Van onze advocaat nietig testament. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 7 augustus 2018 uitspraak gedaan over de vraag of een wijziging van een testament onder invloed, en onjuiste mededelingen en bedrog, had plaatsgevonden.

Partijen zijn broer respectievelijk zussen van elkaar. Zij zijn geboren uit het huwelijk tussen de moeder en erflater (hierna: erflater) geboren in 1922 en overleden op 17 maart 2014.

Op 1 augustus 2011 hebben de moeder en erflater beiden een uiterste wilsbeschikking gemaakt waarin zij appellanten als erfgenamen hebben uitgesloten en hen een legaat hebben doen toekomen gelijk aan een bedrag ter hoogte van de legitieme.

Op 16 augustus 2012 heeft erflater de eerder door hem gemaakte uiterste wilsbeschikkingen herroepen, geïntimeerde tot zijn enige erfgename benoemd en appellanten uitdrukkelijk onterfd met toekenning van een legaat van 20% van het saldo van de nalatenschap.

Deze wilsverklaring is opgemaakt ten overstaan van notaris mr. P te Nijmegen.

Onterving. Vernietiging van testament? Wijziging van testament onder invloed gedaan? Bedrog? Verlies van aanspraak op erfenis op grond van de redelijkheid en billijkheid?

De rechter oordeelt als volgt.

De kern van de grief is dat erflater, onder invloed van geïntimeerde en de door haar ingegeven verkeerde voorstelling van zaken, zijn testament heeft gewijzigd.

Uit de verklaring van 22 november 2012 blijkt echter dat meerdere voorvallen in het verleden, zoals de gang van zaken rondom de opname, de ziekte en het overlijden van zijn echtgenote, de poging om erflater te laten opnemen en onderzoeken in het B ziekenhuis en het verzoek tot ondercuratelestelling dat werd gegrond op het bestaan van een geestelijke stoornis en de gewoonte van drankmisbruik, bij erflater hebben gezorgd voor een groot wantrouwen jegens appellanten en uiteindelijk tot de beslissing hebben geleid om appellanten te onterven.

Verder blijkt uit deze verklaring dat erflater bij de beslissing om Van L als vermogensbeheerder en executeur te ontslaan niet over één nacht ijs is gegaan en dat die beslissing niet uit de koker van geïntimeerde is gekomen, maar dat erflater daarvoor zelfs een derde, G, voor advies heeft ingeschakeld.

De gedragingen die geïntimeerde door appellanten worden verweten dan wel aan haar worden toegedicht ter onderbouwing van de stelling dat geïntimeerde bedrog heeft gepleegd jegens appellanten, zijn alle door erflater zelf weerlegd in de verklaring, opgemaakt bij akte, van 22 november 2012.

Uit deze verklaring blijkt dat het zelfstandige beslissingen en overwegingen van erflater betreffen.

Feiten en/of omstandigheden die, indien bewezen, tot het oordeel moeten leiden dat erflater door oneigenlijk handelen door geïntimeerde tot deze beslissingen en overwegingen is gebracht, zijn niet, althans onvoldoende gesteld of gebleken.

De hiervoor overwogen feiten en omstandigheden in combinatie met de verklaring van erflater van 22 november 2012, tonen aan dat erflater sinds 2010 meerdere malen een bezoek heeft gebracht aan notaris P.

De verklaring van 2012 is tot stand gekomen op een in de notariële praktijk gebruikelijke en zorgvuldige manier, getuige het feit dat erflater heeft verklaard dat deze notaris hem heeft doorverwezen naar notaris W om de testamenten te wijzigen en heeft geadviseerd om zorgvuldigheid te betrachten door eerst een gesprek met Van L aan te gaan, alvorens hem niet meer als executeur te benoemen en hem niet meer in te schakelen bij het vermogensbeheer.

Evenzeer valt uit de verklaring van 2012 op te maken dat deze niet op een achternamiddag bij de notaris is opgesteld, maar dat erflater de tijd heeft genomen zijn gevoelens aan het papier toe te vertrouwen om vervolgens die verklaring aan de notaris te zenden en haar te verzoeken een en ander vast te leggen in een akte.

Dit blijkt uit de slotverklaring waarin erflater op 22 november 2012 verklaart dat hij nog een getuigenis aan zijn reeds bestaande verklaring wil toevoegen. Dat geïntimeerde op verzoek van vader diverse stukken aan notaris P heeft gezonden, doet aan het voorgaande niet af.

De conclusie van het voorgaande is dat niet kan worden gezegd dat het geïntimeerde is geweest die erflater heeft bewogen tot het verrichten van diverse (rechts)handelingen door opzettelijk daartoe gedane onjuiste mededelingen of het opzettelijk verzwijgen van feiten die zij verplicht was aan erflater mee te delen of door andere kunstgrepen en derhalve jegens appellanten bedrog heeft gepleegd.

Alle door appellanten daartoe genoemde argumenten zijn, gelet op het voorgaande, slechts suggestief van aard en in het licht van het voorgaande onvoldoende onderbouwd.

In de laatste grief beroepen appellanten zich erop dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat geïntimeerde meer rechten kan ontlenen aan de uiterste wilsbeschikking van erflater dan een aanspraak gelijk aan een derde deel van het saldo van de nalatenschap.

Appellanten betogen dat een beroep op de redelijkheid en de billijkheid kan worden gedaan om daarmee de gevolgen van de uiterste wilsbeschikking van erflater in te perken omdat de feiten en omstandigheden daartoe aanleiding geven.

Die feiten en omstandigheden waarop appellanten zich beroepen zijn identiek aan de feiten en omstandigheden die zij aan de vorderingen tot nietigverklaring c.q. vernietiging van het testament van 16 augustus 2012 ten grondslag hebben gelegd.

Appellanten betogen ook nog dat er vermogensoverheveling heeft plaatsgevonden van het vermogen van hun ouders naar geïntimeerde, omdat het chalet dat erflater en zijn echtgenote hadden in Zwitserland op naam van geïntimeerde is gezet. Voorts zou geïntimeerde € 700.000,- ontvangen hebben van de ouders voor de bouw van haar eigen huis in Zwitserland en door de oprichting van een stichting geld hebben geprobeerd te onttrekken aan de ouders.

Ter onderbouwing van hun stellingen hebben appellanten een brief overgelegd van de Zwitserse UBS bank van 24 januari 2014 aan appellant, waar zich kluizen bevonden van de ouders. Uit deze brief blijkt, aldus appellanten, dat deze kluizen op naam werden gesteld van de toenmalig vriend/partner van geïntimeerde, B.

Geïntimeerde ontkent het door appellanten gestelde gemotiveerd. De waarde van het chalet van de ouders dat op haar naam is gesteld en waarbij de ouders het vruchtgebruik over het chalet hielden, zal met inachtneming van het vruchtgebruik worden meegenomen bij de vaststelling van de omvang van de nalatenschap. Tijdens de bouw van haar eigen huis in Zwitserland hebben de ouders borg gestaan voor de kosten daarvan. Zodra het huis was afgebouwd is er door haar een hypotheek op het huis verleend aan een bank. De bouw is betaald met eigen geld. De borg is nimmer ingeroepen en dus is er geen geld van de ouders naar haar gegaan. Geïntimeerde betwist dat B voornoemd haar partner is geweest. De B’s waren goede bekenden van haar ouders. Het geld dat de ouders bezaten in Zwitserland is op enig moment overgeboekt naar de Nederlandse rekening van de ouders, zoals ook blijkt uit het feit dat de door dit hof in 2013 benoemde bewindvoerder namens erflater een beroep heeft gedaan op de inkeerregeling bij de fiscus.

Zoals hiervoor door het hof overwogen, is de uiterste wilsbeschikking van erflater van 16 augustus 2012 rechtsgeldig.

Door aanspraak te maken op hetgeen geïntimeerde krachtens het testament toekomt, handelt zij conform de laatste wil van erflater.

De door appellanten genoemde feiten en omstandigheden op grond waarvan zij een beroep doen op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid zijn deels besproken bij de grieven die handelen over bedrog dan wel onrechtmatig handelen door geïntimeerde.

Deze feiten en omstandigheden rechtvaardigen niet de toewijzing van het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid.

Daartoe hebben appellanten zoals hiervoor reeds overwogen onvoldoende gesteld. Ook de door appellanten aangevoerde financiële omstandigheden rechtvaardigen dit beroep niet gelet op de gemotiveerde betwisting door en verklaring van geïntimeerde.

Het verweer van geïntimeerde dat zij geen geld van haar ouders heeft ontvangen, vindt steun in de verklaring van erflater (en zijn echtgenote) van 14 augustus 2011 dat hij nooit een lening van € 700.000 aan geïntimeerde heeft verstrekt.

Dat er gelden van erflater (en zijn echtgenote) zijn verplaatst van hun Zwitserse kluizen naar een kluis ten name van B blijkt niet uit de door appellanten genoemde productie. Ook hiervoor hebben appellanten onvoldoende gesteld. Ditzelfde geldt met betrekking tot de enkele, niet nader uitgewerkte stelling dat geïntimeerde door middel van het oprichten van een stichting zou hebben geprobeerd om tot een vermogensverschuiving te komen. Ook deze grief faalt.

De conclusie van het voorgaande is dat alle grieven falen en dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de verdeling van een erfenis, over de uitleg van een testament, over de vernietiging of de nietigheid van een testament, over de wilsbekwaamheid van de erflater of over misleiding en bedrog bij het opstellen van een testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.