst door bewindvoerder, tevens executeur. Is de koopovereenkomst tot stand gekomen onder invloed van een geestesstoornis? Wilsgebrek en dwaling. Toetsing.
De rechter oordeelt als volgt.
De kern van het hoger beroep van de bewindvoerder is dat broer1 en broer2 de koop en levering van het stuk grond niet hebben gewild en dat om die reden de door [geïntimeerden] c.s. gestelde koopovereenkomst niet (meer) geldig is.
Volgens de bewindvoerder zijn de koopovereenkomst en de leveringsakte tot stand gekomen onder invloed van een geestesstoornis (artikel 3:34 BW) en ontbrak de wil om de koopovereenkomst aan te gaan.
Door die stoornis konden zij hun handelen niet overzien en zijn broer1 en broer2 een voor hen (zeer) nadelige overeenkomst aangegaan, aldus de bewindvoerder.
Dat er geen wilsbekwaamheid was bij broer1 en broer2 moet, volgens de bewindvoerder, voor geïntimeerden c.s. ook duidelijk zijn geweest.
Zij hebben volgens hem ook misbruik gemaakt van de omstandigheden (artikel 3:44 lid 4 BW) door de koop van het stuk grond toch door te zetten.
Geïntimeerden c.s. betwisten gemotiveerd dat sprake was van een geestesstoornis bij broer1 en broer2, dan wel dat zij onder invloed van een stoornis over zijn gegaan tot de verkoop en levering van het stuk grond.
Ook betwisten zij dat zij misbruik hebben gemaakt van de omstandigheden.
Het hof is, net zoals de rechtbank, van oordeel dat de bewindvoerder onvoldoende heeft onderbouwd dat broer2 onder invloed van een geestesstoornis heeft gehandeld.
De bewindvoerder heeft weliswaar betoogd dat ‘gelet op alle omstandigheden tezamen’, sprake was van een geestelijke stoornis bij broer2, maar heeft aan die stelling onvoldoende concrete feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd.
Onvoldoende daarvoor is de verwijzing naar de hoge leeftijd van broer2 en de omstandigheid dat de administratie van broer2 op het moment van het sluiten van de koopovereenkomst niet meer in eigen beheer was.
Ook de verwijzing naar de medische verklaring van dr. A, de arts, is daarvoor niet voldoende, omdat daaruit de gestelde geestelijke stoornis van broer2 niet kan worden afgeleid.
In tegendeel, in die verklaring oordeelt deze arts juist dat broer2 in staat wordt geacht zijn financiële en persoonlijke zaken en belangen naar behoren te behartigen.
De toevoeging van de arts “wellicht kan er sprake zijn van enige naïviteit of beïnvloedbaarheid” maakt dat, ook in het licht van de overige omstandigheden die hierna zullen worden besproken, niet anders.
Nu de gestelde geestesstoornis van broer2 onvoldoende is onderbouwd, wordt aan bewijslevering niet toegekomen.
Van een geestesstoornis van broer2 ten tijde van de koopovereenkomst kan dus niet worden uitgegaan, zodat de koopovereenkomst op die grond niet kan worden vernietigd.
Ten aanzien van broer1 heeft dr. A, de arts, in zijn medische verklaring geoordeeld dat hij niet in staat wordt geacht zijn financiële en persoonlijke zaken en belangen naar behoren te behartigen.
Ook als op grond daarvan wordt aangenomen dat bij broer1]op het moment van de koop sprake was van een geestelijke stoornis die hem een redelijke waardering van zijn belangen belette of die van invloed is geweest op zijn wilsverklaring, leidt dat echter in dit geval niet tot vernietiging van de koopovereenkomst.
Het hof is namelijk van oordeel dat geïntimeerden c.s. terecht hebben aangevoerd dat zij er op het moment van het sluiten van de koopovereenkomst en het tekenen van de akte van levering gerechtvaardigd op mochten vertrouwen dat broer1, net zoals broer2, de wil had de koopovereenkomst te sluiten (artikel 3:35 BW).
De bewindvoerder voert daartegenover onvoldoende feiten en omstandigheden aan om het oordeel te rechtvaardigen dat er voldoende indicatoren aanwezig waren voor geïntimeerden c.s. om aan de wilsbekwaamheid van broer1 te twijfelen.
Het beroep door geïntimeerden c.s. op artikel 3:35 BW slaagt dus.
Aan de hand van alle hiervoor genoemde omstandigheden komt het hof ook tot het oordeel dat geïntimeerden c.s. geen misbruik hebben gemaakt van de omstandigheden.
Daarvoor is in ieder geval nodig (artikel 3:44 lid 4 BW) dat geïntimeerden c.s. voorafgaand aan de levering wisten of moesten begrijpen dat broer1 en broer2 door een bijzondere omstandigheid, zoals hun geestestoestand of afhankelijkheid, werden bewogen om het stuk grond te verkopen en te leveren.
Zoals uit het voorgaande volgt zijn daar onvoldoende aanwijzingen voor.
Dit brengt mee dat het beroep op vernietiging van de koopovereenkomst wegens een geestesstoornis of misbruik van omstandigheden niet slaagt, zoals de rechtbank ook terecht heeft geoordeeld.
Meer subsidiair stelt de bewindvoerder dat sprake was van dwaling bij broer1 en broer2, omdat zij bij een juiste voorstelling van zaken de koopovereenkomst en de akte van levering niet zouden hebben getekend.
Het hof begrijpt de stellingen van de bewindvoerder zo dat de dwaling enerzijds betrekking heeft op de gevolgen van de verkoop en anderzijds op de koopprijs.
Geïntimeerden c.s. hebben broer1 en broer2 volgens de bewindvoerder onvoldoende ingelicht over de gevolgen van de verkoop, waaronder het verlies van eigendom van het stuk grond.
Daarnaast verwijt de bewindvoerder geïntimeerden c.s. dat zij broer1 en broer2 niet hebben geïnformeerd over de mogelijkheid dat het stuk grond (in de toekomst) meer waard zou (kunnen) zijn.
De stelling van de bewindvoerder dat op geïntimeerden c.s. een grotere zorgplicht zou rusten, volgt het hof niet.
Geïntimeerden c.s. zijn, net zoals broer1 en broer2, geen (juridisch) deskundigen en handelden ook niet vanuit hun bedrijf of beroep.
Ook de door de bewindvoerder genoemde indicatoren kunnen niet tot het aannemen van de gestelde zorgplicht leiden.
De notaris heeft de akte van levering voorafgaand aan het tekenen daarvan ook met hen besproken.
Dit brengt mee dat, tegen de achtergrond van de genoemde omstandigheden, geïntimeerden c.s. zich niet hoefden te realiseren dat broer1 en broer2 wellicht niet hadden begrepen dat bij de verkoop en levering het stuk grond vanaf dat moment niet meer van hen zou zijn.
Dan blijft de vraag over of de koopovereenkomst vernietigbaar is, omdat broer1 en broer2 door toedoen van geïntimeerden c.s. zouden hebben gedwaald over de waarde van de verkochte grond.
Volgens de bewindvoerder kan uit het taxatierapport dat hij in het geding heeft gebracht worden afgeleid dat de waarde van het stuk grond (aanzienlijk) hoger is dan de koopprijs.
Geïntimeerden c.s. betwisten de in dat rapport genoemde marktwaarde.
Volgens geïntimeerden c.s. hebben broer2 en zijn familieleden de verkoopprijs van € 10.000,- als eerste genoemd en hebben zij daarmee ingestemd, omdat zij zelf een vergelijkbare prijs in gedachten hadden en is de werkelijke waarde niet (veel) hoger.
Het hof is van oordeel dat de door de bewindvoerder gestelde onjuiste voorstelling van zaken niet is komen vast te staan.
Het hof verwijst naar wat hiervoor is overwogen: het door de bewindvoerder gestelde enorme verschil tussen de waarde van het stuk grond en de verkoopprijs is niet komen vast te staan.
Een verkeerde voorstelling van zaken hierover aan de kant van broer2 en broer1 (en geïntimeerden c.s.) komt dus ook niet vast te staan.
Het beroep op dwaling gaat daarom niet op.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.