Erfrecht. Nietig testament? Wilsonbekwaamheid. Bewijs van geestelijke stoornis. Bewijslast.

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 20 april 2021 uitspraak gedaan over de vraag of er voldoende bewijs was voor het vaststellen van wilsonbekwaamheid van de erflaatster.

De grieven richten zich op het volgende.

Primair is de stelling dat in eerste aanleg is aangetoond dat moeder een geestelijke stoornis had tijdens het passeren van het testament op 7 april 2015 en dat die stoornis moeder een redelijke waardering van haar bij deze handeling betrokken belangen belette.

Erfrecht. Nietig testament? Wilsonbekwaamheid. Bewijs van geestelijke stoornis. Bewijslast.

De rechter oordeelt als volgt.

Allereerst stelt het hof vast dat voor moeder geen curatele of bewind is ingesteld.

Zij was dus handelingsbekwaam tot haar overlijden.

Of moeder ook wilsbekwaam was, moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaf van art. 3:34 lid 1 BW.

Art. 3:34 BW volgt op art. 3:33 BW, dat bepaalt dat een rechtshandeling een met de verklaring overeenstemmende wil vereist.

Art. 3:34 lid 1 BW bepaalt dat een rechtshandeling aan nietigheid of vernietigbaarheid blootstaat als de betrokkene niet in staat was zijn voor die rechtshandeling vereiste wil te bepalen.

Het hof signaleert dat appellante het begrip ‘compos mentis’ gebruikt, deze term zal het hof echter niet gebruiken, omdat de wet deze term niet kent.

Voor toepassing van art. 3:34 BW is vereist dat sprake is van een tijdelijke of blijvende geestelijke stoornis.

Is die aanwezig, dan wordt de voor de rechtshandeling vereiste wil geacht te ontbreken indien (i) de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette, of (ii) indien de wilsverklaring onder invloed van de stoornis is gedaan.

De wil wordt dus geacht te hebben ontbroken als een stoornis aanwezig is en één van deze twee omstandigheden zich heeft voorgedaan.

Het hof begrijpt, net als de rechtbank dat appellante haar vordering baseert op de onder i) geschetste situatie.

Dit betekent dat zij zowel de stoornis dient te bewijzen plus het feit dat de stoornis een redelijke waardering van de belangen belette.

De rechtbank heeft appellante (en geïntimeerde) toegelaten dit te bewijzen.

Het afzien van appellante van het leveren van (nader) bewijs leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat niet is komen vast te staan dat moeder tijdens het passeren van het testament leed aan een geestelijke stoornis en dat deze stoornis haar een redelijke waardering belette van haar bij deze handelingen betrokken belangen.

Het hof is het eens met voornoemde bewijslastverdeling door de rechtbank; degene die zich op art. 3:34 BW beroept zal dit alles moeten stellen en zo nodig bewijzen.

Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv. rust de bewijslast dus op appellante.

Het beroep van appellante in hoger beroep op het tweede deel van artikel 150 Rv faalt.

Daarbij kan immers van de hoofdregel van bewijslastverdeling worden afgeweken als uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.

Van een bijzondere regel in de hiervoor bedoelde zin, is in dit geval echter geen sprake.

Dat geïntimeerde moeder vanaf 2002 heeft geholpen met haar financiën en al haar financiële zaken regelde, terwijl het ook geïntimeerde is geweest die de afspraken met de notaris regelde en bij alle ontmoetingen met betrekking tot het testament aanwezig was en daarbij werd bevoordeeld, evenals het feit dat geïntimeerde zelf op 6 oktober 2014 heeft geschreven dat moeder geen dingen moet tekenen waarvan ze de consequenties niet overziet, de slechte gezondheidstoestand van moeder en de tuchtrechtelijke beslissingen ten aanzien van de notaris, zijn in de gegeven omstandigheden niet van een zodanige aard of gewicht, dat dit moet leiden tot omkering van de bewijslast.

Juist gelet op het feit dat geïntimeerde reeds tien jaar voordat de vasculaire dementie werd vastgesteld moeder met de financiën hielp, maakt haar betrokkenheid nadien logischer.

Naar het oordeel van het hof vloeit in dit geval ook uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid niet voort dat moet worden afgeweken van de hoofdregel van bewijslastverdeling.

De grieven die daarop zien, falen dus.

Appellante heeft ter onderbouwing van haar stellingen in eerste aanleg onder meer het volgende aangevoerd.

In 2012 is bij moeder de diagnose vasculaire dementie gesteld. Alle dochters weten dat moeder in het voorjaar van 2014 in pyjama over straat liep, de weg naar huis niet kon vinden, vergat dat ze boodschappen had gedaan en wie ze op bezoek heeft gehad. Ook werd de gasvoorziening afgesloten om te voorkomen dat er ongelukken zouden gebeuren. Dit leidde ertoe dat de dochters in overleg met thuiszorg tot de conclusie kwamen dat moeder niet meer thuis kon wonen en een verhuizing naar een verzorgingstehuis noodzakelijk was. In dat kader is een Aanvraag Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) gedaan op 7 april 2014. Daarin staat onder meer: “mevrouw heeft veel moeite met zich te concentreren, met name tijdens een gesprek. Wat betreft geheugen en denken zien de kinderen een achteruitgang.” Bij ‘sociale redzaamheid’ staat: “deze activiteiten kan mevrouw niet meer door een combinatie van problematiek op cognitief gebied en lichamelijke klachten.” Er is een indicatie ZZP-5 afgegeven en dat duidt op cliënten met een ernstige vorm van dementie. Zij was volledig afhankelijk van de 24-uurszorg van de zorginstelling. Moeder had ook problemen met haar zicht en gehoor.

De notaris die een volmacht van moeder voor geïntimeerde heeft opgesteld en het testament heeft gewijzigd, is tuchtrechtelijk hierop aangesproken. De klachten over hem zijn gegrond verklaard, want de notaris heeft niet de vereiste zorgvuldigheid in acht genomen.

Het had op de weg van de notaris gelegen om te zorgen dat hij moeder onder vier ogen kon spreken, niet alleen om zich op die manier en zo goed mogelijk oordeel te vormen over haar wilsbekwaamheid , maar ook om na te gaan dat geen sprake was van beïnvloeding door derden.

Vast staat dat geïntimeerde telkens en voortdurend bij de gesprekken met de notaris aanwezig is geweest, appellante heeft het hof verder verzocht om integraal kennis te nemen van het verslag van de geriater uit 2012 in het dossier van de huisarts, hetgeen het hof heeft gedaan.

Appellante heeft het hof verder verzocht om integraal kennis te nemen van bovenvermeld verslag van de geriater uit 2012 in het dossier van de huisarts, hetgeen het hof heeft gedaan.

In het verslag ook onder meer: “Psychische functies: (…) Helder bewustzijn (…) Goed georiënteerd in tijd, plaats en persoon. Aandacht en concentratie iets verminderd, Onmiddellijke reproductie van verbale informatie is goed. Het korte termijngeheugen toont discrete stoornissen. (…) Begrip is goed. Uit het onderzoek blijken stoornissen in meerdere cognitieve domeinen. Op de voorgrond staan de stoornissen in het geheugen (met name inprenting, reproductie en herinneringsfunctie verbaal) en de uitvoerende functies. De stoornissen zijn matig tot ernstig van aard. Er zijn geen woordvindproblemen en/of benoemingsproblemen waargenomen.”

Het hof overweegt als volgt.

Allereerst gaat het hof in op de stellingen over de notaris.

Het hof overweegt dat uit de tuchtrechtelijke beslissingen ten aanzien van de notaris blijkt dat de notaris onvoldoende c.q. niet de vereiste zorgvuldigheid heeft betracht bij de beoordeling van de wil van erflaatster bij de wijziging van haar uiterste wil en bij de beoordeling van haar wilsbekwaamheid bij het geven van de volmacht aan geïntimeerde.

De notaris had een nader onderzoek moeten doen, omdat een van de dochters van mening was dat moeder niet meer voldoende in staat was om haar wil te bepalen.

Anders dan appellante meent, betekent dit niet dat uit de tuchtrechtelijke beslissingen volgt dat moeder niet wilsbekwaam was.

Het betekent alleen dat de wilsbekwaamheid van moeder op dat moment onvoldoende of niet met de vereiste zorgvuldigheid is onderzocht.

Het levert dus geen bewijs op van wilsbekwaamheid, maar ook niet van het tegendeel.

Ten aanzien van het ziektebeeld brengt het hof de feiten in herinnering zoals die zijn vastgesteld in het tussenarrest. In 2012 is door een geriater bij erflaatster de diagnose vasculaire dementie gesteld.

Op 7 april 2014 is bij het Centrum indicatiestelling zorg een aanvraag gedaan voor zorg voor erflaatster. Er is een indicatie ZZP-5 afgegeven. De indicatie is later teruggebracht tot ZZP-4, met een open plaatsing. In oktober 2014 is erflaatster verhuisd naar het verzorgingshuis. Dit betrof een niet-gesloten plaatsing.

Hierbij is van belang dat de geriater in 2012 onomwonden heeft gesteld dat het begrip van erflaatster goed was.

De stoornissen deden zich vooral op het geheugengebied.

Hoe de aandoening van erflaatster zich vervolgens heeft ontwikkeld tot 7 april 2015 blijkt onvoldoende.

Het hof overweegt dat in hoger beroep nog niet in voldoende mate is komen vast te staan dat moeder ten tijde van het passeren van haar uiterste wil, leed aan een geestelijke stoornis en dat deze stoornis een redelijke waardering van haar bij deze handelingen betrokken belangen belette.

Nu appellante uitdrukkelijk heeft aangeboden te bewijzen dat de moeder niet “compos mentis” was, zal het hof haar daartoe toelaten zoals in het dictum is verwoord.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.