Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 17 maart 2020 uitspraak gedaan over de uitleg van een voorwaarde in een testament.

De broers en zussen stellen dat de erfstelling van de (ex-)vriend en zijn benoeming tot executeur in de uiterste wil van erflaatster slechts is gemaakt voor de situatie dat erflaatster op het moment van haar overlijden nog met hem samenwoont of zou samenwonen.

Deze erfstelling en executeursbenoeming zijn vervallen door definitieve verbreken van hun samenwoning, zodat de (ex-)vriend geen erfgenaam en executeur is.

De (ex-)vriend betwist dat.

De broers en zussen moeten deze stelling bewijzen.

Zij beroepen zich immers op de rechtsgevolgen daarvan (artikel 150 Rv).

Uitleg van een testament. Verbreking van samenwoning. Bewijs. Overgangsrecht.

De rechter oordeelt als volgt.

Om te kunnen vaststellen op welk rechtsgevolg de uiterste wilsbeschikkingen van erflaatster zijn gericht is uitleg nodig.

Nu de uiterste wil is gemaakt vóór 1 januari 2003 (onder het oude recht), maar erflaatster daarna (onder het nieuwe recht) is overleden, is artikel 4:46 lid 1 BW van toepassing (artikel 68a Overgangswet NBW).

Op grond van artikel 4:46 lid 1 BW moet bij die uitleg worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Feiten en omstandigheden van na het maken van het testament kunnen alleen meedoen bij de uitleg als de erflaatster daarop bij het maken van haar testament is vooruitgelopen.

Lezing van de uiterste wil van erflaatster leert dat zij kennelijk wilde regelen dat haar vriend haar enig erfgenaam en executeur-testamentair zou zijn als zij zou overlijden zonder nakomelingen achter te laten.

Zij wilde kennelijk ook dat als haar vriend binnen vijf jaar na haar zou overlijden haar ouders een bedrag in contanten zouden krijgen ter grootte van het bedrag van hun vrijstelling voor het successierecht en dat haar broers en zussen zouden krijgen wat was overgebleven van haar nalatenschap.

De omstandigheden waaronder erflaatster haar testament heeft gemaakt zijn door de (ex-)vriend uitvoerig geschetst in zijn verweerschrift in eerste aanleg.

De broers en zussen hebben zijn relaas niet voldoende gemotiveerd betwist.

Het hof gaat dan ook uit van dat relaas en van wat uit de overgelegde producties blijkt.

De (ex-)vriend en erflaatster hebben elkaar rond 1975 leren kennen. De (ex-)vriend en erflaatster zijn gaan samenwonen.

In 1982 heeft erflaatster haar testament gemaakt.

Ook de (ex-)vriend heeft diezelfde dag een testament gemaakt dat gelijkluidend was aan het testament van erflaatster.

De (ex-)vriend en erflaatster hebben ongeveer vijf jaar samengewoond. Toen de relatie tussen erflaatster en de (ex-)vriend niet meer goed liep is de samenwoning verbroken.

De (ex-)vriend heeft het testament dat hij op 1 oktober 1982 ten behoeve van erflaatster had gemaakt op enig moment herroepen.

Erflaatster is altijd blijven wonen in de woning.

Voor uitleg van de uiterste wilsbeschikkingen van erflaatster is van belang dat erflaatster en de (ex-)vriend hun testamenten, die spiegelbeeldig zijn aan elkaar, hebben gemaakt toen zij gingen samenwonen in de woning van de (ex-)vriend.

Zij hebben hun testamenten gemaakt op advies van de kandidaat-notaris om te voorkomen dat een van hen in de problemen zou geraken bij overlijden van de ander.

Door elkaar over en weer tot erfgenaam te benoemen zou de langstlevende van hen kunnen beschikken over het vermogen van de ander. Voor erflaatster betekende dat vooral dat zij de woning die eigendom van de (ex-)vriend was zou erven en daar normaal gesproken zou kunnen blijven wonen na overlijden van de (ex-)vriend. Voor de (ex-)vriend betekende dit dat hij het spaargeld, de inboedel en de lopende bankrekeningen van erflaatster zou krijgen.

De erfstelling en executeursbenoeming ten gunste van de (ex-)vriend zijn onlosmakelijk verbonden met de samenwoning van erflaatster en de (ex-)vriend.

Niet duidelijk is of erflaatster met de uiterste wilsbeschikkingen in haar testament wilde regelen dat de (ex-)vriend zonder meer haar erfgenaam en executeur was of dat hij slechts erfgenaam en executeur zou zijn voor het geval erflaatster en de (ex-)vriend bij haar overlijden nog zouden samenwonen.

De uiterste wilsbeschikkingen van erflaatster zijn voor tweeërlei uitleg vatbaar.

De bewoordingen van het testament (de tekst) pleiten voor de eerste mogelijkheid, omdat erflaatster in haar testament de erfstelling en executeursbenoeming niet met zoveel woorden heeft beperkt tot de situatie dat zij (nog) zouden samenwonen; dat zou hooguit af te leiden zijn uit het gebruik van het woord ‘vriend’.

De omstandigheid dat erflaatster deze uiterste wilsbeschikkingen juist heeft gemaakt vanwege de samenwoning met de (ex-)vriend pleit voor de tweede mogelijkheid.

Ook het gebruik van het woord ‘vriend’ pleit daarvoor.

Het ligt immers niet voor de hand dat erflaatster dit testament zou hebben gemaakt zonder samenwoning met haar vriend.

Bovendien hebben zowel erflaatster als de (ex-)vriend een spiegelbeeldig testament opgesteld en heeft de (ex-)vriend zijn testament herroepen toen hij trouwde met een ander.

Uitgangspunt bij de uitleg is dat samenwoners die elkaar over en weer tot erfgenaam benoemen dat normaal gesproken beogen te doen voor het geval de samenwoning door het overlijden van één van hen eindigt.

Normaal gesproken zullen zij niet de bedoeling hebben dat de beschikkingen die ten behoeve van een partner zijn gemaakt ook gelden als de samenwoning al voor het overlijden is verbroken, in deze zaak zo’n 30 jaar na beëindiging van de samenwoning.

Artikel 4:52 BW gaat uit van eenzelfde uitgangspunt voor echtgenoten die elkaar tot erfgenaam benoemen en nadien gescheiden zijn.

In de huidige notariële praktijk is het gebruikelijk in samenwonerstestamenten de erfstelling met zoveel woorden tot de situatie te beperken dat de samenwoning eindigt door overlijden, wat in lijn is met artikel 4:52 BW.

In 1982, het jaar dat erflaatster haar testament heeft gemaakt, was het verschijnsel van het ongehuwd samenwonen nog veel minder verbreid.

Het is goed denkbaar dat het toen nog geen vaste praktijk in het notariaat was de erfstelling te beperken tot de situatie van samenwoning bij overlijden.

Omdat erflaatster de (ex-)vriend tot erfgenaam en executeur heeft benoemd juist vanwege haar samenwoning met hem en samenwoners normaal gesproken niet beogen dat die erfstelling en executele ook geldt als de samenwoning niet door overlijden van één van hen eindigt, gaat het hof uit van het vermoeden dat erflaatster de (ex-)vriend alleen tot erfgenaam en executeur heeft willen benoemen voor de situatie dat de samenwoning zou eindigen door haar overlijden en niet als zij niet meer zouden samenwonen.

De (ex-)vriend zal de gelegenheid krijgen tegenbewijs te leveren tegen dat vermoeden.

Dat betekent dat hij bewijs moet aandragen dat het vermoeden ontzenuwt dat erflaatster de (ex-)vriend alleen als haar erfgenaam en executeur wenste voor het geval hun samenwoning zou eindigen door haar overlijden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.