Erfrecht. Koopovereenkomst. Materiële schenking? Wilsgebreken. Is de schenkingsovereenkomst op grond van een wilsgebrek van erflater vernietigbaar?

De Rechtbank Overijssel heeft op 30 juni 2021 uitspraak gedaan over de vraag of een schenkingsovereenkomst op grond van een wilsgebrek van erflater vernietigbaar was.

Erflater is geboren in 1938.

Op 18 december 2017 hebben erflater en B een koopovereenkomst gesloten ter zake van de verkoop aan B van het woonhuis met ondergrond, erf en tuin.

A vordert om de koopovereenkomst van 18 december 2017 te vernietigen, primair op de voet van artikel 3:34 van het Burgerlijk Wetboek (BW) en subsidiair op de voet van artikel 3:44 lid 1 juncto lid 4 BW.
A heeft aan haar primaire vordering tot vernietiging van de koopovereenkomst ten grondslag gelegd dat erflater op 18 december 2017 tot die koopovereenkomst is overgegaan onder invloed van een stoornis van de geestvermogens, waaruit het onweerlegbaar vermoeden volgt dat bij hem een met zijn verklaring overeenstemmende wil tot het sluiten van de koopovereenkomst, die (voorzienbaar) nadelig voor hem was, geacht moet worden te hebben ontbroken.

Volgens B was in geen geval sprake van een geestelijke stoornis bij erflater ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst en betreft de verkoop een weloverwogen tot stand gekomen beslissing van erflater tot verkoop, bij de voorbereiding waarvan de boekhouder/accountant van erflater en de notaris betrokken zijn geweest en waarbij er van uit kan en worden gegaan dat de notaris de geestvermogens van erflater heeft gecontroleerd.

Erfrecht. Koopovereenkomst. Materiële schenking? Wilsgebreken. Is de schenkingsovereenkomst op grond van een wilsgebrek van erflater vernietigbaar? Bewijsvermoeden.

De rechter overweegt als volgt.

De vorderingen van A strekken tot vernietiging van de koopovereenkomst van 18 december 2017.

De rechtbank stelt vast dat blijkens de notariële akte van levering van 29 december 2017 de titel voor de levering van de daarin genoemde registergoederen een koopovereenkomst van 18 december 2017 is, die als zodanig in de akte wordt benoemd.

Die akte is niet (mee) overgelegd, maar gelet op de door B overgelegde (niet gedagtekende en niet ondertekende) koopovereenkomst op briefpapier van dezelfde notaris, gaat de rechtbank er van uit dat om dezelfde koopovereenkomst gaat.

De rechtbank acht door B onvoldoende onderbouwd dat sprake zou zijn geweest van een (formele) schenking.

Niettemin ontwaart zij in de koopovereenkomst, gelet op de inhoud van de wederzijdse prestaties, een potentieel (vernietigbare) materiële schenking.

Daarop zal bij de beoordeling worden teruggekomen.

Artikel 3:34 lid 1 BW luidt:

“Heeft iemand wiens geestvermogens blijven of tijdelijk zijn gestoord, iets verklaard, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering der bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan. Een verklaring wordt vermoed onder invloed van de stoornis te zijn gedaan, indien de rechtshandeling voor de geestelijk gestoorde nadelig was, tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijze niet was te voorzien.”

Het tweede lid van artikel 3:34 BW bepaalt in aansluiting op het eerste lid dat een zodanig ontbreken van wil een meerzijdige rechtshandeling vernietigbaar maakt.

Aangezien A zich beroept op de vernietigbaarheid van de rechtshandeling tot verkoop, berust de stelplicht en bewijslast dat ten tijde van het aangaan van de koopovereenkomst bij erflater sprake was van een geestelijke stoornis in de zin van artikel 3:34 lid 1 BW op haar.

Daarbij geldt dat van een zodanige geestesstoornis sprake is in alle gevallen waarin de handelende persoon niet over een normale wil beschikt en zich geen rekenschap kan geven van wat hij doet of de strekking van de handeling.

A moet ook stellen en aannemelijk maken dat in verband met die geestesstoornis de wil van erflater tot het sluiten van de koopovereenkomst heeft ontbroken.

Op dat punt (de kwestie van het causaal verband) komt de wetgever degene die aan een geestesstoornis lijdt, tegemoet door de twee in het eerste lid van artikel 3:34 BW genoemde vermoedens.

Het eerste onweerlegbare vermoeden treedt in als de betrokkene aantoont dat de stoornis een redelijke waardering van de bij de rechtshandeling betrokken belangen belette.

Het tweede onweerlegbare vermoeden treedt in als de betrokkene aantoont dat zijn verklaring onder invloed van een stoornis is gedaan.

Met betrekking tot dat tweede vermoeden biedt het eerste lid van artikel 3:34 BW in de tweede zin een weerlegbaar (hulp)vermoeden.

Als de rechtshandeling voor betrokkene nadelig was, wordt de verklaring vermeend onder invloed van de stoornis te zijn gedaan, tenzij het nadeel op het tijdstip van de rechtshandeling redelijkerwijze niet was te voorzien.

A heeft, ter onderbouwing van haar stelling dat de geestesvermogens van erflater vóór en ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst op18 december 2017 gestoord waren, aangevoerd dat uit zijn anamnese volgt dat erflater bekend was met psychische aandoeningen, die een redelijke waardering van zijn belangen belette.

Hij was immers bekend met schizofrenie en psychoses, waarvan algemeen bekend is dat deze aan een juiste waardering van vermogensrechtelijke- en andere belangen in de weg staan.

Daarbij heeft zij aangegeven dat erflater op 5 september 2017 een cerebraal vasculair accident (CVA) (een beroerte) heeft gehad en heeft zij gerefereerd aan vermeldingen in het patiëntendossier.

Met name betreft dit een vermelding op datum 20 oktober 2017, ten tijde van de opname, te weten “Sinds voorgeschiedenis (psychose, schizofrenie) ontspoort patiënt snel.” en de vermelding bij ontslag “Dhr. was tijdens opname met vlagen verward, kon soms ineens erg geagiteerd worden.” 

A heeft voorts gewezen op een door het ziekenhuis gemaakte afspraak voor een intake bij de polikliniek psychiatrie op 3 november 2017, aan welke afspraak erflater geen gevolg heeft gegeven.

Zij heeft medicamenteuze behandeling met psychofarmaca (Haloperidol) genoemd en verder nog een uitnodiging van Dimence geestelijke gezondheidszorg voor een gesprek bij een psychiater op 28 mei 2018.

A heeft zich voorts ter comparitie mede beroepen op een neurologische diagnose van neuroloog C van 4 april 2018, opgenomen in het patiëntendossier.

Daarnaast heeft gewezen op vermeldingen in het patiëntendossier van erflater bij huisarts D en op een brief van E, specialist ouderengeneeskundige, van 2 juli 2018.

A verwijst in het bijzonder naar gegevens van Isala over de periodes september tot en met december 2017 en van de huisarts over de periodes september 2017 tot en met 6 december 2017.

Hieruit komt volgens A een beeld en gedrag naar voren dat zich laat koppelen aan CVA’s, (vasculaire) dementie, Lewy body dementie, afgestorven en/of verkalkte delen in de hersenen (weefselverlies) een frontaal kwab trauma, verwardheid, geheugenstoornissen, angststoornissen, schizofrenie, psychosen, compulsieve headbanging, suïcidegedachten, diverse antipsychotica medicatie, het niet kunnen leggen van verbanden, beperkte info-opname enz.

Gelet op de psychische aandoeningen en geestelijke toestand per ultimo oktober/november 2017, met toenemende verwardheid en waanbeelden en gemakkelijk “ontsporen”, aandoeningen die langere tijd bestaan en ook zijn blijven bestaan in de tijd daarna, was ten tijde van het sluiten van de koopovereenkomst volgens A van een stoornis sprake, die maakte dat erflater de registergoederen aan B verkocht voor € 1,00 met mede het vervallen van huurinkomsten tot gevolg.

Die stoornis brengt volgens A mee dat bij erflater de wil tot het sluiten van de koopovereenkomst geacht moet worden te hebben ontbroken, hetgeen die overeenkomst vernietigbaar maakt.

B betwist de stellingen van A.

Zij voert aan dat de beslissing om de koopovereenkomst aan te gaan weloverwogen tot stand is gekomen, dat geen sprake was van een geestelijke stoornis bij erflater in de zin van artikel 3:34 lid 1 BW en dat de wil van erflater tot het verrichten van de rechtshandelingen niet heeft ontbroken.

Daarbij plaatst B de koopovereenkomst in een kader van andere zaken, te weten het op dezelfde dag bij notariële akte verlenen van een algehele volmacht aan haar en een plan om te komen tot het oprichten van een vennootschap onder firma met gedaagde.

B wijst voorts op een voortraject inzake de koopovereenkomst en op de rol van de accountant en de notaris daarbij in de zin van het dienen van advies en het geven van informatie.

Zij ziet in het passeren van de akte door de notaris een bevestiging dat die zich van de geestelijke vermogens van erflater heeft vergewist.

Ook de accountant F heeft zich daarvan kunnen overtuigen.

Meer toegespitst op de geestelijke vermogens betoogt B dat in de medische rapportage herhaaldelijk gesteld wordt dat sprake lijkt te zijn van vasculaire dementie maar dat een bevestiging daarvan nergens staat.

Ook met enkele geciteerde zinsneden uit het medisch dossier en huisarts betwist B het bestaan van een geestesstoornis, te weten:

G, psychiater: “Langer bestaande en te uitgebreide casus voor consult aan bed. Voorkeur voor patiënt op de poli uit te nodigen voor uitgebreide intake en adequate diagnostiek.”;

H, neuroloog (1 sept 2017): “Overlegd met psychiater J : patiënt klinkt niet wilsonbekwaam.” ;

K, huisarts (19 sept 2017): “geen verwardheid meer maar wel heel onrustig in de nacht;… verder goed gesprek te voeren”.

B heeft voorts gesteld dat geen sprake was van ambulante behandeling van psychische stoornissen.

Volgens B bestaat geen enkele aanleiding om uit te gaan van het onweerlegbaar vermoeden dat de wil tot het sluiten van de koop- dan wel schenkingsovereenkomst heeft ontbroken.

De rechtbank is van oordeel dat B de stellingen van A onvoldoende gemotiveerd heeft weersproken.

Hetgeen zij heeft aangevoerd inzake het bredere geheel waarin de koop- c.q. schenkingsovereenkomst geplaatst zou moeten worden en inzake het passeren van de leveringsakte, in de door haar gestelde zin, overtuigt daartoe hoe dan ook onvoldoende.

Hierbij kan worden vastgesteld dat erflater niet bij het passeren van de akte aanwezig is geweest, zodat de beweerdelijke positieve constatering van de notaris inzake de geestesgesteldheid van erflater op dat moment geen doel treft, nog daargelaten of een notaris (alsook de genoemde accountant) over specifieke deskundigheid beschikt om die geestesgesteldheid te kunnen beoordelen.

Verklaringen van de notaris en de accountant hieromtrent – wat daarvan zij – die de stelling van B zouden bevestigen, zijn overigens niet in het geding gebracht.

Ook de onderbouwing van B van haar stelling dat van enige geestelijke stoornis geen sprake is geweest, acht de rechtbank ontoereikend, gelet op hetgeen A onder verwijzing naar voornoemde medische vermeldingen te berde heeft gebracht.

B haalt uit die gegevens enkele zinsneden die haar verweer zouden staven, maar naar het oordeel van de rechtbank gaat zij daarmee voorbij aan hetgeen overigens daaruit is gebleken over de periodes september tot en met december 2017: toenemend geheugenverlies, verwarring, ongepast gedrag, niet voor rede vatbaar zijn, hallucinaties, halidol medicatie vanaf begin september, angstklachten, ingewikkeld mengbeeld met dementie, gemengd dementieel beeld (vasculair/Alzheimer) aanvraag psychiatrisch consult, advies opname ter observatie, cognitieve achteruitgang.

De rechtbank overweegt ten aanzien van de stelling van B dat geen sprake is geweest van behandeling van psychische klachten, dat de bevindingen uit het medisch dossier voor de behandelende sector tijdens de opname een indicatie vormden voor een psychiatrisch vervolgtraject, waarvoor zelfs vanuit de behandelende sector een afspraak was gemaakt, maar dat B namens erflater heeft doen weten van afspraken op de polikliniek psychiatrie (de eerste op 3 november 2017) geen gebruik te maken.

Erflater was ten tijde van de verkoop c.q. schenking op gevorderde leeftijd.

Hij was toen op een aantal maanden na al de leeftijd van 80 jaar genaderd.

Voor hem waren verschillende belangen aan de orde: de behoefte aan (mantel)zorg in verband met zijn gezondheidssituatie, zijn zakelijke bedrijfsvoering, de regeling van zijn nalatenschap.

Een waardering van elk van die belangen, zowel wat betreft het gewicht van elk belang op zichzelf, als ook in verband met de afweging tegen elkaar in hun onderlinge wisselwerking, moet op zichzelf voor erflater al als zijnde gecompliceerd worden geacht.

Daarbij komt dat hij blijkens de medische bevindingen kampte met psychoses, geheugenstoornissen, angststoornissen, een beperkte capaciteit tot het opnemen van informatie of het leggen van verbanden.

Voorts was bij hem sprake van verwardheid.

Tegen die achtergrond moest erflater de beweerdelijke tegenprestatie van de verkoop c.q. schenking, inhoudende een levenslange mantelzorg van de persoon jegens wie hij in dat opzicht affectie had opgevat – één van de belangen – afwegen tegen zijn vermogensrechtelijke belangen.

Gezien zijn geestelijke vermogens moet hij geacht worden die voorgehouden tegenprestatie niet redelijk te hebben kunnen waarderen in het licht van de gegeven omstandigheden (waaronder die van zijn hoge leeftijd en de daarbij behorende levensverwachting), met een rechtshandeling met een zeer aanzienlijke wanverhouding tussen de prestaties tot gevolg.

B beroept zich op artikel 3:35 BW.

Zij heeft daartoe aangevoerd dat zij de verklaring van erflater heeft opgevat overeenkomstig de zin die zij daaraan onder de omstandigheden redelijkerwijs mocht toekennen, inhoudende dat erflater daadwerkelijk de registergoederen wilde verkopen dan wel schenken om de levenslange verzorging in eigen woonomgeving door gedaagde te waarborgen en om haar behulpzaam te doen zijn bij de exploitatie van de eenmanszaak (vakantieboerderij).

Zij betoogt er gerechtvaardigd op vertrouwd en te hebben mogen vertrouwen dat de wil en verklaring van erflater overeen stemden.

Zij heeft geen moment de indruk gehad of moeten hebben dat de geestelijke vermogens van erflater tijdelijk of blijvend gestoord waren.

De rechtbank overweegt als volgt.

B heeft zich materieel gezien niet onterecht op het standpunt gesteld dat de omstreden rechtshandeling een schenking impliceert, zijnde een rechtshandeling om niet.

Bij rechtshandelingen om niet vergen redelijkheid en billijkheid (art. 6:2 en 6:248 BW) dat voor een beroep op artikel 3:35 BW door de wederpartij zwaardere eisen gelden (Hoge Raad, 12 september 1986, NJ 1987/267 en Hoge Raad, 15 november 2002, HR:2002:AF0585).

Het beroep van B op de wilsvertrouwensleer schiet tekort in het licht van de omstandigheden, die A onweersproken heeft benoemd en die inhouden dat B vanuit een directe betrokkenheid bij opname en behandeling van erflater “van A tot Z” op de hoogte was van de medische c.q. geestestoestand van erflater, voor hem contact- en vertrouwenspersoon voor artsen was en voor hem afspraken maakte of afzegde, het laatste in ieder geval wat betreft een medisch geïndiceerde psychiatrische observatie.

Dat zij deze weg niet heeft willen opgaan, kan veeleer als een indicatie worden opgevat voor een wegkijken of negeren van de geestestoestand van erflater, dan als steun voor haar stelling dienaangaande.

De rechtbank komt al met al op grond van het voorgaande tot het oordeel dat een stoornis in de geestvermogens van erflater hem een redelijke waardering van de bij de rechtshandeling betrokken belangen belette, in verband waarmee zijn met de verklaring overeenkomende wil geacht wordt te hebben ontbroken.

Daarmee is sprake van een onweerlegbaar vermoeden dat bij erflater de wil tot de omstreden rechtshandeling geacht moet worden te hebben ontbroken.

De koop- c.q. schenkingsovereenkomst is daarom op grond van wilsgebreken aan de kant van erflater vernietigbaar ingevolge artikel 3:34 lid 2 BW.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.