Erfrecht. Vernietiging van testament op grond van wilsgebrek? Aanvang van verjaring van een vordering tot vernietiging van een testament op grond van een wilsgebrek.

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 19 oktober 2021 uitspraak gedaan over de aanvang van de verjaring van een vordering tot vernietiging van een testament op grond van een wilsgebrek.

Appellante heeft in eerste aanleg gesteld dat de verjaringstermijn van artikel 4:54 lid 1 BW voor de rechtsvordering voor het aanvechten van een uiterste wilsbeschikking (één jaar) bij het overlijden van erflater op 3 april 2016 is aangevangen zodat die termijn op het moment van uitbrengen van de inleidende dagvaarding op 26 januari 2019 reeds was verstreken.

Geïntimeerden waren op de hoogte van het overlijden en van de inhoud van het testament en waren al voor het overlijden van erflater bezig om bewijs te verzamelen om het testament te vernietigen zodat zij ten tijde van het overlijden ook op de hoogte waren van de vernietigingsgrond.

Geïntimeerden hebben hier tegenover gesteld dat zij zich medio oktober 2018 tot een advocaat hebben gewend en dat deze hen toen heeft gewezen op gebreken aan het testament waarvan zij eerder niet de op de hoogte waren.

De verjaringstermijn is daarom eerst toen gaan lopen en was op het moment van uitbrengen van de dagvaarding nog niet verstreken, aldus geïntimeerden.

De rechtbank heeft dit standpunt van geïntimeerden gevolgd.

Met haar grief komt appellante op tegen dit oordeel van de rechtbank.

Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat de verjaringstermijn pas aanvangt op het moment dat bij een advocaat juridisch advies is ingewonnen.

De verjaringstermijn gaat lopen vanaf het moment dat de vorderingsgerechtigde bekend is met de feiten op basis waarvan de rechtsvordering tot vernietiging zou bestaan en niet pas op het moment van bekendheid met de juridische betekenis of gevolgen daarvan, aldus appellante.

Geïntimeerden voeren hiertegen aan dat het bij artikel 4:54 lid 1 BW vooral gaat om de vraag of sprake is van een gebrekkig tot stand gekomen testament en dat zij daarover pas in oktober 2018 kennis kregen, zodat toen de verjaringstermijn is gaan lopen.

Erfrecht. Vernietiging van testament op grond van wilsgebrek? Aanvang van verjaring van een vordering tot vernietiging van een testament op grond van een wilsgebrek.

Het rechter oordeelt als volgt.

Artikel 4:54 lid 1 BW luidt als volgt:

Rechtsvorderingen tot vernietiging van een uiterste wilsbeschikking verjaren een jaar nadat de dood van de erflater alsmede de uiterste wilsbeschikking en de vernietigingsgrond ter kennis zijn gekomen van hem die een beroep op deze grond kan doen, dan wel van zijn rechtsvoorganger.

Deze bepaling heeft specifiek betrekking op de vernietiging van een testament op de in Boek 4 BW genoemde vernietigingsgronden.

Voor zover geïntimeerden een beroep doen op die vernietigingsgronden is het hof met de rechtbank van oordeel dat van een erfgenaam in het algemeen niet verwacht kan worden dat hij zich aanstonds, zonder ter zake kundige advisering, voldoende bewust is van de formele vereisten voor een testament.

Ook in dit geval is voor [geïntimeerden] . dergelijke advisering nodig geweest om inzicht verkrijgen in het al dan niet voldoen van een testament aan de daaraan te stellen eisen inzake authenticiteit en vormvoorschriften.

Dat inzicht is volgens hen eerst in de loop van 2018 verkregen zodat de verjaringstermijn van artikel 4:54 lid 1 BW niet was voltooid op het moment dat zij de onderhavige procedure aanhangig maakten.

Door appellante is dit aannemelijke standpunt van geïntimeerden onvoldoende weersproken.

Ook indien juist is dat geïntimeerden in een eerder stadium vermoedden dat bij de opstelling van het testament van 26 oktober 2015 sprake was van een wilsgebrek bij de erflater, zoals appellante stelt, betekent dat niet dat de verjaringstermijn van artikel 4:54 lid 1 BW op een eerder moment is gaan lopen.

Overigens geldt dat bij de beoordeling van het door geïntimeerden gestelde wilsgebrek, zoals het hof hierna verder zal bespreken, artikel 3:34 BW beslissend is en op de toepassing van die bepaling heeft de korte verjaringstermijn van artikel 4:54 lid 1 BW geen betrekking.

Een en ander betekent dat het beroep op verjaring niet slaagt zodat de grief wordt verworpen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.