Erfrecht. Erfstelling in testament. Middellijke onterving? Vordering tot vernietiging testament wegens onjuiste beweegreden. Rechtspraak. Parlementaire Geschiedenis.

De P-G bij het Parket van de Hoge Raad heeft onlangs een vordering tot de vernietiging van een testament wegens onjuiste beweegreden besproken en toegelicht.

Het cassatieberoep heeft betrekking op de reikwijdte en de toepassing van art. 4:43 lid 2 BW.

Erfrecht. Erfstelling in testament. Middellijke onterving? Vordering tot vernietiging testament wegens ‘onjuiste beweegreden’ op voet art. 4:43 lid 2 BW. Rechtspraak. Parlementaire Geschiedenis. Toetsing.

De P-G overweegt als volgt.

Het onderdeel is gericht tegen de rechtsoverweging van het bestreden arrest, waarin het hof – kort gezegd – heeft geoordeeld dat de bijlage bij het testament deel uitmaakt van de uiterste wil van moeder en dat hetgeen daarin staat, geldt als ‘in de uiterste wil aangeduid’.

Het onderdeel betoogt dat dit oordeel blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, omdat art. 4:43 lid 2 BW uitdrukkelijk vereist dat de onjuiste beweegreden in de uiterste wil zelf is opgenomen.

Verder klaagt het onderdeel dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, omdat het tegenstrijdig is met zijn oordeel dat de erfstelling in het testament zelf staat en de toelichting daarop in de bijlage.

Ook betoogt het onderdeel dat uit de overwegingen van het hof niet blijkt dat de wil van moeder erop was gericht de beweegredenen deel te laten uitmaken van het testament.

Verder klaagt het onderdeel dat het hof heeft miskend dat de notariële tussenkomst er (ook) toe leidt dat de bedoeling van erflater wordt geredigeerd en dat de rechtszekerheid meebrengt dat de erflater erop mag vertrouwen dat beweegredenen die hij in een ‘toelichting’ heeft gegeven, de uiterste wil niet aantastbaar maken op de voet van art. 4:43 lid 2 BW.

Tot slot betoogt het onderdeel dat het hof van de juistheid had moeten uitgaan van, althans bij zijn oordeel had moeten betrekken, de stelling van de dochter dat moeder ervoor heeft gekozen de bijlage géén deel te laten uitmaken van haar testament, welke stelling door de zoon niet (gemotiveerd) is betwist.

Voor het gemak van de lezer citeer ik art. 4:43 BW:

‘1. Een uiterste wilsbeschikking is niet vatbaar voor vernietiging op de grond dat zij door misbruik van omstandigheden is tot stand gekomen.

2. Een uiterste wilsbeschikking, gemaakt onder invloed van een onjuiste beweegreden, is slechts dan vernietigbaar, wanneer de door de erflater ten onrechte veronderstelde omstandigheid die zijn beweegreden tot de beschikking is geweest, in de uiterste wil zelf is aangeduid en de erflater de beschikking niet zou hebben gemaakt, indien hij van de onjuistheid dier veronderstelling had kennis gedragen.

2. Een uiterste wilsbeschikking kan niet op grond van bedreiging, bedrog of een onjuiste beweegreden worden vernietigd, wanneer de erflater haar heeft bevestigd nadat de invloed van de bedreiging heeft opgehouden te werken of het bedrog of de onjuistheid van de beweegreden is ontdekt.’

Art. 4:43 lid 2 BW geeft een bijzondere regeling voor dwaling bij het maken van een uiterste wilsbeschikking.

Een uiterste wilsbeschikking die onder invloed van dwaling in de beweegreden is gemaakt, is slechts vernietigbaar indien

  • de onjuiste beweegreden in de uiterste wil zelf is aangeduid en
  • de erflater de beschikking niet zou hebben gemaakt, indien hij van de onjuistheid van de beweegreden op de hoogte was geweest. Een beweegreden is onjuist, wanneer een erflater tot een beschikking wordt bewogen door een omstandigheid, die hij ten onrechte als bestaand aanmerkt of die ontijdig opgehouden heeft te bestaan of door een verwachting die niet in vervulling is gegaan.

In art. 4:42 lid 3 BW is bepaald dat een uiterste wilsbeschikking alleen bij uiterste wil kan worden gemaakt.

De op straffe van nietigheid voorgeschreven vorm van de uiterste wil is geregeld in afdeling 4 van titel 4 van Boek 4.

Zo bepaalt art. 4:94 BW dat – behoudens in de wet genoemde uitzonderingen – een uiterste wil alleen kan worden gemaakt bij een notariële akte of bij een aan een notaris in bewaring gegeven onderhandse akte.

Door tussenkomst van een notaris wordt gewaarborgd dat ‘de testateur van specifieke erfrechtelijke kennis wordt voorzien en tot weloverwogen beschikkingen komt’, zodat de ‘ware wil’ van de erflater in het testament gestalte krijgt.

Het incorporeren van stukken is op zichzelf niet verboden, mits niet tegen de strekking van de vormdwang wordt gehandeld. 

Deze vormdwang brengt mee dat het wezen van de uiterste wilsbeschikking in de uiterste wil moet zijn neergelegd en niet kan blijken uit een stuk, waarnaar de beschikking verwijst.

In art. 4:43 lid 2 BW heeft de wetgever met ‘uiterste wil’ echter niet een aan vormvoorschriften gebonden akte bedoeld, maar ‘het geheel van uiterste wilsbeschikkingen welke de erflater in een of meer akten heeft getroffen’. 

De term heeft in art. 4:43 lid 2 BW dus een materiële betekenis, in tegenstelling tot de meeste andere bepalingen van Boek 4 waarin ‘uiterste wil’ de genoemde formele betekenis heeft.

Voor de zaak die in cassatie aan de orde is, brengt het bovenstaande mee dat de vraag moet worden beantwoord of de beweegredenen voor de erfstelling, zoals verwoord in de bijlage bij het testament (de uiterste wil in de formele betekenis), moeten worden geacht in de erfstelling (de uiterste wilsbeschikking) zelf te zijn aangeduid.

Het hof heeft deze vraag kennelijk bevestigend beantwoord, op grond van de volgende omstandigheden:

  • de bijlage is aan de uiterste wil gehecht en vormt daarmee één geheel;
  • (de bijlage bevat de toelichting op de uiterste wilsbeschikking waar het om gaat;
  • (de uiterste wilsbeschikking is vervat in een notariële akte en voldoet aan de vormeis;
  • de waarborgen van notariële tussenkomst gelden ook voor de bijlage; en
  • door de verwijzing naar de bijlage in het testament is duidelijk dat dit de toelichting van moeder is.

In cassatie is onbestreden de vaststelling van het hof dat de bijlage is gehecht aan de uiterste wil en daarmee één geheel vormt.

Naar mijn mening geeft het oordeel van het hof geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.

In de erfstelling zelf wordt ter toelichting verwezen ‘naar de aan dit testament gehechte bijlage’.

Deze toelichting bevat de beweegreden(en) voor de erfstelling van de dochter, en daarmee de (impliciete) onterving van de zoon.

Door uitdrukkelijk te verwijzen naar de toelichting in de erfstelling zelf, moet de wil van moeder worden geacht erop te zijn gericht de in de toelichting vervatte beweegreden(en) in de uiterste wilsbeschikking zelf aan te duiden.

Het zou anders liggen wanneer in de uiterste wilsbeschikking niet zou zijn verwezen naar de bijlage bij de uiterste wil, terwijl deze bijlage wél aan de uiterste wil zou zijn gehecht.

In zo’n geval kan moeilijk worden gezegd dat de beweegreden ‘in de uiterste wil zelf is aangeduid’. Of de notariële waarborgen ook gelden voor de bijlage kan verder in het midden blijven, gezien de materiële betekenis van het begrip ‘uiterste wil’ in art. 4:43 lid 2 BW.

Verder is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk, noch ontoereikend gemotiveerd. Dat het hof heeft overwogen dat de toelichting van moeder niet in haar uiterste wil zelf staat, sluit niet uit dat het hof tot het oordeel is gekomen dat die toelichting moet worden beschouwd als onderdeel van de uiterste wil van moeder en daarmee als ‘in de uiterste wil aangeduid’.

De stelling van de dochter dat moeder ervoor heeft ‘gekozen om haar overwegingen voor de erfstelling (een toelichting op de erfstelling) aan het testament te laten hechten om discussies achteraf te voorkomen’ is niet onderbouwd en brengt – indien juist – ook niet mee dat de wil van moeder er niet op zou zijn gericht de toelichting onderdeel te laten zijn van de erfstelling.

Indien moeder dat had willen voorkomen, had het juist voor de hand gelegen de bijlage niet aan de uiterste wil te hechten en/of niet in de erfstelling zelf te verwijzen naar de bijlage ter toelichting daarop.

Het hof kan dan ook niet worden verweten deze stelling niet (kenbaar) bij zijn overwegingen te hebben betrokken.

Onderdeel 1 betoogt dat art. 4:43 lid 2 BW niet van toepassing is op de situatie van ‘middellijke’ onterving. Het onderdeel valt in drie subonderdelen uiteen.

Onderdeel 1 klaagt dat het hof heeft miskend dat art. 4:43 lid 2 BW niet van toepassing is op ‘middellijke’ onterving – door het hof omschreven als impliciete onterving – waarbij de onterving een nevengevolg is van een erfstelling en daarom op zichzelf niet als uiterste wilsbeschikking kwalificeert.

Verder meent het onderdeel dat de (beweerdelijk) onjuiste beweegreden geen betrekking heeft op de erfstelling, zodat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door de erfstelling te vernietigen, althans zijn oordeel hieromtrent ontoereikend heeft gemotiveerd.

Art. 4:43 lid 2 BW is van toepassing op uiterste wilsbeschikkingen.

Art. 4:42 lid 1 BW definieert een uiterste wilsbeschikking als volgt:

‘Een uiterste wilsbeschikking is een eenzijdige rechtshandeling, waarbij een erflater een beschikking maakt, die eerst werkt na zijn overlijden en die in dit Boek is geregeld of in de wet als zodanig wordt aangemerkt.’

In afdeling 1 van titel 5 van Boek 4 is de erfstelling geregeld. Art. 4:115 BW bepaalt dat een erfstelling een uiterste wilsbeschikking is, krachtens welke de erflater aan een of meer daarbij aangewezen personen zijn gehele nalatenschap of een aandeel daarin nalaat.

Art. 4:1 lid 2 BW bepaalt voorts dat bij een uiterste wilsbeschikking die een erfstelling inhoudt, kan worden afgeweken van de erfopvolging bij versterf.

Het voorgaande laat geen andere conclusie toe dan dat de erfstelling van de dochter een uiterste wilsbeschikking is, waarop art. 4:43 lid 2 BW kan worden toegepast, ook indien die erfstelling de onterving van de zoon tot gevolg heeft gehad.

Dat een impliciete onterving als zodanig niet als uiterste wilsbeschikking kwalificeert, doet daaraan niet af. 

Noch de tekst van de wet, noch de parlementaire geschiedenis biedt enige steun aan een andere opvatting.

Voor zover het onderdeel betoogt dat het hof de erfstelling niet had mogen vernietigen omdat alleen de onterving wordt geraakt door een onjuiste beweegreden, mist het feitelijke grondslag.

Het hof heeft – in cassatie onbestreden – geoordeeld dat de zoon door de erfstelling impliciet is onterfd, in de bijlage de erfstelling en onterving zijn toegelicht en de vordering van de zoon is gericht tegen de erfstelling en de onterving.

Ook valt niet in te zien waarom het al dan niet bestaan van een onjuiste beweegreden, zoals bepleit door partijen en onderzocht door het hof, geen betrekking zou hebben op de erfstelling van de dochter, aangezien die erfstelling – blijkens de bewoordingen van de erfstelling en de toelichting daarop – uitdrukkelijk was gemotiveerd door de wens van moeder om de zoon te onterven.

Kortom, niet kan worden gezegd dat het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden door de erfstelling te vernietigen of zijn oordeel daaromtrent ontoereikend heeft gemotiveerd.

De klachten falen dus.

Onderdeel 2 klaagt dat het hof heeft miskend dat een beroep op art. 4:43 lid 2 BW niet toekomt aan diegene die is onterfd, maar alleen aan de rechtsopvolger(s) van de erflater.

Door de erfstelling ten behoeve van de dochter te vernietigen vanwege de omstandigheid dat de onterving van de zoon onder invloed van een onjuiste beweegreden tot stand is gekomen, heeft het hof bovendien een nadere invulling gegeven aan de wil van moeder, hetgeen in strijd is met de testeervrijheid.

Het valt immers niet uit te sluiten dat moeder, indien zij op de hoogte was geweest van de onjuiste beweegreden, tot een andere verdeling van de nalatenschap was gekomen dan die overeenkomt met de regels van het versterferfrecht, aldus het onderdeel.

De uiterste wilsbeschikking is een eenzijdige, ongerichte rechtshandeling. 

Titel 2 van Boek 3 BW (‘Rechtshandelingen’) is rechtstreeks van toepassing, voor zover de bepalingen in Boek 4 daarvan niet afwijken.

Art. 3:50 lid 1 BW bepaalt dat een buitengerechtelijke verklaring die een rechtshandeling vernietigt, door hem in wiens belang de vernietigingsgrond bestaat, wordt gericht tot hen die partij bij de rechtshandeling zijn.

Aangenomen wordt dat hetzelfde geldt voor de vernietiging in rechte. 

De vraag in wiens belang de vernietigingsgrond bestaat, moet worden beantwoord aan de hand van de tekst en/of strekking van de toepasselijke regel. 

In het geval van een wilsgebrek zoals dwaling is dat normaliter de persoon die de rechtshandeling heeft verricht en daarop wenst terug te komen.

Uit de parlementaire geschiedenis blijkt niet dat de wetgever met art. 4:43 lid 2 BW de belangen van bepaalde personen op het oog heeft gehad.

Het ligt voor de hand dat de erfgenamen van de ‘dwalende’ erflater in ieder geval worden aangemerkt als personen in wiens belang deze vernietigingsgrond bestaat. 

Zij kunnen bijvoorbeeld nadeel ondervinden van een onder invloed van een onjuiste beweegreden tot stand gekomen legaat aan een derde en met een beroep op art. 4:43 lid 2 BW het desbetreffende vermogensbestanddeel terugbrengen in de nalatenschap.

Het lijkt mij echter niet juist – zoals het onderdeel bepleit – om een beroep op art. 4:43 lid 2 BW tot deze categorie van personen te beperken.

Hiervoor kwam aan de orde dat art. 4:43 lid 2 BW van toepassing is op alle in de wet geregelde vormen van uiterste wilsbeschikkingen, waaronder de erfstelling.

Met een erfstelling kan worden afgeweken van de erfopvolging bij versterf.

Het moet ook voor hen die zonder de onder invloed van een onjuiste beweegreden gemaakte erfstelling erfgenaam (bij versterf) zouden zijn, mogelijk zijn om een beroep op art. 4:43 lid 2 BW te doen.

Een andere opvatting leidt tot een niet te rechtvaardigen en bovendien willekeurige bevoordeling van hen die aanvankelijk tot erfgenaam zijn benoemd, maar mogelijk onder invloed van een onjuiste beweegreden.

Met Perrick en Breemhaar ben ik dan ook van mening dat degene die de vernietiging van een uiterste wilsbeschikking onmiddellijk ten voordeel zal komen, is aan te merken als degene in wiens belang de vernietigingsgrond bestaat.

Daaronder valt ook hij die zonder de erfstelling erfgenaam zou zijn.

De vernietigbaarheid van art. 4:43 lid 2 BW treft uitsluitend de uiterste wilsbeschikking die op grond van een onjuiste beweegreden is gemaakt en werkt op de voet van art. 3:53 lid 1 BW terug tot het tijdstip waarop de uiterste wilsbeschikking is gemaakt.

Na vernietiging vindt de erfopvolging plaats alsof de desbetreffende uiterste wilsbeschikking niet is gemaakt, te weten op basis van de eventuele overige bepalingen van het testament en de wet (het versterferfrecht).

Aan de omstandigheid dat de erflater, indien hij op de hoogte zou zijn geweest van de onjuiste beweegreden wellicht tot een andere verdeling van de nalatenschap zou zijn gekomen, kan niet anders dan voorbij worden gegaan, tenzij in het testament daaromtrent iets is bepaald.

De erflater kan immers zijn (alternatieve) wil niet meer kenbaar maken. Niet valt in te zien waarom de testeervrijheid daardoor in het gedrang zou komen.

Een geslaagd beroep op art. 4:43 lid 3 BW impliceert juist dat de op gebrekkige wijze tot stand gekomen wil van de erflater wordt hersteld.

Er bestaat bovendien geen reden om een erfstelling met een onterving tot gevolg anders te behandelen dan andere uiterste wilsbeschikkingen.

Ook na vernietiging van andere uiterste wilsbeschikkingen dan een erfstelling kan immers de vraag rijzen of de erflater bij kennis van de onjuiste beweegreden niet tot andere beschikkingen zou zijn gekomen.

Daarmee falen de klachten van dit onderdeel.

Onderdeel 3 klaagt dat het hof heeft miskend dat art. 4:43 lid 2 BW uitsluitend van toepassing is op aanduidingen van de persoon of van diens hoedanigheid.

Art. 4:43 lid 2 BW is – zoals gezegd – van toepassing op uiterste wilsbeschikkingen.

Voor vernietigbaarheid op de voet van art. 4:43 lid 2 BW gelden geen andere voorwaarden dan dat

  • de onjuiste beweegreden in de uiterste wil zelf is aangeduid en
  • de erflater de beschikking niet zou hebben gemaakt, indien hij van de onjuistheid van de beweegreden op de hoogte was geweest.

Anders dan het onderdeel betoogt, biedt ook de parlementaire geschiedenis geen steun aan de opvatting dat art. 4:43 lid 2 BW alleen van toepassing is indien de onjuiste beweegreden is gelegen in aanduidingen van de persoon of van diens hoedanigheid.

De klacht faalt daarom.

Wilt u de gehele conclusie bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.