Erfrecht. Testament. Beroepsaansprakelijkheid van de notaris. Leidt iedere fout van de notaris tot een schending van de zorgvuldigheidsnorm? Klacht. Belanghebbende.
Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 23 maart 2021 uitspraak gedaan over de vraag of iedere fout van een notaris tot een schending van de zorgvuldigheidsnorm van artikel 93 Wna zou moeten leiden.
Klagers verwijten de notaris dat hij onzorgvuldig heeft gehandeld bij het opmaken van vaders testament.
De klacht van klagers bestaat uit de volgende onderdelen.
- In vaders testament is een aantal overbodige bepalingen opgenomen.
- Vaders testament wat betreft bepaling 4 is in strijd met de wet.
- De notaris heeft onvoldoende zorgvuldigheid betracht bij de beoordeling van de onafhankelijke wilsvorming van vader.
- Het testament geeft de wil van vader niet juist weer.
Erfrecht. Testament. Beroepsaansprakelijkheid van de notaris. Leidt iedere fout van de notaris tot een schending van de zorgvuldigheidsnorm? Klacht. Belanghebbende.
De tuchtrechter oordeelt als volgt.
De kamer heeft geoordeeld dat klagers, als kinderen en erfgenamen van vader, ontvankelijk zijn in hun klacht tegen de notaris.
Verder heeft de kamer geoordeeld dat het feit dat klager de stiefvader is van overige klagers en het feit dat hij zelf notaris is geweest, niet met zich brengen dat klager een indirect of afgeleid belang heeft bij de klacht over het testament van vader.
De kamer heeft klager daarom niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van enig redelijk belang als bedoeld in artikel 99 lid 1 van de Wet op het notarisambt (hierna: Wna).
In het beroepschrift voert klager aan wel een redelijk belang te hebben, maar hij onderbouwt dit niet verder dan te verwijzen naar het algemeen belang.
Het hof acht dit niet voldoende.
Dit zou de zekere begrenzing die artikel 99 lid 1 Wna beoogt aan te brengen in de kring van klachtgerechtigden illusoir maken omdat het algemeen belang nu juist een ieder raakt.
Het hof verenigt zich met het oordeel van de kamer.
In hoger beroep zijn geen feiten of omstandigheden naar voren gekomen die een ander oordeel rechtvaardigen.
Dit betekent dat klager niet-ontvankelijk is in zijn klacht en dat overige klagers wel ontvankelijk zijn in hun klacht.
Klachtonderdeel : overbodige bepalingen in testament
Net als de kamer stelt het hof vast dat het enkele feit dat klagers bepalingen uit het testament overbodig vinden, nog niet maakt dat deze bepalingen ook in objectieve zin als overbodig moeten worden aangemerkt.
De overtuiging van klagers dat het testament beter of anders had gemoeten, betekent volgens het hof niet dat de notaris een tuchtrechtelijk verwijt treft.
Het hof overweegt, net als de kamer, dat het opnemen van deze bepalingen informatieve waarde kan hebben, niet alleen voor de testateur maar ook voor belanghebbenden bij het testament.
Daarnaast is het niet onzorgvuldig van de notaris dat hij in het testament met alle omstandigheden van het geval rekening heeft willen houden, ook al was het overlijden van vader op korte termijn te verwachten.
Met de kamer is het hof dan ook van oordeel dat klachtonderdeel 1 ongegrond is.
Klachtonderdeel 2 : testament in strijd met de wet
Het hof ziet geen reden ten aanzien van dit klachtonderdeel anders te oordelen dan de kamer heeft gedaan (een testamentair bewind is niet in strijd met de wet) en komt daarom ook tot ongegrondverklaring van dit klachtonderdeel.
Klachtonderdeel 3 : onafhankelijke wilsvorming van vader
Naar het oordeel van de kamer heeft de notaris een voldoende zorgvuldige invulling gegeven aan zijn taak om te waken voor een vrije en onafhankelijke wilsvorming van vader.
Klagers voeren in hun beroepschrift aan dat vader niet in staat was zijn wil te bepalen toen hij het testament maakte.
Volgens klager was zijn vader op dat moment al onder invloed van morfine.
Ter zitting in hoger beroep heeft de notaris, naar het oordeel van het hof overtuigend, verklaard over de helderheid van geest van vader voorafgaand aan en tijdens het passeren van het testament.
De mogelijkheid dat vader in die periode morfine gebruikte, waarvan door klagers overigens geen bewijs is overlegd, doet aan dit oordeel niet af.
Van beïnvloeding van de wil van vader door zijn echtgenote – wat daar ook van zij – is het hof evenmin gebleken.
Er bestond voor de notaris daarom geen aanleiding nader onderzoek te doen naar de onafhankelijke wilsvorming van vader.
Ook met betrekking tot dit klachtonderdeel komt het hof, net als de kamer, tot een ongegrondverklaring.
Klachtonderdeel 4 :onjuiste weergave van vaders wil
Met betrekking tot bepaling 3 in het testament van vader (een geldlegaat aan de stiefkleinkinderen, terwijl dit legaat ook voor de eigen kleinkinderen van vader zou zijn bedoeld), heeft de kamer geoordeeld dat deze evidente verschrijving – die feitelijk zonder verdere gevolgen is gebleven – van onvoldoende gewicht is om de notaris hierover een tuchtrechtelijk verwijt te maken.
Ter zitting in hoger beroep heeft de notaris nogmaals erkend dat de in het testament opgenomen bepaling 3 niet volledig is en dat het geldlegaat ook was bedoeld voor de eigen kleinkinderen van vader.
Ook heeft de notaris toegelicht hoe de fout in het testament is geslopen.
Het hof stelt vast dat er inderdaad een fout is geslopen in het testament, al is het geen evidente maar een slordige verschrijving.
Deze verschrijving is echter van onvoldoende gewicht om de notaris hierover een tuchtrechtelijk verwijt te maken, zoals ook de kamer heeft geoordeeld.
Strikt genomen is hier sprake van een fout van de notaris, maar niet een van zodanig gewicht dat sprake is van schending van de zorgvuldigheidsnorm van artikel 93 Wna.
Voor wat betreft de klacht van klagers dat het in het geheel niet de bedoeling van vader kan zijn geweest om ingeval van gelijktijdig overlijden of vóóroverlijden van zijn echtgenote aan de (stief)kleinkinderen een geldbedrag te legateren, sluit het hof zich aan bij het oordeel van de kamer dat voor deze stelling van klagers geen aanwijzingen bestaan.
Ook sluit het hof zich aan bij het oordeel van de kamer dat de enkele stellingen van klagers – met betrekking tot de onjuiste weergave van vaders wil in bepaling 5.C en 6.C van het testament – onvoldoende zijn om daaruit af te leiden dat de weergave van vaders wil onjuist zou zijn en dat de notaris hierover een verwijt valt te maken.
Het vorenstaande betekent dat het hof, net als de kamer, van oordeel is dat klachtonderdeel 4 ongegrond is.
Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het hof, evenals de kamer, van oordeel is dat de klacht van klagers op alle onderdelen ongegrond moet worden verklaard.
Het hof zal de beslissing van de kamer derhalve bevestigen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.