Erfrecht. Nietig testament? Wilsonbekwaamheid? Dementie. Alzheimer. Levenstestament. Redelijke waardering van belangen. Bewijs. Toetsing. Verklaring voor recht.

De Rechtbank Overijssel heeft op 4 mei 2022 uitspraak gedaan over de vraag of het testament van de erflaatster nietig was wegens gestelde wilsonbekwaamheid van de erflaatster.

Eiseressen zijn de dochters van gedaagde.

Gedaagde heeft sinds 2013 een relatie met overige gedaagde en zij wonen sinds augustus 2019 samen in de woning van gedaagde.

Bij gedaagde is op enig moment een geheugenstoornis vastgesteld met de diagnose Alzheimer, eerst lichte dementie (CDR 1) en later matige dementie (CDR 2).

Op 13 januari 2021 heeft gedaagde zowel een testament als een levenstestament getekend, in de plaats van een eerder testament en een eerder levenstestament.

De dochters menen dat zowel het testament als het levenstestament niet geldig is omdat hun moeder op 13 januari 2021 door de dementie niet meer in staat was tot een redelijke waardering van haar belangen.

Zij verwijzen daarbij naar de diagnose gesteld door de behandelend geriater.

Gedaagden stellen hiertegenover dat het testament en het levenstestament geldig zijn en verwijzen onder meer naar de beoordeling door een arts voor het verlengen van het rijbewijs in februari 2021.

Erfrecht. Nietig testament? Wilsonbekwaamheid? Dementie. Alzheimer. Levenstestament. Redelijke waardering van belangen. Bewijs. Toetsing. Verklaring voor recht.

De rechter oordeelt als volgt.

Voor een rechtshandeling is een op rechtsgevolg gerichte wil vereist, die zich door een verklaring heeft geopenbaard, zo bepaalt artikel 3:33 BW.

De wil wordt op grond van artikel 3:34 lid 1 BW geacht te ontbreken indien -in dit geval- de erflater/testateur (gedaagde) in verband met een geestelijke stoornis niet meer in staat is tot een redelijke waardering van de bij de verklaring betrokken belangen of indien de verklaring onder invloed van die geestelijke stoornis is gegeven.

Deze bepaling geldt zowel voor de verklaring van gedaagde neergelegd in het testament als in het levenstestament.

De rechtbank stelt voorop dat aan de vrijheid van gedaagde om een (levens)testament op te (laten) maken grote waarde moet worden toegekend.

Dat betekent dat niet te snel achteraf mag worden aangenomen dat voldaan is aan de vereisten van artikel 3:34 BW.

Daarbij komt dat de enkele aanwezigheid van een geestelijke stoornis niet altijd betekent dat de wilsverklaring ook onder invloed van die stoornis is gedaan, omdat een geestelijke stoornis de waardering van de bij een uiterste wilsbeschikking betrokken belangen niet in alle gevallen hoeft te beletten.

Dit zal mede afhangen van de ernst van die stoornis en de ingewikkeldheid van de desbetreffende wilsbeschikking.

Eiseressen stellen dat gedaagde op 13 januari 2021 niet meer in staat was om haar wil te bepalen zoals neergelegd in het (levens)testament.

Zij leed aan een geestelijke stoornis, dementie, en deze stoornis belette een redelijke waardering van haar belangen.

Eiseressen verwijzen naar de verklaringen van geriater L, meer specifiek naar de producties.

Gedaagden stellen dat de vraag of iemand wilsbekwaam of wilsonbekwaam is om een (levens)testament op te stellen, ter beoordeling is geweest van de notaris.

Er is op twee momenten door twee notarissen onafhankelijk van elkaar een beoordeling geweest, waarbij beide notarissen tot de conclusie zijn gekomen dat er geen reden was om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van gedaagde.

Ook een onafhankelijke arts die door het CBR is ingeschakeld en die tot het oordeel is gekomen dat sprake is van een lichte vorm van dementie (CDR 1), acht gedaagde nog steeds geschikt om een auto te besturen.

Gedaagden brengen naar voren dat de wil van gedaagde duidelijk en consistent was en dat zij overeenkomstig haar wil heeft verklaard.

Ook het Pensioenfonds gaat er vanuit dat, totdat in hoger beroep uitspraak is gedaan over het geregistreerd partnerschap, overige gedaagde als gevolmachtigde moet worden aangemerkt op grond van het tweede levenstestament.

De rechtbank is van oordeel dat eiseressen voldoende gemotiveerd hebben gesteld dat gedaagde op 13 januari 2021 niet in staat was tot een redelijke waardering van haar belangen.

De rechtbank motiveert dat als volgt.

Op 5 juni 2019 heeft de geriater, L, gedaagde gezien.

In de brief van 3 juli 2019, productie 11, staat dat L een MRI heeft aangevraagd voor gedaagde omdat hem forse cognitieve stoornissen zijn opgevallen bij gedaagde.

Ook blijkt uit de brief van L dat er zeer forse headturning is vastgesteld, waarbij overige gedaagde het hele gesprek van en met gedaagde overneemt.

Verder onderzoek was noodzakelijk.

Tussen partijen is niet in geschil dat de MRI scan heeft plaatsgevonden en dat L in augustus 2019 de diagnose Alzheimer gradatie 1 heeft gesteld.

Na deze diagnose is gedaagde meerdere keren bij L geweest.

Uit het rapport van L van 26 februari 2021 volgt dat gedaagde op 16 december 2020 ook voor een consult bij L is geweest.

L heeft geconcludeerd dat bij gedaagde sprake is van een gevorderde dementie, CDR 2.

Gelet op dit oordeel en gelet op de rapportages van L, waarin hij heel feitelijk de reacties en het gedrag van gedaagde weergeeft, is voor de rechtbank duidelijk dat gedaagde door deze diagnose niet meer in staat is om haar wil te bepalen voor een (levens)testament.

Op 5 maart 2021 heeft L gedaagde opnieuw gezien, waarvan hij bij brief van 15 april 2021 verslag heeft gedaan.

Uit die verslaglegging volgt duidelijk dat L zijn twijfels heeft aan de geldigheid van het nieuwe levenstestament van gedaagde en dat hij de dochters als wettelijk vertegenwoordigers beschouwt, een en ander conform het eerdere levenstestament van 8 februari 2019.

Geen van beide partijen hebben stellingen ingebracht tegen de onderzoeken iet L heeft uitgevoerd en de conclusies die hij daaraan verbindt: CDR 2.

Weliswaar heeft overige gedaagde zijn twijfel geuit en geopperd dat de cognitieve stoornissen van gedaagde (mede) konden worden veroorzaakt door het gebruik van medicatie, maar de conclusies van L en de uitkomst van de MRI in 2019 zijn niet gemotiveerd bestreden.

Op de vraag van de rechtbank of een onafhankelijke deskundige nog wat zou kunnen toevoegen reageerden beide partijen bij de mondelinge behandeling met een duidelijk ‘nee’.

De rechtbank volgt dit antwoord en zal het doen met de stukken in het dossier.

Op basis van het bovenstaande, meer specifiek de brieven van L van 3 juli 2019 en 26 februari 2021, is de rechtbank van oordeel dat gedaagde op 13 januari 2021 niet meer in staat was tot een redelijke waardering van haar belangen.

De rechtbank is van oordeel dat in het verweer van gedaagden onvoldoende aanknopingspunten worden gevonden om te komen tot een andere conclusie.

Uitgegaan moet worden van de wilsonbekwaamheid van gedaagde bij het tot stand komen van het (levens)testament.

Uit de brief van 4 februari 2022 blijkt dat twee (kandidaat)notarissen, mrs. A en D, gedaagde op verschillende momenten hebben gesproken: D op 9 april 2020 en A op 13 januari 2021.

Beiden achtten gedaagde in staat tot een redelijke waardering van haar belangen en hebben geen aanleiding gezien om het stappenplan in werking te stellen en een VIA arts in te schakelen.

De rechtbank heeft acht geslagen op het ‘Stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening’.

Hierin staat dat de diagnose ‘ziekte van Alzheimer’ een bijzondere indicator is om te twijfelen aan de geestelijke gesteldheid van de cliënt.

De diagnose Alzheimer gradatie 1 is in augustus 2019 gesteld.

Uit de brief kan niet worden afgeleid of de notarissen bij gedaagde navraag hebben gedaan naar de medische toestand van gedaagde.

Dat de notarissen zonder kennis te hebben genomen van haar medische toestand geen aanleiding hebben gezien om het stappenplan in werking te stellen, betekent niet dat in deze procedure aan de al voor die besprekingen gestelde diagnose voorbij moet worden gegaan.

Gedaagden verwijzen naar het besluit van 25 maart 2021 van de CBR arts.

Uit de productie volgt echter niet dat de CBR arts aan het criterium van artikel 3:34 BW heeft getoetst.

Volgens de CBR arts, die gedaagde op 11 februari 2021 heeft onderzocht, is er bij gedaagde sprake van een lichte vorm van dementie, CDR 1.

Feit is dat L op 16 december 2020, dus voor 11 februari 2021, al heeft vastgesteld dat sprake is van CDR 2, welke constatering niet bekend kon zijn bij de CBR arts omdat het rapport van L later dan 11 februari 2021 klaar was (26 februari 2021).

Dit betekent dat de informatie waar de CBR arts over beschikte achterhaald was.

Met een verwijzing naar de toepasselijke regelgeving mag met een CDR 2 score op dementie geen rijbewijs meer afgegeven worden: ‘Groep 1 (…) Personen met een zeer lichte (CDR 0,5) of lichte vorm (CDR 1) van dementie kunnen geschikt worden verklaard voor rijbewijzen van groep 1. Personen met een matige (CDR 2) of ernstige (CDR 3) vorm van dementie zijn altijd ongeschikt’.

Dat gedaagde toch een geldig rijbewijs heeft gekregen, kan daarom niet tot de conclusie leiden dat gedaagde wilsbekwaam is.

Dat geldt ook voor de verwijzing van gedaagden naar de brief van 11 oktober 2021 van het Pensioenfonds.

Het Pensioenfonds heeft twijfels over de vraag wie de bevoegde gevolmachtigde is, maar gaat er vanuit dat, totdat in hoger beroep uitspraak is gedaan over het geregistreerd partnerschap, overige gedaagde als gevolmachtigde moet worden aangemerkt op grond van het tweede levenstestament.

Gedaagden hebben niet gesteld dat het Pensioenfonds naar de geestelijke gesteldheid van gedaagde onderzoek heeft gedaan.

Bovendien gaat de reactie van het Pensioenfonds over het geregistreerd partnerschap en niet over het (levens)testament.

De beslissing van het Pensioenfonds doet dan ook geen afbreuk aan hetgeen door de rechtbank hiervoor is gezegd.

In het navolgende zal worden beoordeeld wat bovenstaande betekent voor de geldigheid van het testament en het levenstestament afzonderlijk.

Het testament

Artikel 4:42 lid 1 BW bepaalt dat een uiterste wilsbeschikking een eenzijdige rechtshandeling is. Een testament is de akte waarin de uiterste wilsbeschikking is opgenomen.

Nu de rechtbank oordeelt dat gedaagde in verband met een geestelijke stoornis niet meer in staat is tot een redelijke waardering van haar belangen is de uiterste wilsbeschikking nietig op grond van artikel 3:34 lid 2 BW.

Het levenstestament

In de literatuur wordt verschillend gedacht over de vraag of een levenstestament een eenzijdige of tweezijdige rechtshandeling is.

De rechtbank stelt vast dat in de discussie tussen partijen de vraag centraal staat wie de volmacht heeft gekregen om voortaan de belangrijke beslissingen voor gedaagde te nemen.

Ook als de volmacht niet zou worden aanvaard, kan de volmacht geldig zijn.

De nadruk ligt dus op de volmacht en in het navolgende zal de rechtbank het levenstestament aanmerken als een eenzijdige rechtshandeling.

Hiervoor heeft de rechtbank geoordeeld dat gedaagde op 13 januari 2021 niet in staat was tot een redelijke waardering van haar belangen.

Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor is overwogen onder het kopje ‘algemeen’.

Dat betekent dat ook het levenstestament nietig is grond van artikel 3:34 lid 2 BW.

De rechtbank is hierboven van oordeel dat zowel de wilsbeschikking tot uitdrukking komend in het testament als in het levenstestament van 13 januari 2021 nietig is.

Dit betekent dat gedaan moet worden alsof het (levens)testament van 13 januari 2021 nooit heeft bestaan en dat zowel het testament van 29 juli 1987 als het levenstestament van 8 februari 2019 herleven.

De rechtbank zal de vorderingen van eiseressen om te verklaren voor recht dat gedaagde wilsonbekwaam is ter zake het opstellen van het levenstestament en dat (de wilsbeschikking in) het levenstestament nietig is, toewijzen.

Dat geldt ook voor de vordering van eiseressen om een verklaring voor recht dat (de uiterste wilsbeschikking in) het testament van 13 januari 2021 nietig is.

Gelet hierop komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de subsidiaire vorderingen, waaronder ook de buitengerechtelijke ontbinding van het levenstestament.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.