Erfrecht. Nietige verdeling? Hebben alle deelgenoten deelgenomen aan de verdeling? Handelden deelgenoten bij de verdeling van de nalatenschap te goeder trouw?

De Rechtbank Den Haag heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of alle deelgenoten hadden deelgenomen aan de verdeling van de nalatenschap.

De vorderingen van eiseres hebben betrekking op de verdeling van de nalatenschap van erflaatster die in 2019 is overleden.

Op grond van het testament van erflaatster zijn haar zes kinderen, waaronder de vier ten tijde van het openvallen van de nalatenschap nog in leven zijnde kinderen gedaagde 3, gedaagde 4, gedaagde 5 en gedaagde 6 haar erfgenamen, ieder voor 1/6e gedeelte van haar nalatenschap.

De kinderen van haar vooroverleden zoon, gedaagde 1 en gedaagde 2 zijn in het testament als erfgenamen benoemd voor het deel waarop hun vader aanspraak zou hebben gemaakt indien hij niet was vooroverleden.

Erfrecht. Nietige verdeling? Hebben alle deelgenoten deelgenomen aan de verdeling? Handelden deelgenoten bij de verdeling van de nalatenschap te goeder trouw?

De rechter oordeelt als volgt.

Eiseres vordert een verklaring voor recht dat er sprake is van een nietige verdeling.

Eiseres legt hieraan ten grondslag dat noch haar vader, noch eiseres, als zijn rechtsopvolger onder algemene titel, in de verdeling van de nalatenschap van erflaatster zijn betrokken zodat de verdeling op grond van artikel 3:195 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) van rechtswege nietig is.

Gedaagde 4, gedaagde 5 en gedaagde 6 betwisten dat sprake is van een nietige verdeling.

Zij hebben zich op het standpunt gesteld dat zij op het moment van de verdeling te goeder trouw waren ten aanzien van het aantal erfgenamen waaronder de verdeling diende plaats te vinden.

Daarmee is de verdeling niet nietig of vernietigbaar.

Op grond van artikel 1:207 lid 5 BW ontstaat er immers geen verplichting tot teruggave van vermogensrechtelijke voordelen voor de zogenaamde oude erfgenamen bij een latere vaststelling van het vaderschap.

Eiseres heeft gedaagden bij het starten van de procedure vaststelling vaderschap en/of na ontvangst van de beslissing dan wel op het moment van registratie niet op de hoogte gesteld van de procedure vaststelling vaderschap en/of waar die procedure voor bedoeld was.

Gedaagde 4, gedaagde 5 en gedaagde 6 hebben dan ook geen rekening gehouden of kunnen houden met de mogelijkheid dat eiseres zou meedelen in de nalatenschap van erflaatster.

Op het moment van het passeren van de akte van levering van 21 juni 2022 hadden zij evenmin het idee dat eiseres zou kunnen meedelen in de nalatenschap van erflaatster.

Ook de notaris had geen informatie over de vaststelling van het ouderschap.

Daarbij komt dat datgene wat gedaagden hebben verkregen is verbruikt en verteerd.

Op basis van artikel 1:207 lid 5 BW dienen zij enkel terug te geven het onverbruikte en onverteerde deel van de nalatenschap, als dit al aan de orde komt.

Verder moet terugbetaling geschieden aan de nalatenschap en niet persoonlijk aan eiseres, aldus gedaagde 4, gedaagde 5 en gedaagde 6.

Artikel 3:195 lid 1 BW bepaalt dat een verdeling waaraan niet alle deelgenoten en alle andere personen wiens medewerking vereist was, hebben deelgenomen, nietig is, tenzij zij is geschied bij een notariële akte, in welk geval zij slechts kan worden vernietigd op vordering van degene die niet aan de verdeling heeft deelgenomen.

Nu vast staat dat de verdeling niet in een notariële akte is vastgelegd en dat eiseres niet aan de verdeling heeft deelgenomen, is de verdeling nietig.

Eventuele goede trouw doet daar niet aan af, aangezien er geen rechtsgeldige verdeling tot stand is gekomen.

Een nietige rechtshandeling is immers nooit geldig geweest.

De gerechtelijke vaststelling van het ouderschap heeft terugwerkende kracht, zodat als gevolg hiervan eiseres de enige erfgename is.

B was op zijn beurt erfgenaam van erflaatster, voor 1/6e gedeelte van haar nalatenschap.

Eiseres is rechtsopvolger onder algemene titel van B en treedt daarom in de rechten en plichten die B als erfgenaam in de nalatenschap van erflaatster had.

Omdat de gerechtelijke vaststelling van het ouderschap nadelige gevolgen kan hebben voor andere betrokkenen zoals gedaagden, waaronder het verlies van eigendom, heeft de wetgever ervoor gekozen om in artikel 1:207 lid 5 BW de gevolgen van de terugwerkende kracht te verzachten ter bescherming van derden en uit het oogpunt van rechtszekerheid.

In artikel 1:207 lid 5, tweede volzin, BW is opgenomen dat te goeder trouw door derden verkregen rechten door de vaststelling van het ouderschap nochtans niet worden geschaad.

In deze zaak is in geschil of de deelgenoten te goeder trouw waren bij de verdeling van de nalatenschap van erflaatster.

Eiseres stelt dat haar ooms bekend waren met de gerechtelijke procedure tot vaststelling van het vaderschap en dus niet te goeder trouw waren.

Eiseres verwijst ter onderbouwing van haar stelling naar de e-mailberichten van 9 en 30 december 2021, die haar advocaat aan gedaagde 6 heeft gezonden.

Gedaagde 4, gedaagde 5 en gedaagde 6 betwisten dat deze e-mails aan gedaagde 6 zijn gestuurd en eiseres heeft haar stelling over de wetenschap van haar ooms vervolgens niet nader onderbouwd.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres in deze procedure wel de gelegenheid gehad om haar stelling dat de ooms op de hoogte waren van haar procedure tot vaststelling van het vaderschap verder te onderbouwen.

Het verweer is gevoerd in de verzetdagvaarding die moet worden aangemerkt als conclusie van antwoord.

Ook in het vonnis van 14 mei 2025 staat dat gedaagde 4, gedaagde 5 en gedaagde 6 door middel van het uitbrengen van een verzetdagvaarding alsnog verweer voeren in de hoofdzaak.

In de door haar daarna ingediende processtukken had eiseres op dat verweer en de betwisting kunnen reageren, maar dat heeft zij niet gedaan.

Daarom gaat de rechtbank voorbij aan de stelling van eiseres dat haar ooms door een of meer e-mailbericht(en) aan gedaagde 6 op de hoogte waren van de procedure tot vaststelling van het vaderschap van B, omdat die niet voldoende is onderbouwd.

Uit de stellingen van gedaagde 4, gedaagde 5 en gedaagde 6 leidt de rechtbank af dat de nalatenschap van erflaatster na de levering van de woning van erflaatster is verdeeld door de uitbetaling door de notaris aan gedaagde 1, gedaagde 2, gedaagde 3, gedaagde 4, gedaagde 5 en gedaagde 6 en dat er geen andere verdelingshandelingen hebben plaatsgevonden.

De rechtbank neemt dit hierna tot uitgangspunt.

De rechtbank is van oordeel dat gedaagden tijdens de verdeling van de verkoopopbrengst van de woning van erflaatster te goeder trouw handelden als bedoeld in artikel 1:207 lid 5 BW.

Zij licht dit als volgt toe.

Vast staat dat de notaris niet bekend was met het feit dat eiseres ten tijde van de verdeling van de verkoopopbrengst erfgenaam was van B.

In de akte van levering van 21 juni 2022 staat immers dat gedaagde 6, gedaagde 2, gedaagde 1, gedaagde 4, gedaagde 5 en gedaagde 3 op grond van het testament van erflaatster bevoegd en gerechtigd zijn om over het registergoed te beschikken.

De notaris heeft de verkoopopbrengst van € 184.857,65 dan ook aan hen uitbetaald.

Dit correspondeert met de verklaring van erfrecht van 12 september 2022 die is opgesteld naar aanleiding van het overlijden van B, waarin onder meer staat: “Volgens opgave van de Basisregistratie Personen en de bevolkingsadministratie van Amsterdam heeft de overledene geen afstammelingen achtergelaten.”.

Ten overvloede merkt de rechtbank hierbij nog op dat de e-mailberichten waar eiseres zich op beroept alleen aan gedaagde 6 zijn gestuurd.

Als gedaagde 6 deze berichten al heeft ontvangen (wat hij betwist), brengt dit niet mee dat de overige deelgenoten niet te goeder trouw zijn geweest ten tijde van de verdeling van de nalatenschap van erflaatster.

Nu gedaagden te goeder trouw zijn geweest op het moment van verdeling van de nalatenschap van erflaatster, worden de door gedaagden verkregen rechten niet geschaad (zie artikel 1:207 lid 5, tweede volzin, BW).

Hoewel sprake is van een nietige verdeling, brengt het bepaalde in artikel 1:207 lid 5, tweede volzin, BW mee dat er geen verplichting tot terugbetaling voor gedaagden ontstaat.

Nu vast staat dat de nalatenschap van erflaatster is verdeeld met de verdeling van de verkoopopbrengst van de woning en er geen verplichting tot terugbetaling voor de deelgenoten bestaat, heeft eiseres naar het oordeel van de rechtbank geen belang bij haar vorderingen.

De nietigheid van de verdeling heeft immers geen gevolgen doordat is voldaan aan het bepaalde in artikel 1:207 lid 5, tweede volzin, BW.

De vorderingen zullen dan ook worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.