Erfrecht. Uitleg van een testament. Is de notaris bevoegd om op te treden als executeur-afwikkelingsbewindvoerder? Opvolging van executele. Aanvaarding van de executele.
Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of de notaris op grond van het testament bevoegd was om op te treden als executeur-afwikkelingsbewindvoerder.
Het gaat in deze zaak om het volgende.
Appellante en geïntimeerden zijn zussen.
In 2018 is hun moeder overleden. In haar testament heeft moeder een executeur aangewezen en een afwikkelingsbewind ingesteld.
Aan de executeur-afwikkelingsbewindvoerder zijn volgens het testament bepaalde bevoegdheden toegekend.
de notaris] treedt op als executeur-afwikkelingsbewindvoerder in de nalatenschap van de moeder.
In dat kader heeft zij een huis verkocht en geleverd aan geïntimeerden 5 en 6.
In deze procedure gaat het onder meer om de bevoegdheid van de notaris.
Die vorderingen komen er in de kern op neer dat alles wat de notaris als executeur-afwikkelingsbewindvoerder heeft gedaan, moet worden teruggedraaid omdat zij niet bevoegd was.
Erfrecht. Uitleg van een testament. Is de notaris bevoegd om op te treden als executeur-afwikkelingsbewindvoerder? Opvolging van executele. Aanvaarding van de executele.
De rechter oordeelt als volgt.
Om te bepalen of de notaris bevoegd is op te treden als executeur-afwikkelingsbewindvoerder en ter bepaling van de omvang van haar bevoegdheden in dat verband, komt het aan op de uitleg van het testament van moeder.
Het toepasselijke artikel 4:46 BW, voor zover van belang, luidt als volgt:
1. Bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.
2. Daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil mogen slechts dan voor uitlegging van een beschikking worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft.
De Hoge Raad heeft in het arrest van 10 november 2023, HR:2023:1531 bepaald dat bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking dient te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt (artikel 4:46 lid 1 BW).
Bij het vaststellen van de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, kunnen feiten en omstandigheden van na het opmaken van de uiterste wil van belang zijn, omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt.
Ten tijde van het opmaken van de uiterste wil bij de erflater bestaande verwachtingen over toekomstige gebeurtenissen zullen in aanmerking kunnen komen als omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt.
Verwachtingen van de erflater over de toekomst kunnen ook van belang zijn bij het vaststellen van de verhoudingen die de erflater met de uiterste wil kennelijk wenst te regelen.
Voor de vaststelling van de verhoudingen die de erflater met de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, kan mede acht geslagen worden op verklaringen van getuigen omtrent hetgeen de erflater heeft beoogd.
Doen zich na het opmaken van de uiterste wil feiten en omstandigheden voor waardoor de feitelijke verhoudingen niet langer aansluiten bij hetgeen de erflater kennelijk wenste te regelen, dan kan de uiterste wil zo worden uitgelegd dat de desbetreffende beschikking alleen gold voor de situatie die bestond voordat de bedoelde feiten en omstandigheden zich hadden voorgedaan.
Voor een zodanige uitleg is niet vereist dat de erflater bij het opmaken van de uiterste wil op de bedoelde feiten en omstandigheden is vooruitgelopen.
Met toepassing van deze maatstaf komt het hof tot het oordeel dat uit het testament volgt dat de notaris bevoegd is om op te treden als executeur-afwikkelingsbewindvoerder. Daartoe geldt het volgende.
In dit geschil ligt de vraag voor of de in het testament opgenomen regeling voor opvolging van de taak of taken van vader als executeur-afwikkelingsbewindvoerder ook geldt in de situatie waarin vader door diens overlijden zijn benoeming niet heeft kunnen aanvaarden.
Het hof stelt vast dat moeder in artikel VII een afwikkelingsbewind heeft ingesteld, vader tot executeur-afwikkelingsbewindvoerder heeft benoemd en een regeling voor de opvolging van de executeur heeft opgenomen voor de eventueel vrijkomende “taak of taken”.
In het artikel staan voorts onder twee aparte sub-kopjes de taken en bevoegdheden van de benoemde executeur beschreven en de taken en bevoegdheden van de benoemde executeur als afwikkelingsbewindvoerder.
Ook is bepaald dat het bewind vervalt als de executeur diens taak als afwikkelingsbewindvoerder niet wenst te aanvaarden.
Van een afzonderlijke benoeming van de executeur tot afwikkelingsbewindvoerder, en een afzonderlijke aanvaarding van die taak, is dus geen sprake.
Dat standpunt van appellante berust op een verkeerde lezing van het testament.
Moeder heeft de taken van de beheer-executeur uitgebreid, namelijk door het ingestelde afwikkelingsbewind en met de maximale uitbreiding van de taken van de afwikkelingsbewindvoerder.
Uit de redactie van de bepaling volgt dat vader, of diens opvolger, wordt benoemd tot executeur-afwikkelingsbewindvoerder in de ruimste zin (de “drie sterren-executeur”), tenzij de benoemde of opvolgende executeur de taak als afwikkelingsbewindvoerder niet wenst te aanvaarden.
Het betoog van appellante dat de notaris hooguit bevoegd is de taken van de executeur beschreven onder het kopje “Taken” uit te voeren (de “twee sterren-executeur”) gaat dus niet op.
Al daaraan voorafgaand, namelijk in de eerste alinea van artikel VII, wordt immers een executele en afwikkelingsbewind ingesteld, vindt de benoeming plaats en staat de regeling voor opvolging.
Dat in het vervolg van de bepaling de taken en bevoegdheden achtereenvolgens staan beschreven, doet daar niet aan af. In de bepalingen over het loon ziet het hof geen aanleiding voor een ander oordeel.
Uit de tekst van het testament volgt naar het oordeel van het hof voorts dat moeder de verhouding zo heeft willen regelen dat er een opvolgend executeur zou worden benoemd om te voorkomen dat er een situatie zou ontstaan dat het door haar gewilde executeurschap niet zou worden ingevuld.
Die situatie kon ontstaan als vader nog in leven zou zijn geweest en zijn taak niet zou aanvaarden of niet kon of wilde voortzetten, maar ook wanneer hij zijn taak wegens zijn overlijden niet kón aanvaarden.
Dat vooroverlijden heeft als feitelijk gevolg gehad dat de benoeming niet is aanvaard.
Het hof volgt appellante niet in haar standpunt dat “aanvaarden” in dit geval een actieve keuze veronderstelt: zo staat dat eenvoudigweg niet in de tekst.
De uitleg die de rechtbank geeft aan de zinsnede “niet aanvaard wordt” is niet te verstrekkend en wordt door het hof gevolgd.
In het testament is neergelegd dat op de nalatenschap van moeder de wettelijke verdeling als bedoeld in artikel 4:13 BW van toepassing is, met een aantal benoemde wijzigingen daarop zoals bedoeld in artikel 4:13 lid 3 en 4 BW en artikel 4:25 lid 6 BW, en dat deze verdeling na het overlijden van moeder bij notariële akte zou moeten worden “geconstateerd”.
Deze wettelijke verdeling treedt met goederenrechtelijk effect in werking door het enkele feit van overlijden van moeder.
Daardoor lijkt het er op het eerste gezicht op, dat artikel VII geen nut heeft.
Dat heeft het echter wel, voor het geval de wettelijke verdeling door vader ongedaan zou zijn gemaakt.
In dat geval zou er, zou vader nog hebben geleefd, verdeeld moeten worden.
Partijen zijn het erover eens dat vader in dat geval bij aanvaarding van zijn taken bevoegd zou zijn geweest de verdeling zelfstandig tot stand te brengen.
Anders dan appellante heeft aangevoerd, is er geen reden om aan te nemen dat het executeurschap en afwikkelingsbewind alleen zouden gelden in het geval de in artikel IV beschreven wettelijke verdeling ongedaan zou zijn gemaakt.
De toegevoegde waarde van het afwikkelingsbewind is gelegen in de situatie dat er sprake is van een onverdeeldheid: óf omdat de wettelijke verdeling ongedaan wordt gemaakt óf omdat de wettelijke verdeling niet van toepassing is en er twee of meer erfgenamen zijn.
De verwijzing naar “bovenstaande verdeling” bij de beschrijving van de bevoegdheden inzake het afwikkelingsbewind oordeelt het hof niet doorslaggevend.
Daarmee kan immers niet gedoeld zijn op de wettelijke verdeling, de verdeling die in het testament “bovenstaand” is genoemd omdat, zoals gezegd, alleen verdeeld zou hoeven worden als die juist niet van toepassing zou zijn.
Het hof betrekt bij dit oordeel dat het bewind uitdrukkelijk is ingesteld in het belang van de erfgenamen, dus niet alleen vanuit de beschermingsgedachte van moeders echtgenoot als langstlevende, maar van alle erven.
Dat wordt niet anders als één van de erfgenamen – in dit geval vader – eerder overlijdt.
Dat het testament in feite (grotendeels) is geschreven voor de situatie dat vader nog in leven zou zijn geweest, is niet aannemelijk.
Het blijkt nergens uit en het testament is ook na het vooroverlijden van vader nog geldend en uitvoerbaar.
De passage over de wettelijke verdeling is in dat geval niet van toepassing: de vier zussen erven voor gelijke delen en de nalatenschap moet dan dienovereenkomstig worden verdeeld.
Het hof heeft kortom onvoldoende aanwijzingen voor het oordeel dat sprake is van een situatie waarin de uiterste wil zo moet worden uitgelegd dat de regeling in artikel VII alleen gold voor de situatie dat vader nog in leven zou zijn.
Dat alles pleit voor een ruimere uitleg dan appellante voorstaat.
Tot slot gaat ook hetgeen appellante als derde reden heeft aangevoerd niet op.
De executeur-afwikkelingsbewindvoerder is een door moeder benoemde executeur die ten eerste tot taak heeft de goederen van de nalatenschap te beheren ex artikel 4:144 BW.
Daarnaast is de executeur tot afwikkelingsbewindvoerder benoemd.
Op grond van artikel 4:171 lid 1 BW kan de erflater de bevoegdheden en verplichtingen van de testamentair bewindvoerder nader regelen waarbij deze ruimer of beperkter kunnen worden vastgesteld dan uit de aan artikel 4:171 BW voorafgaande bepalingen voortvloeit.
Dat heeft moeder gedaan, in het bijzonder door aan de bewindvoerder de bevoegdheid toe te kennen om als vertegenwoordiger van de erfgenamen de nalatenschap te verdelen met inachtneming van de erfdelen van ieder van de erfgenamen.
Moeder is daarmee afgeweken van artikel 4:170 BW.
Toestemming of instemming van de erfgenamen is blijkens de formulering van de bevoegdheidstoedeling in het testament niet vereist, zodat de afwikkelingsbewindvoerder de verdeling – als vertegenwoordiger van de erfgenamen – geheel zelfstandig tot stand mag brengen.
Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat deze mogelijkheid op grond van Boek 4 BW niet bestaat.
Onder verwijzing naar de conclusie van PG Wissink van 9 juni 2023, PHR:2023:691 stelt het hof vast dat er ten tijde van de invoering van het nieuwe erfrecht in de literatuur discussie is geweest over hoe ver de uitbreiding van de bevoegdheden van de bewindvoerder op de voet van artikel 4:171 BW zou mogen gaan.
Dit debat spitste zich vooral toe op de vraag of het mogelijk is de bewindvoerder de bevoegdheid te geven zelfstandig een verdeling tot stand te brengen.
Inmiddels mag als heersende leer worden aangemerkt dat deze mogelijkheid bestaat.
In de literatuur worden als tegenwicht voor deze zelfstandige verdelingsbevoegdheid diverse waarborgen als opgenomen in afdeling 7 van titel 5 van Boek 4 genoemd, zoals de boedelbeschrijving (artikel 4:160 BW), de rekening en verantwoording (artikel 4:161 BW), het ontslag wegens gewichtige redenen (artikel 4:164 BW) en bovenal de aansprakelijkheid indien in de zorg van een goed bewindvoerder verwijtbaar wordt tekortgeschoten (artikel 4:163 BW).
Dit alles naast de aan de erfgenamen toekomende wettelijke rechten zoals de dwingendrechtelijke legitieme portie (Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 16 april 2020, GHSHE:2020:1343).
Appellante heeft in hoger beroep geen andere verklaringen omtrent hetgeen moeder met de uiterste wil kennelijk wenste te regelen overgelegd dan de verklaringen die door de rechtbank reeds waren beoordeeld en waarin de rechtbank geen reden zag om tot een andere uitleg te komen.
Tegen dat oordeel is geen grief geformuleerd, zodat ook het hof daar van uit zal gaan.
Het voorgaande brengt het hof tot de conclusie dat de notaris bevoegd als executeur-afwikkelingsbewindvoerder heeft opgetreden en optreedt.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.