Erfrecht. Uitleg van een testament. Voorwaarde in testament. Beëindiging van samenwoning. Samenlevingscontract. Gemeenschappelijke huishouding. Bedoeling van de erflater.

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag hoe de voorwaarde in het testament voor verkrijging, dat de samenwoning door overlijden is geëindigd, diende te worden begrepen.

De kern van het geschil.

De moeder en thans de bewindvoerder hebben aangevoerd dat de zoon en geïntimeerde geen uitvoering aan het samenlevingscontract hebben gegeven en nimmer hebben samengewoond.

Zij trokken met elkaar op, maar voerden geen gemeenschappelijke huishouding.

Zij hadden mogelijk de wens om te gaan samenwonen, maar nergens uit blijkt dat zij dit hebben gedaan.

Zij hebben zich niet op één adres ingeschreven.

Omdat zij niet op hetzelfde adres zijn ingeschreven, is de voorwaarde voor het benoemen van geïntimeerde tot enige erfgenaam niet vervuld.

Dit brengt mee dat de moeder volgens de wet erfgenaam van de zoon werd, omdat de zoon de kleindochter had onterfd.

Geïntimeerde voert daartegen aan dat zij een affectieve relatie met de zoon had en in 2012 met hem is gaan samenwonen.

Het samenlevingscontract was bedoeld om dit te formaliseren.

Het testament moet in samenhang met het samenlevingscontract worden gelezen.

Dat in het samenlevingscontract en het testament is opgenomen dat geïntimeerde en de zoon ‘vanaf heden’ samenleefden, komt doordat de notaris modellen heeft gebruikt.

Uit het feit dat geïntimeerde en de zoon toen samenleefden, volgt dat de zoon niet kan hebben bedoeld dat doorslaggevend is of zij op hetzelfde adres waren of zouden worden ingeschreven.

Uit de stellingen van partijen blijkt dat zij ervan uitgaan dat de kleindochter belang heeft bij de vorderingen, indien komt vast te staan geïntimeerde geen erfgenaam is.

Kennelijk gaan beide partijen ervan uit dat de moeder volgens de wettelijke regels de erfopvolger van de zoon zou zijn, indien geïntimeerde dit niet is, en niet de Nederlandse Vereniging tot Bescherming van Dieren, welke vereniging in het testament voorwaardelijk tot enig erfgenaam is benoemd.

Erfrecht. Uitleg van een testament. Vraag hoe voorwaarde voor verkrijging, dat samenwoning door overlijden is geëindigd, moet worden begrepen. Bedoeling van de erflater.

De rechter oordeelt als volgt.

In het testament heeft de zoon zijn uiterste wil ten aanzien van zijn nalatenschap vastgelegd.

Het gaat erom of het de uiterste wil van de zoon is dat geïntimeerde de enige erfgenaam van zijn vermogen is.

Dat vergt uitleg van het testament.

Volgens art. 4:46 lid 1 BW moet bij de uitleg van een uiterste wilsbeschikking worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Aan de bewoordingen van het testament komt geen doorslaggevende betekenis toe.

Doorslaggevend is de wil van de erflater, zoals deze kenbaar is uit het testament.

Van belang is in dit verband het volgende.

De zoon en geïntimeerde onderhielden al vóór het maken van het testament een relatie.

Zij stonden ieder ingeschreven op het adres van hun eigen woning.

Deze woningen lagen in elkaars onmiddellijke nabijheid.

Op 10 juni 2015 heeft de notaris achtereenvolgens het samenlevingscontract tussen de zoon en geïntimeerde en het testament van de zoon gepasseerd.

In het testament is geïntimeerde aangeduid als de partner van de zoon.

Daarnaast is in het testament verwezen naar het samenlevingscontract en is vermeld dat de zoon en geïntimeerde een gemeenschappelijke huishouding voeren.

Het testament moet dus in onderlinge samenhang met het samenlevingscontract worden bezien.

Ook het samenlevingscontract vermeldt dat partijen een gemeenschappelijke huishouding voeren.

Daarin is overigens ook vermeld dat voor de toepassing van de bepalingen van het contract de samenleving van partijen geacht wordt te zijn aangevangen op 6 mei 1991.

Dat is de dag waarop geïntimeerde is ingeschreven op het adres van haar woning.

Het samenlevingscontract bevat verder als gebruikelijk te beschouwen bepalingen.

De aanduiding van geïntimeerde in het testament van de zoon als de partner van de zoon is niet geformuleerd onder een voorwaarde of als een voornemen, maar als een feit.

Datzelfde geldt voor het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.

De ‘voorwaarde voor verkrijging door partner’ ziet op de situatie dat ‘onze samenwoning’ door het overlijden van de zoon of geïntimeerde eindigt, en dus niet om een andere reden of door een andere oorzaak.

Ook hieruit blijkt dat de zoon bij het maken van het testament ervan uitging dat hij met geïntimeerde samenwoonde.

De genoemde voorwaarde ziet dus op de wijze van het eindigen van het samenwonen.

Het hof maakt uit deze omstandigheden op dat de zoon geïntimeerde beschouwde als zijn partner en de situatie waarin hij met haar leefde, kwalificeerde als een vorm van samenwonen en van een gemeenschappelijke huishouding die volgens hem rechtvaardigde dat zij werd benoemd tot zijn enige erfgenaam.

De geformuleerde voorwaarde voor het verkrijgen van de nalatenschap ziet dus op het niet-eindigen van die situatie vóór het overlijden van de zoon of van geïntimeerde.

Dit brengt mee dat het hof niet behoeft te onderzoeken of de situatie waarin de zoon met geïntimeerde leefde, volgens de maatstaven van de bewindvoerder, de kleindochter of van anderen voldoet aan bepaalde eisen met betrekking tot het voeren van een gemeenschappelijke huishouding.

Het was immers kennelijk de wil van de zoon om gegeven de situatie zoals die toen bestond, geïntimeerde tot zijn enige erfgenaam te maken, tenzij die situatie zou eindigen, anders dan door overlijden.

In het licht hiervan moet ook de bepaling worden verstaan dat de samenwoning als beëindigd geldt, indien de zoon en geïntimeerde niet langer op hetzelfde adres staan ingeschreven.

Deze bepaling kan alleen betekenis hebben voor zover het niet langer ingeschreven staan, uitdrukking geeft aan het eindigen van de situatie zoals die bij het maken van het testament bestond.

In aanmerking genomen dat de zoon en geïntimeerde vóór, bij en na het maken van het testament niet op hetzelfde adres ingeschreven hebben gestaan, heeft de bepaling in de situatie waarin de zoon met geïntimeerde leefde, geen betekenis gekregen.

Op de hiervoor gegeven uitleg van het testament van de zoon stranden de grieven van de bewindvoerder.

De rechtbank heeft immers terecht geoordeeld dat geïntimeerde de enige erfgenaam van de zoon is.

Hieruit volgt dat de grief geen doel treft.

In het voorgaande ligt besloten dat de vorderingen van de moeder in de hoofdzaak en in het incident terecht zijn afgewezen en dat de moeder terecht in de proceskosten is veroordeeld.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.