Erfrecht. Uitleg van een testament. Schenking? Zijn toezeggingen gedaan door erflater? Vallen de percelen grond in Brazilië in de nalatenschap? Rechtsmacht?

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 27 september 2022 uitspraak gedaan over de vraag of de uitleg van een testament.

Het hof komt dan toe aan de vraag of het testament van vader uitgelegd moet worden in die zin dat de gronden door een toezegging van vader in 1998/1999 aan appellant toekomt en dat geïntimeerden moeten mee werken aan de tenaamstelling op naam van appellant.

Appellant stelt hiertoe – kort gezegd – dat vader in 1998/1999 heeft toegezegd dat de gronden aan hem geschonken zou worden, want vader wilde aan ieder kind een boerderij overdragen.

Deze toezegging blijkt volgens appellant uit de brieven van vader uit 1998 en van 4 juli 1999.

Als vader wist dat appellant de gronden nog niet op naam had zou hij de bepaling over de vrijstelling van inbreng niet in het testament hebben opgenomen.

Het testament dient dan ook in die zin te worden uitgelegd, aldus appellant.

Erfrecht. Uitleg van een testament. Schenking? Zijn toezeggingen gedaan door de erflater? Vallen de percelen grond in Brazilië in de nalatenschap? Rechtsmacht?

De rechter oordeelt als volgt.

Op grond van artikel 4:46 lid 1 BW moet bij die uitleg worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Het tweede lid van dit artikel bepaalt dat daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil slechts dan voor uitlegging van een beschikking mogen worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft.

Dit betekent dat eerst indien de bewoordingen van een testament – gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt – onduidelijk zijn doordat ze geen duidelijke zin hebben, de bedoeling van de erflater op de in het tweede lid omschreven wijze mag en moet worden achterhaald.

Uit het testament van 18 oktober 1999 volgt onder meer dat vader zijn kinderen, appellant, [geïntimeerden, tezamen en voor gelijke delen tot erfgenaam heeft benoemd (artikel IV van het testament) en dat deze afstammelingen vrijgesteld zijn van de verplichting tot inbreng van schenkingen in zijn nalatenschap, tenzij bij enige schenking anders is bepaald (artikel VII B van het testament).

Het hof is van oordeel dat de door appellant gestelde toezegging niet leidt tot een rechtens afdwingbare vordering op de nalatenschap.

Immers, vader was geen eigenaar van de onroerende zaken in Brazilië en kon dus niet een (gedeelte) van deze onroerende zaken aan appellant schenken.

Verder acht het hof van belang dat vader tijdens het opmaken van zijn testament wist dat appellant geen onroerend goed in Brazilië op naam had en geïntimeerde wel en dat dit voor hem geen reden was om de bepaling over de vrijstelling van de verplichting tot inbreng van schenkingen niet op te nemen.

Ook in de jaren daarna heeft vader geen aanleiding gezien om zijn testament aan te passen, dit ondanks het feit dat volgens appellant geregeld over deze kwestie is gesproken.

Gelet op deze omstandigheden en de verhoudingen die vader wenste te regelen acht het hof het testament duidelijk.

Dit heeft tot gevolg dat het hof niet toekomt aan artikel 4:46 lid 2 BW. Dit betekent dat de brieven van vader waarop appellant zich beroept niet in de beoordeling betrokken kunnen worden.

Deze brieven mogen immers alleen voor de uitlegging van het testament gebruikt worden wanneer het testament zonder deze brieven geen duidelijke zin heeft en die situatie doet zich hier niet voor. Om die reden gaat het hof aan het bewijsaanbod van appellant als niet relevant voorbij.

Dat het volgens appellant in strijd met de redelijkheid en billijkheid zou zijn om strikt aan de letterlijke bewoordingen van het testament vast te houden acht het hof ook in hoger beroep onvoldoende onderbouwd, nog daargelaten dat bij de uitleg van testamenten die zogenaamde Haviltex-formule niet geldt.

Appellant stelt verder dat de verdeling van de nalatenschap van vader en de nakoming van de afspraak strekkende tot het op naam stellen van appellant van de gronden onverbrekelijk met elkaar samenhangen, aangezien de ratio van de afspraken gelegen is in de honorering van de wensen van vader en uitvoering van diens wil ten aanzien van zijn nalatenschap.

Appellant stelt dat geïntimeerden in verzuim zijn ten aanzien van het nakomen van de overeenkomst van opdracht dan wel last die vader hen heeft gegeven en geeft aan dat hij zijn vordering mede baseert op artikel 6:253 BW, ongerechtvaardigde verrijking dan wel onrechtmatige daad.

Het hof is van oordeel dat deze grondslagen (nakoming van de overeenkomst van opdracht, derdenbeding, onrechtvaardigde verrijking dan wel onrechtmatige daad) – los van de vraag of het hof ter zake rechtsmacht heeft – onvoldoende samenhang hebben met de gevorderde verdeling van de nalatenschap van vader op grond van artikel 3:185 BW.

Voor het geval al een toezegging in de door appellant gestelde zin door vader zou zijn gedaan – wat overigens door geïntimeerden gemotiveerd wordt betwist – leidt dat niet tot een rechtsgeldige toezegging.

Vader was immers geen eigenaar van de Braziliaanse gronden en kan ten aanzien daarvan geen toezeggingen doen.

Uit de gestelde grondslagen zou mogelijk een toezegging van geïntimeerde kunnen worden afgeleid en dat zou, indien een dergelijke toezegging zou komen vast te staan, hoogstens tot een aanspraak van appellant op geïntimeerde kunnen leiden.

Een dergelijk geschil staat los van de verdeling van de nalatenschap van vader.

Het hof heeft echter geen rechtsmacht om daarover te oordelen.

Het gaat hier immers om een juridisch geschil tussen twee ingezetenen van Brazilië over onroerend goed in Brazilië dat op naam staat van geïntimeerde en op naam gezet zou moeten worden van appellant.

Het hof is niet bevoegd kennis te nemen van de vordering op geïntimeerde.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.