Beroep op nietigheid van testament in verband met wilsonbekwaamheid van erflater. Dementie? Bewijs.

Van onze advocaat nietig testament. De Rechtbank Den Haag heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over een beroep op de nietigheid van een testament in verband met de wilsonbekwaamheid (dementie) van de erflater.

Beroep op nietigheid van testament in verband met wilsonbekwaamheid van erflater. Dementie? Bewijs.

De rechter oordeelt als volgt.

De vordering van A tot uitbetaling van het legaat is toewijsbaar, tenzij D terecht de nietigheid van het testament heeft ingeroepen.

D heeft hiertoe gesteld dat erflater ten tijde van het ondertekenen van het testament zodanig verward was, dat hij niet in staat was zijn wil te bepalen.

Bij de beoordeling van het (bevrijdende) verweer van D stelt de rechtbank voorop dat het testament een eenzijdig ongerichte rechtshandeling is.

Een dergelijke rechtshandeling vereist een op rechtsgevolg gerichte wil van de erflater die zich door een verklaring heeft geopenbaard. Indien de erflater iets heeft verklaard terwijl zijn geestvermogens blijvend of tijdelijk waren gestoord, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken indien de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan.

Een zodanig ontbreken van de wil heeft tot gevolg dat het testament nietig is (artikel 3:34 lid 2 BW).

Nu D zich beroept op de rechtsgevolgen van de door haar gestelde nietigheid, rust op haar de bewijslast van haar stelling dat erflater ten tijde van het passeren van het testament op 10 juli 2013 leed aan een geestelijke stoornis.

Dit brengt met zich dat D op grond van haar aan de bewijslast verbonden stelplicht voldoende feiten en omstandigheden dient aan te voeren (en, bij voldoende betwisting, dient te bewijzen) die (kunnen) leiden tot de vaststelling van de gestelde stoornis.

Bovendien brengen de op D rustende stelplicht en bewijslast met zich dat zij voldoende feiten en omstandigheden dient aan te voeren en zo nodig te bewijzen die (kunnen) leiden tot het oordeel dat de stoornis erflater een redelijke waardering van de betrokken belangen belette of dat de verklaring die heeft geleid tot het passeren van zijn testament onder invloed van die stoornis is gedaan.

Bij de beoordeling kunnen ook feiten en omstandigheden die zijn voorafgegaan aan of zijn gevolgd op het passeren van het testament van 10 juli 2013 van belang zijn.

D heeft ter onderbouwing van haar standpunt omtrent de nietigheid van het testament gesteld dat de fysieke en psychische gezondheid van erflater sinds (in ieder geval) het voorjaar van 2012 zodanig slecht was, dat hij niet in staat was zijn wil te bepalen.

Dat gold in ieder geval waar het zakelijke aangelegenheden betreft, zo heeft D gesteld. Zij heeft in dit verband gesteld dat bij erflater de diagnose beginnende dementie en waterhoofd is gesteld.

Zij heeft ook verwezen naar documenten uit het medisch dossier van erflater, waaruit blijkt dat erflater zowel tijdens de ziekenhuisopnames als thuis ernstig in de war en gedesoriënteerd was.

Zij heeft bovendien aangevoerd dat erflater in goeden doen een testament met deze inhoud nooit zou hebben getekend, nu het aan A gelegateerde bedrag veel hoger is dan het bedrag dat erflater volgens zijn vorige financieel adviseur voor haar in petto had.

Daarnaast was er erflater altijd veel aan gelegen belastingheffing zo veel mogelijk te voorkomen, terwijl het testament leidt tot een hoge aanslag erfbelasting. Ook daaruit volgt dat erflater niet helder was bij ondertekening van het testament.

D heeft daarnaast gesteld dat de notaris het zogenaamde “Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening” niet heeft gevolgd, terwijl daartoe alle aanleiding bestond gelet op de leeftijd van erflater, zijn algehele gezondheid en de bij hem gestelde diagnose dementie, het feit dat de notaris niet de vaste notaris van erflater was en het feit dat het testament niet in het eigen huis van erflater maar bij diens buren is getekend.

A heeft de hiervoor weergegeven stellingen van D betwist. Zij heeft aangevoerd dat erflater weliswaar op leeftijd was, maar dat er met zijn cognitieve vaardigheden niets mis was. Zij heeft erkend dat erflater in de war was op momenten waarop hij kampte met een ontsteking, maar heeft betoogd dat hij weer helder was zodra die ontsteking was verholpen.

De rechtbank overweegt als volgt.

In een brief van de internist van 21 juni 2013 staat dat naar aanleiding van radiologisch onderzoek bij erflater op 19 juni 2013 de bevinding “Suggestief voor supratentoriële hydrocefalie, meerdere wittestoflesies, Fazekas graad 2” is gedaan.

In deze brief wordt de conclusie getrokken dat bij erflater sprake was van “verwardheid, meest waarschijnlijk bij delirant beeld bij decompensatio dan wel pneumoniebeeld. Cave, bij beginnende dementie”.

D legt met name deze brief aan haar stellingen ten grondslag. De ten aanzien van erflater getrokken medische conclusies kunnen weliswaar een belangrijke rol spelen bij de beoordeling van de stelling van D dat de geestvermogens van erflater ten tijde van het ondertekenen van het testament waren gestoord, maar uit de overgelegde stukken blijkt niet zonder meer dat erflater omstreeks 10 juli 2013 leed aan beginnende dementie en dientengevolge daadwerkelijk wilsonbekwaam was.

In de zojuist genoemde brief van 21 juni 2013 wordt namelijk de geconsulteerde neuroloog aangehaald, die kennelijk heeft gezegd dat ‘de scan zou kunnen passen bij een atrofisch brein waarbij er mogelijk (cursivering rechtbank) sprake kan zijn van een beginnende dementie’.

In aangehaalde brief van 8 oktober 2013 wordt voorts geconcludeerd: “Verwardheid en cognitieve stoornis waarschijnlijk (cursivering rechtbank) op basis van een dementieel beeld”.

Indien al sprake is geweest van beginnende dementie, is onder meer van belang hoe ver de ziekte op het moment van ondertekening van het testament gevorderd was.

Verder is van belang dat beginnende dementie mede daardoor gekenmerkt wordt dat de patiënt afwisselend heldere en minder heldere momenten heeft.

Dit geldt te meer nu uit de door D in het geding gebrachte informatie blijkt dat patiënten met z.g. wittestofafwijkingen in Fazekas graad 2 soms normaal functioneren, maar een groot risico lopen op verdergaande klachten binnen afzienbare termijn.

Daarbij komt dat bij de beoordeling van de stellingen van D ook de complexiteit van het testament een rol speelt.

Als een testament een complexe making of ingewikkelde formulering bevat, zal eerder worden aangenomen erflater de reikwijdte daarvan niet begreep dan wanneer het een eenvoudig testament betreft.

Ook wordt belang gehecht aan de aard van de making en de vraag in hoeverre die in de lijn der verwachtingen lag.

Wanneer een testament een onverwachte making bevat, ligt het eerder in de rede dat de making onder invloed van de stoornis van de erflater tot stand is gekomen, dan wanneer het testament een inhoud heeft die in lijn ligt met eerdere uitlatingen van erflater over zijn wensen ten aanzien van zijn vermogen na overlijden.

Naar het oordeel van de rechtbank is het testament van erflater niet bijzonder complex, zodat niet zonder meer kan worden aangenomen dat erflater de inhoud daarvan niet heeft overzien.

Bovendien acht de rechtbank het legaat aan A, gelet op de duur van haar affectieve relatie met erflater, de omvang van diens vermogen en het vaststaande feit dat erflater met zijn accountant omstreeks 2010 heeft besproken dat hij, erflater, dacht aan het toekennen van een legaat aan A, niet bijzonder opvallend.

Dat spreekt te meer nu, anders dan namens D ter zitting is betoogd, een fiscaal gunstige making ten gunste van A als mantelzorger in de gegeven omstandigheden alleen mogelijk zou zijn, indien erflater een notariële samenlevingsovereenkomst met A zou aangaan. Tussen partijen is niet in geschil dat erflater dat niet wilde. Ook de fiscale consequenties van het testament roepen daarom niet onmiddellijk vragen op over de geestvermogens van erflater ten tijde van het verlijden van het testament.

In het licht van het vorenstaande heeft te gelden dat, ook als vast zou komen te staan dat erflater leed aan beginnende dementie en een waterhoofd, daarmee niet onmiddellijk is gegeven dat die aandoeningen erflater ten tijde van het verlijden van het testament een redelijke waardering van de betrokken belangen beletten of dat de verklaring die heeft geleid tot het passeren van het testament onder invloed van die stoornis is gedaan. Uitgesloten is het echter niet.

Dat geldt te meer nu tussen partijen niet in geschil is dat erflater ernstig in de war was, wanneer hij leed aan een infectie. Vast staat dat erflater in ieder geval op 26 en 27 mei 2013, van 4 tot en met 19 juni 2013, van 5 tot en met 7 juli 2013 en van 13 tot en met 15 juli 2013 in het ziekenhuis is opgenomen en dat in ieder geval de laatste drie opnames te maken hadden met een ontsteking.

Of erflater ook ten tijde van de ziekenhuisopname op 26 en 27 mei 2013 leed aan een ontsteking, kan uit het thans beschikbare medische dossier niet worden afgeleid.

Tussen partijen is niet in geschil dat de bespreking met de notaris over het testament moet hebben plaatsgevonden rondom de ziekenhuisopname van 26 en 27 mei 2013, terwijl de ondertekening van het testament op 10 juli 2013 plaatsvond in de korte periode tussen twee ziekenhuisopnames van erflater, beide in verband met een infectie.

(Medische) Informatie waaruit blijkt dat erflater ten tijde van het verlijden van het testament niet in staat was zijn wil te bepalen, ontbreekt evenwel.

De rechtbank zal D daarom – zoals zij ook heeft aangeboden – in de gelegenheid stellen om bij akte na dit tussenvonnis de vereiste nadere stukken in het geding te brengen.

De rechtbank begrijpt dat het gaat om het complete medische dossier van erflater over de jaren 2012, 2013 en 2014, dat D, ondanks verzoeken daartoe, tot op heden slechts gedeeltelijk heeft ontvangen.

Uit de stellingname van D begrijpt de rechtbank bovendien dat in het gedeelte van het medisch dossier van erflater dat nog niet in haar bezit is, mogelijk aantekeningen van een geriater zijn opgenomen.

Ook zal zij zich kunnen uitlaten over de vraag of zij – in het geval de rechtbank haar tot het leveren van bewijs zal toelaten – daarnaast nog relevante getuigen wensen te doen horen, en zo ja, welke getuigen.

In verband met het laatste wordt uitdrukkelijk overwogen dat de eventuele getuigen kennis van zaken zullen moeten hebben over de medische en/of geestelijke toestand van erflater op en omstreeks 10 juli 2013.

A zal vervolgens bij antwoordakte inhoudelijk kunnen reageren op de in het geding gebrachte stukken en op het eventuele verzoek van D om tot bewijslevering door middel van het horen van getuigen te worden toegelaten, waarna de rechtbank zal beslissen of D tot bewijslevering zal worden toegelaten.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag over de rechtsgeldigheid van een testament, over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament of over de wilsonbekwaamheid van de erflater tijdens het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.