Erfrecht. Nietig testament? Is de uiterste wilsbeschikking nietig wegens een geestelijke stoornis? Bewijsvoering.

De Rechtbank Gelderland heeft op 22 september 2021 uitspraak gedaan over de vraag of het testament van erflaatster nietig was wegens geestelijke een stoornis.

Deze zaak draait om de vraag of de uiterste wilsbeschikking van erflaatster van 5 oktober 2013 nietig is omdat zij tijdens het opmaken daarvan leed aan een geestelijke stoornis als bedoeld in artikel 3:34 BW.

Volgens de eisende partij is dat het geval, volgens gedaagde partij niet.

Erfrecht. Nietig testament? Uiterste wilsbeschikking nietig wegens geestelijke stoornis? Bewijsvoering.

De rechter oordeelt als volgt.

Tussen partijen is in geschil of een met de uiterste wilsbeschikking van 5 oktober 2013 overeenstemmende wil van erflaatster moet worden geacht te hebben ontbroken omdat zij een geestelijke stoornis had zoals bedoeld in artikel 3:34 lid 1 BW.

Indien dit het geval is, is de uiterste wilsbeschikking van 5 oktober 2013 op grond van artikel 3:34 lid 2 BW nietig, aangezien het om een eenzijdige rechtshandeling gaat die niet tot één of meer bepaalde personen was gericht (vgl. Hoge Raad 13 februari 2015, HR:2015:311).

Voorop staat dat erflaatster op 5 oktober 2013, toen het testament werd verleden, handelingsbekwaam was en dus bekwaam tot het maken van een uiterste wilsbeschikking.

Zij was immers meerderjarig en niet wegens een geestelijke stoornis onder curatele gesteld (vgl. artikel 4:55 BW in samenhang met artikel 3:32 BW).

Uitgangspunt is in dat geval de testeervrijheid: ook aan de erflater met een geestelijke stoornis is het in beginsel zelf te bepalen aan wie hij zijn nalatenschap wil doen toekomen.

Alleen onder bijzondere omstandigheden kan door derden op die vrijheid een inbreuk worden gemaakt door het aanvechten van de geldigheid van hetgeen een erflater als zijn uiterste wilsbeschikking in een testament heeft neergelegd.

De vraag of erflaatster ten tijde van het verlijden van het testament wilsbekwaam was, moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaf van artikel 3:34 lid 1 BW.

Artikel 3:34 BW volgt op artikel 3:33 BW, dat bepaalt dat een rechtshandeling een met de verklaring overeenstemmende, op rechtsgevolg gerichte wil vereist.

Artikel 3:34 lid 2 BW bepaalt dat een rechtshandeling nietig is als de betrokkene niet in staat was zijn voor die rechtshandeling vereiste wil te bepalen.

In dat geval is sprake van wilsonbekwaamheid.

Voor toepassing van artikel 3:34 BW is vereist dat sprake is van een geestelijke stoornis.

Is die aanwezig, dan wordt de voor de rechtshandeling vereiste wil geacht te ontbreken (i) indien de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette, of (ii) indien de wilsverklaring onder invloed van de stoornis is gedaan.

De wil wordt dus vermoed te hebben ontbroken als een stoornis aanwezig is en één van deze twee omstandigheden zich heeft voorgedaan.

Uitgangspunt is dat de partij die zich op artikel 3:34 BW beroept dit alles moet stellen en zo nodig bewijzen.

Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rust deze bewijslast op de eisende partij.

Uit artikel 3:34 BW vloeit voort dat de wilsonbekwaamheid van de testateur moet worden beoordeeld naar het moment van het passeren van het testament.

De rechtbank moet dus de vraag beantwoorden of erflaatster ten tijde van het opmaken van haar uiterste wilsbeschikking op 5 oktober 2013 wilsonbekwaam was.

Bij die beoordeling kunnen ook feiten en omstandigheden die zijn voorafgegaan aan of gevolgd op het passeren van het testament van 5 oktober 2013 van belang zijn.

Ter onderbouwing van hun stelling dat bij erflaatster sprake was van een geestelijke stoornis, waardoor zij op 5 oktober 2013 toen zij haar testament liet opstellen en ook in de periode daarvóór onvoldoende in staat was haar wil te bepalen, hebben eisende partij het volgende aangevoerd.

Volgens eisende partij was erflaatster al vanaf 2012 niet meer helder van geest, en in ieder geval niet meer in staat om een stuk zoals het door de notaris opgestelde testament te overzien en de gevolgen daarvan te doorgronden.

Erflaatster kan volgens eisende partij niet hebben gewild alle kinderen, met uitzondering van gedaagde partij, te onterven.

Eisende partijen voeren in dit kader aan dat erflaatster al vanaf 2012, doordat zij geestelijk achteruit was gegaan, niet meer in staat was om de correspondentie te voeren met de instanties in Duitsland.

Eisende partijen wijzen verder op een voorval in april 2013, toen erflaatster was opgenomen in het ziekenhuis. Volgens eisende partijen hebben zij toen zelf gezien dat erflaatster dermate verward was, dat de stoel waarop zij zat aan de tafel moest worden vastgemaakt om te voorkomen dat zij opstond en wegliep.

Verder is het eisende partij in 2013 en daarna opgevallen dat erflaatster, wanneer zij vragen stelde, de vragen bij wijze van spreken honderd keer kon herhalen, hoewel zij al antwoord had gekregen.

Eisende partijen hebben diverse stukken overgelegd die afkomstig zijn uit het medisch dossier van de huisarts van erflaatster. Zij wijzen er onder meer op dat in die stukken melding wordt gemaakt van verwardheid, gestoorde oriëntatie in tijd, vertraagd denken, gestoord geheugen en cognitieve stoornissen, (zeer) waarschijnlijk passend bij dementie.

De rechtbank overweegt hierover het volgende.

Ook indien zou komen vast te staan dat de bovengenoemde verstandelijke beperkingen van erflaatster in het algemeen kunnen worden aangemerkt als een geestelijke stoornis als bedoeld in artikel 3:34 BW, betekent dat niet dat erflaatster als gevolg van die geestelijke stoornis wilsonbekwaam was ten tijde van het opmaken van de uiterste wilsbeschikking op 5 oktober 2013.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt hetgeen eisende partijen in dit verband hebben aangevoerd onvoldoende grondslag voor die conclusie.

Eisende partijen hebben, zoals gedaagde terecht aanvoert, geen medische bevindingen over de periode rondom het opmaken van het testament overgelegd.

De medische gegevens die wél in het geding zijn gebracht, hebben grotendeels betrekking op de periode van eind april tot en met juni 2013 en geven geen uitsluitsel over de wilsbekwaamheid van erflaatster ten tijde van het opmaken van de uiterste wilsbeschikking.

Weliswaar staat in die medische gegevens vermeld dat erflaatster symptomen van verwardheid vertoonde, maar deze waren niet zozeer gerelateerd aan dementie, maar aan een natriumtekort, dat had geleid tot een delier.

Uit de medische informatie blijkt ook dat dit weer is verholpen.

De diagnose dementie is niet gesteld.

Gedaagde partij heeft in dit verband een brief overgelegd van drs. M, een door hem benaderde huisarts/medisch adviseur, van 18 januari.

In die brief analyseert drs. M de medische informatie over erflaatster uit het huisartsenjournaal en specialistenberichten en voorziet hij deze van commentaar.

Drs. M schrijft dat het resultaat van de MMSE-test (Mini Mental State Examination) die erflaatster op 15 april 2013 heeft ondergaan past bij lichte tot matige dementie, maar ook dat dat onderzoek een weinig nauwkeurig instrument is, meer een eerste globale test op aanwijzingen voor dementie.

Hij voegt daaraan toe dat het onderzoek waarschijnlijk een vertekend, te ongunstig beeld geeft, omdat erflaatster ten tijde van het onderzoek al bezig was een delier te ontwikkelen op basis van een natriumtekort.

Drs. M licht toe dat een delier een toestand van verwardheid is, die snel ontstaat, door een lichamelijke oorzaak, en na behandeling van de oorzaak gewoonlijk weer herstelt.

De brief vermeldt dat erflaatster in april/mei 2013 een delier had en ook in januari 2014. In de tussenliggende periode was sprake van cognitieve functiestoornissen passend bij dementie, maar drs. M vindt in de stukken geen enkele aanwijzing dat toen ook sprake was van een delier. Tijdens de twee delieren in april/mei 2013 en januari 2014 zou erflaatster volgens drs. M als wilsonbekwaam moeten worden beschouwd, maar hij vindt in de stukken onvoldoende aanwijzingen dat zij dat ook in de tussenliggende periode was.

Eisende partijen hebben de analyse van drs. M op zichzelf niet weersproken.

Verder vindt de rechtbank het opmerkelijk dat erflaatster in januari 2014 nog een machtiging heeft ondertekend voor haar schoonzoon, zodat hij haar pensioen in Duitsland kon gaan beheren. Dit terwijl eisende partijen betogen dat erflaatster al vanaf 2012 niet meer helder van geest was en in ieder geval niet meer in staat om een stuk zoals het door de notaris opgestelde testament te overzien en de gevolgen daarvan te doorgronden.

Het ligt dan niet voor de hand dat zij erflaatster twee jaar later nog een machtiging hebben laten ondertekenen.

Daarbij komt dat in 2012 het rijbewijs van erflaatster nog is verlengd, waaraan een medische keuring vooraf gaat. Bij die medische keuring is kennelijk geen aanleiding gezien het rijbewijs van erflaatster wegens een geestelijke stoornis niet te verlengen.

Verder neemt de rechtbank in aanmerking dat de uiterste wilsbeschikking van 5 oktober 2013 weliswaar voor de daarin onterfde kinderen ingrijpend is, maar niet een heel ingewikkelde of moeilijk te doorgronden inhoud heeft.

In de considerans van het testament heeft erflaatster een heldere toelichting gegeven op haar keuzes.

Omdat zij haar kinderen altijd heeft bijgestaan, verzorgd en waar nodig financieel ondersteund, was erflaatster van mening dat zij in beginsel ook niets uit haar nalatenschap hoefden te ontvangen.

Ook haar vader heeft destijds niet zijn kinderen, maar zijn kleinkinderen aangewezen als zijn erfgenamen.

Die gedachte heeft erflaatster willen voortzetten.

In het testament is de bepaling opgenomen dat als een van de onterfde kinderen aanspraak maakt op zijn/haar legitieme portie, de inkorting eerst zal plaatsvinden bij zijn/haar eigen kinderen.

Erflaatster zegt daarover in de considerans dat zij zich ervan bewust is dat kinderen een beroep kunnen doen op hun legitieme portie, maar dat zij hen nadrukkelijk verzoekt dit niet te doen.

Het was verder de uitdrukkelijke wens van erflaatster dat gedaagde partij, haar “steun en toeverlaat”, het huis zou krijgen.

Mede gelet op deze toelichting in de considerans wekt de uiterste wilsbeschikking de indruk dat erflaatster er goed over heeft nagedacht en dat het een weloverwogen beslissing is geweest.

De notaris, aan wie het in de eerste plaats is te beoordelen of een testateur wilsonbekwaam is, heeft kennelijk ook geen reden gezien voor twijfel aan het vermogen van erflaatster om een uiterste wil te maken.

Eisende partijen hebben zelf in dit verband ter zitting naar voren gebracht dat de notaris heeft gezegd dat hij geen aanleiding heeft gezien om het “Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening” – dat notarissen een toetsingskader biedt om zich in voorkomend geval een oordeel te vormen over de wilsbekwaamheid van een cliënt ten behoeve van notariële dienstverlening – te volgen.

De slotsom is dat niet is komen vast te staan dat erflaatster ten tijde van het maken van de uiterste wilsbeschikking van 5 oktober 2013 leed aan een geestelijke stoornis en daardoor wilsonbekwaam was.

Tegenover het gemotiveerde verweer van gedaagde partij hebben eisende partijen hun stellingen onvoldoende onderbouwd.

Aan bewijslevering komt de rechtbank om die reden niet toe.

Dit betekent dat de onder 1 gevorderde verklaring voor recht dat de uiterste wilsbeschikking van 5 oktober 2013 nietig is, zal worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.