Erfrecht. Inzagerecht testament. Vordering tot opheffing van de geheimhoudingsplicht van een notaris. Belang. Wilsonbekwaamheid. Beïnvloeding. Onterving. Bewijs. Stelplicht.
Het Gerechtshof Amsterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over een vordering tot opheffing van de geheimhoudingsplicht van een notaris.
Eiser vordert in dit kort geding de afgifte van de volledige dossiers die de notaris onder zich heeft met betrekking tot de (levens)testamenten van erflaatster die in 2011 en 2017 bij de notaris zijn gepasseerd.
Eiser stelt ook in hoger beroep dat zij belang heeft bij de afgifte van de betreffende dossiers.
Aan de hand van deze dossiers kan zij nagaan of erflaatster voldoende wilsbekwaam was ten tijde van het passeren van het laatste testament, kan zij de mate van beïnvloeding die destijds heeft plaatsgevonden nagaan, en kan zij tevens nagaan of de notaris wel voldaan heeft aan de op haar rustende zorgplicht.
Veder stelt zij ook belang te hebben bij kennisneming van de inhoud van (het dossier van) het voorlaatste testament uit 2011; mocht zij in dat voorlaatste testament reeds zijn onterfd, dan heeft zij immers geen belang bij het aanvechten van het opvolgende testament tegenover de erfgenamen.
In dit verband doet appellante ook de suggestie dat het hof het mindere toe zou kunnen wijzen: in geval van onterving in het voorlaatste testament zou kunnen worden volstaan met een mededeling van de notaris van deze strekking.
De notaris heeft gewezen op haar geheimhoudingsplicht, als neergelegd in artikel 22 van de Wet op het notarisambt.
Daarin is neergelegd dat de notaris “ten aanzien van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn werkzaamheid als zodanig kennis neemt tot geheimhouding is verplicht”.
De notaris geeft aan dat deze plicht ook een last inhoudt, die slechts op grond van de wet of onder uitzonderlijke omstandigheden kan worden doorbroken.
De stellingen van appellante betreffende deze uitzonderlijke omstandigheden zijn onvoldoende (aannemelijk) om tot een doorbreking van de geheimhoudingsplicht te komen, aldus de notaris.
Erfrecht. Inzagerecht testament. Vordering tot opheffing van de geheimhoudingsplicht van een notaris. Belang. Wilsonbekwaamheid. Beïnvloeding. Onterving. Stelplicht.
De rechter oordeelt als volgt.
Het hof ziet zich ook in hoger beroep voor de vraag gesteld of eiser voldoende bijzondere omstandigheden heeft voorgedragen – en deze vervolgens waar nodig voldoende aannemelijk heeft gemaakt -, die rechtvaardigen dat de notariële geheimhoudingsplicht van de notaris moet worden doorbroken.
Bij deze afweging neemt het hof ook in ogenschouw dat de notaris eiser al in de brief van 31 januari 2023 van uitgebreide informatie heeft voorzien over de gang van zaken die heeft geleid tot het tot stand komen van de akte en de wijze waarop de notaris zich een oordeel heeft gevormd over de wilsbekwaamheid van erflaatster.
De kern van het geschil ligt besloten in hetgeen appellante met haar vierde grief aan de orde stelt.
Appellante voert aan dat de rechtbank ten onrechte overweegt dat er in dit geval geen aanwijzingen zijn dat erflaatster wilsonbekwaam was toen zij haar testament wijzigde.
Appellante zou wel degelijk hebben aangevoerd dat erflaatster (beginnend) dementerend was, wat ook zou kunnen verklaren dat zij in 2015 en 2016 geen schenkingen meer heeft gedaan.
Bovendien heeft erflaatster in haar levenstestament opgenomen dat appellante geen inzage krijgt in haar medisch dossier zodat zij niet in staat zal zijn meer informatie over haar medische toestand te verkrijgen.
Met haar vijfde grief stelt appellante vervolgens aan de orde dat de voorzieningenrechter (dan ook) ten onrechte overweegt dat zij een deskundige zou kunnen inschakelen om aan de hand van het medisch dossier van erflaatster onderzoek te doen.
Met haar zesde grief wijst appellante nogmaals op haar belang bij enige voorziening als door haar gevorderd, ook ten aanzien van het voorlaatste testament en ook vanwege het belang dat de waarheid aan het licht komt en zij niet over andere bronnen beschikt om de door haar gestelde wilsonbekwaamheid van erflaatster ten tijde van de laatste wijziging van haar testament te kunnen onderbouwen.
Het hof overweegt nogmaals dat de notaris -met inachtneming van haar geheimhoudingsplicht- uitgebreid heeft gerespondeerd op de vragen van appellante over de wijze waarop en de omstandigheden waaronder het testament van erflaatster van 24 juli 2017 tot stand is gekomen.
In het licht van de feiten en omstandigheden die de notaris daarbij heeft geschetst heeft appellante onvoldoende gesteld om tot enige relevante twijfel te komen over de wilsbekwaamheid van erflaatster voor wat betreft de inhoud van haar uiterste wilsbeschikking en het levenstestament van die datum, terwijl het hof de vraag moet beantwoorden of appellante voldoende bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd voor een doorbreking van de geheimhoudingsplicht.
Appellante heeft verder aangegeven dat haar belang bij kennisneming van het dossier er ook in is gelegen om na te gaan of sprake is geweest van (ongeoorloofde) beïnvloeding van erflaatster bij de totstandkoming van haar uiterste wilsbeschikking van 24 juli 2017.
Het kan dan gaan om beïnvloeding door A en B, maar ook om het onvoldoende uitfilteren door de notaris van ongewenste beïnvloeding.
Eiser wijst er in dit verband op dat B erflaatster destijds in juli 2017 opzettelijk onjuist heeft geïnformeerd over de gezondheidsproblemen van appellantes zoon en de rol die appellante daarbij zou hebben gespeeld.
Erflaatster zou daardoor totaal “van de leg” zijn geweest.
Ook hier heeft te gelden dat appellante in het licht van de door de notaris geschetste wijze waarop het testament tot stand is gekomen, onvoldoende feiten en omstandigheden heeft geschetst over ongeoorloofde beïnvloeding van erflaatster bij de totstandkoming van haar uiterste wilsbeschikking en het levenstestament van 24 juli 2027.
Bij dit alles neemt het hof ook in ogenschouw dat appellante, zoals de notaris terecht aanvoert ook andere middelen ter beschikking staan om de rechtsgeldigheid van het testament te onderzoeken of te (laten) toetsen, zonder dat een vergaande voorziening nodig is waarbij de geheimhoudingsplicht van de notaris wordt doorbroken.
Met haar tweede grief stelt appellante aan de orde dat de rechtbank ten onrechte eraan voorbij is gegaan dat zij heeft gesteld dat reeds eerder sprake was van beïnvloeding van erflaatster, al sinds 2014-2015.
In de toelichting op haar derde grief gaat appellante verder in op de mogelijke onbetrouwbaarheid van (de verklaring van) de notaris.
De notaris heeft volgens appellante A en B – bewust dan wel onbewust – mogelijk gefaciliteerd in het onterven en buiten spel zetten van haar.
Zij wijst op enkele contra-indicaties wat betreft de betrouwbaarheid van de notaris.
Met name noemt appellante het door de notaris opgemaakte proces-verbaal van 14 april 2021, en geeft zij aan dat de notaris zich destijds kritischer had moeten opstellen waar het de wilsbekwaamheid van de erflaatster betreft.
Eiser wijst er in de toelichting op haar eerste grief nog op dat de notaris in eerste aanleg heeft gesteld dat zij ongevraagd van A en B stukken heeft verkregen en als producties in het geding heeft gebracht en daarmee de voorzieningenrechter onjuist heeft geïnformeerd over de wijze waarop zij de verklaringen van A en B had verkregen.
Door het betrekken van A en B in de procedure zou de notaris er blijk van hebben gegeven dat zij “wellicht te dicht op de schoot van de broer en zus van D (hof: appellante) is gaan zitten”.
Het hof stelt voorop dat hetgeen appellante, gezien de feitelijke toelichting op haar eerste drie grieven, aan de orde stelt, in het licht van de voorgaande overwegingen niet eens zozeer ter zake doet.
Het hof overweegt in verband met de veronderstelde partijdigheid van de notaris dat de notaris het verweer heeft gevoerd dat zij A en B uiteraard van de procedure op de hoogte heeft gebracht, waarop van hun zijde informatie is verstrekt, die de notaris vervolgens als producties in het geding heeft gebracht, waarmee het handelen in een minder subjectief perspectief is geplaatst.
Ook hetgeen appellante aanvoert omtrent het opmaken van het proces-verbaal van 14 april 2021, leidt niet tot een andere beoordeling van de vierde en vijfde grief.
Het levert immers geen omstandigheid op die een ander licht werpt op de wijze van totstandkoming van het testament en de wilsbekwaamheid van erflaatster bijna vier jaar eerder, in juli 2017.
De grieven slagen reeds niet, omdat het aan appellante is hetzij het nodige te stellen om te komen tot toewijzing van haar vorderingen in het licht van de maatstaf hetzij de stellingen van de notaris voldoende gemotiveerd te betwisten.
En daar schort het aan.
Bij deze stand van zaken ziet het hof al met al onvoldoende belang aan de zijde van appellante bij een voorziening, strekkende tot het verkrijgen van (enige) informatie uit het dossier van het (herroepen) (levens)testament.
Appellante heeft in het licht van de door de notaris verstrekte informatie, gewoonweg te weinig aangevoerd voor het verkrijgen van een dergelijke (verstrekkende) voorziening.
Ook het beroep van appellante op art. 49 van de Wet op het notarisambt stuit daarop af.
Het belang dat nog overblijft is dat appellante wil weten of zij in 2011 al onterfd is of niet.
Ook dat belang legt onvoldoende gewicht in de schaal om te komen tot opheffing van de geheimhoudingsplicht, nu ook daar heeft te gelden dat appellante in dit kort geding onvoldoende omstandigheden gesteld heeft om haar potentiële vorderingen ten aanzien van het testament van 24 juli 2017 of anderszins aannemelijk te maken.
Aan het bewijsaanbod – dat verder ook onvoldoende is geconcretiseerd – komt het hof bij deze stand van zaken niet toe.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.