Verwijzing. Was erflater ten tijde van de totstandkoming van het testament dementerend? Stelplicht. Passeren bewijsaanbod. Bewijsopdracht.

Van onze advocaat nietig testament. Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 19 maart 2019 uitspraak gedaan, na verwijzing, over de vraag of de erflater ten tijde van de totstandkoming van het testament dementerend was en het te leveren bewijs daartoe.

Geïntimeerden hebben in eerste aanleg – na wijziging van eis – gevorderd de nietigverklaring dan wel vernietiging van het testament van erflater van 23 mei 2008.

Ingevolge artikel 424 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient de verwijzingsrechter de uitspraak van de Hoge Raad in acht te nemen bij zijn beoordeling van het geding na verwijzing.

Het hof is als verwijzingsrechter gebonden aan alle niet of tevergeefs in cassatie bestreden beslissingen.

Verwijzing. Was erflater ten tijde van de totstandkoming van het testament dementerend? Stelplicht. Passeren bewijsaanbod. Bewijsopdracht.

De rechter oordeelt als volgt.

Thans gaat het in ieder geval om de vraag of geïntimeerden alsnog tot bewijslevering dienen te worden toegelaten.

In dat verband overweegt het hof allereerst dat geïntimeerden in eerste aanleg en in hoger beroep bewijs hebben aangeboden van de stelling dat erflater dementerend was en niet meer in staat was zijn wil te verklaren alsmede niet meer in staat was zijn wil en verklaring op elkaar af te stemmen, maar ook van de stelling dat appellante erflater zo heeft bewogen dat erflater haar uiteindelijk tot enig erfgenaam heeft benoemd.

Het hof leidt uit de dagvaarding in eerste aanleg af dat geïntimeerden deze laatste stelling hebben aangevoerd in verband met hun beroep op artikel 4:43 BW.

Zowel de rechtbank als het hof Den Haag hebben het beroep van geïntimeerden op dit artikel afgewezen. Geïntimeerden hebben hiertegen geklaagd. De Hoge Raad heeft dit onderdeel gelet op artikel 81 RO afgedaan. Na verwijzing ligt het beroep op artikel 4:43 BW dan ook niet meer ter beoordeling voor. Derhalve betreft de vraag of geïntimeerden dienen te worden toegelaten tot bewijslevering slechts hun stelling dat erflater dementerend was en niet meer in staat was zijn wil te verklaren alsmede niet meer in staat was zijn wil en verklaring op elkaar af te stemmen.

De Hoge Raad oordeelt dat de stelplicht en bewijslast van de stelling dat erflater ten tijde van de totstandkoming van het testament niet in staat was zijn wil in vrijheid te vormen bij geïntimeerden rust en dat in de regel wordt voldaan aan de stelplicht van voornoemde stelling door een voldoende onderbouwde verklaring in het geding te brengen die deze stelling ondersteunt, en oordeelt vervolgens, na de opsomming van de door geïntimeerden aangeboden getuigen en van de verklaringen van G en het ziekenhuisverslag, dat door (ook in hoger beroep) uitdrukkelijk bewijs aan te bieden dat erflater dementerend was, geïntimeerden tevens aan de op hen rustende stelplicht hebben voldaan.

Vervolgens oordeelt de Hoge Raad dat het hof Den Haag niet zonder meer het bewijsaanbod van geïntimeerden had mogen passeren.

De Hoge Raad voorts dat aan dit oordeel niet afdoet dat het in hoger beroep gedane bewijsaanbod niet van een nadere toelichting was voorzien, aangezien de in eerste aanleg gegeven toelichting op het bewijsaanbod, waarnaar zij in hoger beroep hebben verwezen, gelet op het overwogene, voldoende was.

Uit het voorgaande leidt het hof af dat de Hoge Raad de stelling van geïntimeerden voldoende gemotiveerd acht en dat geïntimeerden derhalve hebben voldaan aan hun stelplicht, met als gevolg dat het hof Den Haag niet stilzwijgend het bewijsaanbod van geïntimeerden had mogen passeren.

Het hof verwerpt het standpunt van appellante dat de grieven van geïntimeerden in het voorwaardelijk incidenteel hoger beroep als zodanig niet meer ter beoordeling voorliggen.

De Hoge Raad neemt in aan dat het hof Den Haag doelt op de algemene maatstaf die voor grieven geldt en dat het onderdeel, voor zover het daarover klaagt, faalt.

Gelet op het arrest van de Hoge Raad behoeft na verwijzing derhalve allereerst behandeling de grief van geïntimeerden tegen de afwijzing door de rechtbank van de primaire vordering van geïntimeerden, voor zover geïntimeerden daaraan ten grondslag leggen dat erflater ten tijde van de totstandkoming van het testament dementerend was, ten gevolge waarvan hij niet meer tot vrije wilsvorming in staat was.

In dat kader dient het hof te beoordelen of geïntimeerden dienen te worden toegelaten tot bewijslevering.

Teneinde toe te komen aan de fase van bewijslevering dient vast komen te staan dat appellante de stelling van geïntimeerden voldoende gemotiveerd heeft betwist.

Appellante heeft betwist dat sprake was van een geestelijke stoornis, dat erflater tot voor zijn overlijden niet onder medische behandeling was en hij zijn beroep als tandarts nog naar behoren kon uitoefenen.

Appellante heeft een groot aantal verklaringen overgelegd van onder andere patiënten waarin wordt verklaard dat zij tot zijn overlijden nog naar tevredenheid patiënt bij erflater waren en dat hij zijn werk als tandarts nog naar behoren uitoefende.

Voorts heeft appellante gewezen op de door haar overgelegde brief van K en D van 28 mei 2009 waarin onder andere staat dat er voorafgaand aan het sluiten van het testament drie gesprekken met erflater zijn geweest, dat naar de waarneming van de heren K en D erflater het testament heeft gewild en dat geen feiten of aanwijzingen zijn gebleken waaruit een discrepantie tussen de wil en de verklaring zou kunnen worden afgeleid. Gelet hierop heeft appellante de stelling van geïntimeerden voldoende gemotiveerd betwist.

Ten aanzien van de stelling van appellante dat het bewijsaanbod niet voldoende specifiek en ter zake dienend is als gevolg waarvan het bewijsaanbod van geïntimeerden gepasseerd moet worden, overweegt het hof als volgt.

In eerste aanleg hebben geïntimeerden aangeboden hun stellingen te bewijzen, in het bijzonder door het overleggen van verklaringen van deskundigen alsmede door het horen van meer dan twintig getuigen dan wel deskundigen.

In hun memorie na verwijzing hebben geïntimeerden hun bewijsaanbod bevestigd en enkele met name genoemde getuigen voorgedragen.

De bezwaren die appellante tegen de getuigen heeft, komen erop neer dat hun verklaringen niet kunnen dienen tot een beslissing van de zaak.

De omstandigheid dat twee van de door geïntimeerden genoemde medisch deskundigen niet in contact zijn geweest met erflater staat er niet aan in de weg dat zij vanuit hun deskundigheid kunnen verklaren.

Dat geldt ook voor dr. G, behandelend neuroloog van erflater. Gelet op het arrest van de Hoge Raad is het hof van oordeel, anders dan appellante stelt, dat nog niet is komen vast te staan dat uit de verklaring van dr. G niet kan worden afgeleid dat erflater ten tijde van het opmaken van het testament niet wilsbekwaam was.

Evenmin valt in te zien dat geïntimeerden en patiënten niet (nader) zouden kunnen verklaren ten aanzien van feiten en omstandigheden in verband met de wils(on)bekwaamheid van erflater.

De bezwaren van appellante tegen de door geïntimeerden genoemde getuigen treffen dan ook geen doel.

Appellante stelt voorts dat het in strijd met de goede procesorde is voor zover het bewijsaanbod zoals gedaan bij memorie na verwijzing strekt tot het alsnog overleggen van schriftelijke stukken: geïntimeerden had die stukken voor het arrest van het hof Den Haag van 24 juni 2014 moeten overleggen, dan wel (naar het hof begrijpt) bij de memorie na verwijzing zelf, voor zover dat laatste al niet in strijd met de goede procesorde zou zijn geweest gelet op de beperkingen van de behandeling na verwijzing.

Ook dit betoog volgt het hof niet. Op grond van artikel 152 Rv kan bewijs worden geleverd met alle middelen, tenzij de wet anders bepaalt.

Het staat geïntimeerden dan ook in zijn algemeenheid vrij bewijs te leveren door middel van schriftelijke stukken, zij het dat dit wordt begrensd door de goede procesorde indien het hof van oordeel is dat de desbetreffende stukken eerder hadden moeten worden ingediend.

Gelet op het voorgaande acht het hof het bewijsaanbod van geïntimeerden voldoende specifiek en ter zake dienend.

Evenzo staat het geïntimeerden in beginsel vrij bij het bewijsaanbod te vermelden dat zij onder meer maar niet uitsluitend bepaalde met name genoemde getuigen willen voordragen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat het bewijsaanbod van geïntimeerden voldoende specifiek en ter zake dienend is.

Het hof zal geïntimeerden overeenkomstig het door geïntimeerden gedane aanbod tot het bewijs van hun stelling toelaten, als na te noemen. Voor het overige zal het hof iedere beslissing aanhouden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de rechtsgeldigheid van een testament, over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament of over de wilsonbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.