Erfrecht. Uitleg van testament. Echtscheiding.  Uitleg van bewoordingen “mijn voornoemde aanstaande echtgenote, mijn kinderen en het kind van mijn aanstaande echtgenote”.

De Rechtbank Oost-Brabant heeft onlangs uitspraak gedaan over de uitleg van een testament.

Eiseres vordert bij vonnis te verklaren voor recht dat zowel eiseres als gedaagde, vanwege de verbroken huwelijksband, geen erfgenamen zijn in de nalatenschap van erflater en dat de biologische dochter van erflater, gedaagde 2, de enige erfgenaam is in de nalatenschap van erflater.

Eiseres legt aan haar vorderingen het volgende ten grondslag.

Een redelijke uitleg van het testament leidt ertoe dat alleen gedaagde 2 erfgenaam is.

Er moet rekening worden gehouden met de verhoudingen die de uiterste wil wenste te regelen en de omstandigheden waaronder deze is opgemaakt.

Het testament is opgemaakt op het moment dat eiseres en erflater op het punt stonden om te gaan trouwen.

Het was onbekend dat het huwelijk relatief kort zou duren.

Met de inhoud van het testament en de daaraan verbonden kwalificaties heeft erflater willen aangeven dat eiseres en gedaagde enkel en alleen dan erfgenamen zullen zijn indien op het moment van overlijden nog (immer) sprake was van een huwelijksband.

De notaris heeft dit niet duidelijk geformuleerd.

Het feit dat eiseres en gedaagde niet met naam en toenaam zijn vermeld, maar in hun hoedanigheid “aanstaande echtgenote” en “kind van mijn aanstaande echtgenote” is een duidelijke aanwijzing in die richting.

Door die bewoordingen had erflater kennelijk voor ogen dat het testament ten gunste van eiseres niet zou gelden in het geval het huwelijk door echtscheiding zou worden ontbonden.

Dat is vaste rechtspraak.

Erfrecht. Uitleg van een testament. Echtscheiding.  Uitleg van de bewoordingen “mijn voornoemde aanstaande echtgenote, mijn kinderen en het kind van mijn aanstaande echtgenote” in het testament.

De rechter oordeelt als volgt.

Partijen verschillen van mening over de vraag of naast dochter gedaagde 2 ook ex-echtgenote eiseres en/of stiefdochter erfgenamen zijn van erflater.

Eiseres en gedaagde zijn in het testament van erflater aangeduid als “mijn aanstaande echtgenote” en “het kind van mijn aanstaande echtgenote”.

In het testament is niets bepaald voor het geval het huwelijk op het moment van overlijden door echtscheiding zou zijn ontbonden.

Omdat het testament is gemaakt voor 1 januari 2003 (onder het oude recht), maar erflater daarna (onder het nieuwe recht) is overleden, is artikel 4:46 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing op grond van artikel 68a Overgangswet NBW.

Over artikel 4:46 lid 1 BW heeft de Hoge Raad onder meer overwogen dat bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Bij het vaststellen van de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, kunnen feiten en omstandigheden van na het opmaken van de uiterste wil van belang zijn, omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Ten tijde van het opmaken van de uiterste wil bij de erflater bestaande verwachtingen over toekomstige gebeurtenissen zullen in aanmerking kunnen komen als omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Verwachtingen van de erflater over de toekomst kunnen ook van belang zijn bij het vaststellen van de verhoudingen die de erflater met de uiterste wil kennelijk wenst te regelen.

In het arrest van de Hoge Raad van 11 oktober 20133 ligt besloten dat voor de vaststelling van de verhoudingen die de erflater met de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, mede acht geslagen kan worden op verklaringen van getuigen omtrent hetgeen de erflater heeft beoogd.

Doen zich na het opmaken van de uiterste wil feiten en omstandigheden voor waardoor de feitelijke verhoudingen niet langer aansluiten bij hetgeen de erflater kennelijk wenste te regelen, dan kan de uiterste wil zo worden uitgelegd dat de desbetreffende beschikking alleen gold voor de situatie die bestond voordat de bedoelde feiten en omstandigheden zich hadden voorgedaan.

Voor een zodanige uitleg is niet vereist dat de erflater bij het opmaken van de uiterste wil op de bedoelde feiten en omstandigheden is vooruitgelopen, aldus de Hoge Raad.

Alleen als de uiterste wil onduidelijk is mag voor de uitleg van een wilsbeschikking gebruik worden gemaakt van daden of verklaringen van erflater buiten de uiterste wil (artikel 4:46 lid 2 BW).

Daarbij zal eventueel ook betekenis kunnen worden toegekend aan daden of verklaringen van erflater vóór en na het maken van de uiterste wil voor zover daarmee de bedoelingen van erflater ten tijde van het maken van de uiterste wil kunnen worden achterhaald.

Wat betreft de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt vindt de rechtbank het volgende van belang.

Op 5 juni 1990 was erflater 47 jaar oud.

Erflater vormde op dat moment een gezin met eiseres, haar dochter (gedaagde 1) (toen 7 jaar) en hun gezamenlijke dochter (gedaagde 2) (toen 7 maanden).

Erflater stond op het punt met eiseres in het huwelijk te treden.

Dat is kort daarna ook gebeurd, namelijk op 29 juni 1990.

Kennelijk heeft erflater gewild dat zijn aanstaande echtgenote goed verzorgd achter zou blijven voor het geval hij vóór haar zou komen te overlijden.

Aan de aanstaande echtgenote zijn alle roerende en onroerende zaken van de nalatenschap gelegateerd en ook het vruchtgebruik van de hele nalatenschap.

Daarnaast is zij ook tot erfgename benoemd.

Uit het testament van erflater leidt de rechtbank af welke verhoudingen hij daarmee -kennelijk- wilde regelen.

Erflater heeft zijn aanstaande echtgenote, zijn kinderen en zijn stiefdochter als enig erfgenamen benoemd en zijn aanstaande echtgenote tot executeur benoemd.

Erflater heeft er in zijn testament dus uitdrukkelijk rekening gehouden met de mogelijkheid dat hij naast gedaagde 2 nog één of meer kinderen zou krijgen.

Eiseres wordt vooraan in het testament met naam genoemd voorafgegaan door de aanduiding “mijn aanstaande echtgenote”.

Gedaagde wordt in het testament uitsluitend aangeduid als: “het kind van mijn aanstaande echtgenote”.

Het testament bevat geen enkele bepaling die uitdrukkelijk ziet op het geval het huwelijk op het moment van overlijden door echtscheiding zou zijn ontbonden.

Wat betreft de erflating ten gunste van ex-echtgenote eiseres geldt dat deze door de echtscheiding is doorkruist, zoals is bepaald in artikel 4:52 BW.

In dit artikel staat dat door echtscheiding de uiterste wil ten gunste van de (ex-)echtgenoot geen werking heeft, tenzij uit de uiterste wil zelf het tegendeel is af te leiden.

Dit artikel is ook van toepassing op het testament van erflater uit 19904.

Vast staat dat uit het testament niet het tegendeel is af te leiden.

Dit betekent dat eiseres door de echtscheiding geen aanspraak meer kan maken op haar rechten uit hoofde van het testament van erflater.

In artikel 4:52 BW is echter niets bepaald over het gevolg van een echtscheiding voor de uiterste wil ten gunste van stiefkinderen, zoals gedaagde.

Recent heeft de rechtbank Amsterdam in een vergelijkbare zaak een tussenvonnis gewezen.

In dat vonnis is overwogen dat voor de inwerkingtreding van artikel 4:52 BW over een vergelijkbaar geval is beslist onder het oude recht (geldend tot 1 januari 2003).

In die zaak6 heeft de Hoge Raad beslist dat de uiterste wil van erflater geen werking heeft voor de voormalige echtgenote en de kinderen van de voormalige echtgenote.

Een doorslaggevende omstandigheid daarin was dat in de uiterste wil was opgenomen “mijn echtgenote” en “de kinderen van mijn echtgenote”.

Door de echtscheiding is geen sprake meer van dezelfde feitelijke verhouding die de erflater in zijn testament heeft willen regelen, aldus die rechtspraak (over het oude recht).

In 2003 is deze uitspraak bevestigd.

Het is de vraag of erflater ten tijde van het opmaken van zijn testament de bedoeling heeft gehad dat na de echtscheiding van eiseres zijn uiterste wil ten gunste van zijn stiefdochter (gedaagde 1) zou blijven staan.

Naar het oordeel van de rechtbank is het testament op dit punt niet duidelijk, zodat dient te worden overgegaan tot uitleg daarvan.

Behalve de hiervoor genoemde omstandigheden en de verhoudingen die erflater kennelijk heeft willen regelen neemt de rechtbank daarbij de volgende verklaringen in acht.

Eiseres heeft verklaard dat zij voor het huwelijk samen met erflater bij de notaris is geweest, omdat zij een regeling wilden treffen voor wat er bij een eventueel overlijden zou gebeuren.

Volgens eiseres was het de bedoeling van erflater dat zowel zij als haar dochter (gedaagde 1) alleen zouden meedelen in de nalatenschap als er op het moment van overlijden nog steeds een huwelijk was.

Als er echter een echtscheiding zou komen, zou de nalatenschap uitsluitend voor gedaagde 2 zijn.

Volgens eiseres heeft erflater gedaagde 1 ook niet aangenomen als pleegkind of eigen kind, om te voorkomen dat de nalatenschap bij zijn overlijden tussen gedaagde 1 en zijn eigen kind(eren) zou moeten worden gedeeld.

Ook na de echtscheiding hadden eiseres en erflater contact met elkaar.

Hun band was volgens eiseres goed: zij zagen elkaar regelmatig en eiseres deed onder meer de boodschappen voor erflater.

Erflater is ziek geworden en heeft eiseres in die periode gezegd: “Het is voor [gedaagde 2] en haar kinderen, ik laat hen goed verzorgd achter”.

Erflater heeft dit volgens eiseres en gedaagde 2 ook verklaard richting zijn verzorgers en derden.

Zowel eiseres als gedaagde 2 hebben verklaard dat er niet expliciet over de inhoud van het testament is gesproken, ook niet tijdens de ziekte van erflater.

Ook gedaagde 2 had een goede band met erflater.

Volgens haar heeft erflater niet gezegd dat hij eiseres nog als erfgenaam wilde na zijn overlijden.

Gedaagde 2 vermoedt dat erflater dacht dat één en ander goed geregeld was met dit testament, in die zin dat zij, zijn biologische dochter, na de echtscheiding zijn enige erfgenaam zou zijn.

Gedaagde stelt daar tegenover dat het testament zo moeten worden uitgelegd dat zij nog steeds erfgenaam is.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft gedaagde gelet op de overwegingen hiervoor en ook de verklaringen tijdens de mondelinge behandeling onvoldoende gesteld om tot het bewijs te kunnen worden toegelaten.

Zo heeft zij niet concreet aangegeven waaruit zou moeten blijken dat erflater ten tijde van het opmaken van zijn testament de bedoeling heeft gehad dat zij ook na de echtscheiding nog erfgenaam zou zijn.

Nog daargelaten dat er volgens de verklaringen sinds de echtscheiding niet of nauwelijks contact is geweest tussen erflater en gedaagde 1, is gesteld noch gebleken uit welke verklaringen of gedragingen van erflater dat zou moeten volgen.

Gedaagde staat in het testament niet met naam genoemd.

Zij wordt daarin alleen aangeduid als “het kind van mijn aanstaande echtgenote”, waarmee eiseres in die hoedanigheid steeds als schakel fungeerde voor de benoeming van gedaagde tot erfgenaam van erflater.

Er is geen enkele aanwijzing dat erflater bedoeld heeft gedaagde 1 een eigen positie als erfgenaam te geven.

Dat er jarenlang sprake is geweest van een gezinsverband en dat erflater met het oog daarop in zijn testament voor die situatie, te weten het bestaan van dat gezinsverband, bewust is afgeweken van de wettelijke erfopvolging maakt dit niet anders.

Het is begrijpelijk dat gedaagde zich niet kan voorstellen dat het de wens van erflater was dat zij geen erfgenaam meer zou zijn in geval van echtscheiding, maar dat is niet voldoende om tot bewijs te worden toegelaten.

In het dossier van de notaris die het testament heeft opgesteld zijn mogelijk nog aanwijzingen voor de door gedaagde bepleite uitleg te vinden.

De advocaat van eiseres heeft pogingen gedaan, maar zij heeft het dossier niet kunnen achterhalen.

Gedaagde heeft dat niet betwist.

Verder heeft zij geen enkele concrete aanwijzing kunnen geven waaruit kan volgen dat het ten tijde van het opstellen van de wilsbeschikking de bedoeling is geweest van erflater dat zij ook in geval van echtscheiding nog steeds zijn erfgenaam zou zijn.

De conclusie van de rechtbank is dat de primaire vordering van eiseres (in conventie) kan worden toegewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.