Vordering tot de nietigverklaring van een testament. Bewijsopdracht.
De Rechtbank Noord-Nederland heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over een vordering tot de nietigverklaring van een testament. De rechter geeft een bewijsopdracht.
Ingevolge artikel 3:34 lid 1 BW wordt, indien iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord iets heeft verklaard, de met diens verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan.
Ingevolge lid 2 wordt een eenzijdige handeling die niet tot een of meer bepaalde personen is gericht, door het ontbreken van de wil nietig.
Voornoemde wetsbepaling brengt in dit geval met zich dat de broer van erflaatster de aanwezigheid van de stoornis op het moment van de rechtshandeling (in dit geval: het maken van het testament) moet stellen (en bij betwisting bewijzen) en ook dat in verband met die stoornis de wil van erflaatster tot het verrichten van die rechtshandeling heeft ontbroken.
Vordering tot de nietigverklaring van een testament. Bewijsopdracht.
De rechter oordeelt als volgt.
De advocaat van eiser heeft allereerst gesteld dat het laatste testament – waarin gedaagden tot erfgenamen van erflaatster zijn benoemd – nietig is.
Volgens eiser was erflaatster ten tijde van het passeren van dit testament zodanig dement dat zij niet meer in staat was om haar wil te bepalen.
Eiser heeft hiertoe verwezen naar de processtukken uit de procedure uit 2014. Evenals in de procedure uit 2014 was gesteld, heeft eiser gesteld dat de inhoud van het laatste testament niet strookt met uitlatingen die erflaatster aan de notaris heeft gedaan inhoudende dat gedaagden “genoeg gehad hebben”.
De inhoud van het testament, in samenhang met de verschillende gebeurtenissen in de laatste jaren van het leven van erflaatster, maakt dat er sprake moet zijn geweest van een wilsgebrek.
Meerdere indicatoren voor een nader onderzoek naar de geestesgesteldheid van erflaatster uit het door de Koninklijke Notariële Beroepsorganisatie opgestelde “Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening” zijn hier aan de orde maar de notaris die het laatste testament heeft gepasseerd heeft nagelaten een nader onderzoek te verrichten.
Anders dan in de procedure uit 2014 is thans een medisch rapport uitgebracht inzake de wilsbekwaamheid van erflaatster, te weten het rapport van 3 februari 2016 van Prof. dr. C.M.P.M. H, hoogleraar Ouderengeneeskunde & Ethiek van de zorg, mede namens de psychologen dr. S. T en drs. H. G.
De conclusie van dat rapport is dat de sterke overtuiging aanwezig is dat erflaatster ten tijde van de laatste testamentswijziging op 2 maart 2009 wilsonbekwaam was ten aanzien van de beslissing tot testamentsverandering.
Evenals in genoemd tussenvonnis is overwogen, stelt de rechter voorop dat ingevolge artikel 3:34 lid 1 BW, indien iemand wiens geestvermogens blijvend of tijdelijk zijn gestoord iets heeft verklaard, de met diens verklaring overeenstemmende wil geacht wordt te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan.
Ingevolge lid 2 wordt een eenzijdige handeling die niet tot een of meer bepaalde personen is gericht, door het ontbreken van de wil nietig.
Voornoemde wetsbepaling brengt in dit geval met zich dat eiser de aanwezigheid van de stoornis op het moment van de rechtshandeling (in dit geval: het maken van het testament van 2 maart 2009) moet stellen (en bij betwisting bewijzen) en ook dat in verband met die stoornis de wil van erflaatster tot het verrichten van die rechtshandeling heeft ontbroken.
Evenals in genoemd tussenvonnis, stelt de rechter bij de beoordeling van de vraag of erflaatster wilsbekwaam was op het moment van het maken van het testament, voorop dat de kantonrechter bij beschikking van 11 juli 2007 het vermogen van erflaatster onder bewind heeft gesteld.
Onderbewindstelling is uitsluitend mogelijk indien een meerderjarige als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen zelf behoorlijk waar te nemen.
De kantonrechter heeft destijds overwogen dat aannemelijk is geworden dat van een dergelijke situatie bij erflaatster sprake was.
De inhoud van het indicatiebesluit van 10 maart 2009, waarin wordt vermeld dat een psychogeriatrische aandoening als grondslag wordt gehanteerd, ondersteunt voorts de stelling van eiser dat erflaatster in die periode, één week nadat het testament is ondertekend, niet geacht kan worden haar eigen, zelfstandig gevormde en bestendige werkelijke wil weer te geven.
In genoemd tussenvonnis in de procedure is vervolgens overwogen dat deze stelling niet aan de hand van het medische dossier van erflaatster dan wel een verklaring van een neuroloog en/of geriater is onderbouwd, zodat niet kan worden vastgesteld of er van een dergelijke aandoening daadwerkelijk sprake was.
Daarbij is overwogen dat evenmin kan worden vastgesteld of in verband met een dergelijke aandoening de wil van erflaatster tot het verrichten van die rechtshandeling heeft ontbroken.
Naar het oordeel van de rechter is de inhoud van het rapport echter onvoldoende om thans tot een ander oordeel te komen dan het hiervoor weergegeven oordeel in de procedure uit 2014, in welk oordeel de rechter zich kan vinden.
Evenals gedaagden heeft betoogd, blijkt uit dit rapport dat de betrokken medici, die eerst ná het overlijden van erflaatster zijn ingeschakeld en haar derhalve niet zelf hebben kunnen onderzoeken, hun opdracht hebben gekregen van de notaris en gelet op de door hen in het rapport opgesomde “ontvangen documenten”, alsmede gelet op de inhoud van hun rapport, eenzijdig zijn geïnformeerd (te weten: conform het standpunt van eisers) en geen hoor en wederhoor heeft plaatsgevonden.
Dit heeft er naar het oordeel van de rechter in geresulteerd dat zij omstandigheden in hun oordeel hebben betrokken die door eiser zijn gesteld, maar die door gedaagden zijn weersproken, althans ten aanzien waarvan door gedaagden andere omstandigheden zijn gesteld en die niet in het oordeel van deze medici zijn betrokken.
Zo noemt de rechter als voorbeeld dat de conclusie van de betrokken medici mede is gebaseerd op de door eiser gestelde omstandigheid dat de beslissing van erflaatster om haar testament te wijzigen ten gunste van de kinderen van haar echtgenoot haaks staat op de wens, zoals zij die de laatste jaren herhaaldelijk heeft geuit tegenover de notaris.
Hiertegenover staat echter de door gedaagden betrokken stelling – die niet in de rapportage is vermeld, dat erflaatster aan gedaagden altijd kenbaar heeft gemaakt dat gedaagden tot erfgenaam zou worden benoemd.
De rechter wijst voorts op de door de rechtbank in de procedure uit 2014 genoemde schriftelijke verklaring van de notaris, waaruit blijkt dat deze notaris erflaatster op twee momenten heeft gezien en dat zij ervan overtuigd is dat erflaatster (wel) in staat was op het litigieuze moment haar wil te bepalen.
In de onderhavige procedure is voorts een uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam, afdeling civiel recht en belastingrecht van 19 september 2017 in het geding gebracht, waarin de door eiser ingediende klacht tegen de notaris ongegrond is verklaard, waarbij de rechter opmerkt dat het Gerechtshof blijkens de hiervoor geciteerde overwegingen van het Gerechtshof, in het bezit was van de hiervoor bedoelde rapportage van 3 februari 2016.
Ook de overige bewijsstukken uit de procedure uit 2014, waaronder processen-verbaal van getuigenverhoor, waarnaar eiser heeft verwezen, acht de rechter onvoldoende om eiser (voorshands) geslaagd te achten in het hiervoor bedoelde bewijs.
Gelet op de omstandigheid dat eiser uitdrukkelijk nader bewijs hebben aangeboden van hun stellingen, zal de rechter eiser toelaten tot het bewijs van hun stelling dat erflaatster ten tijde van het ondertekenen van het in geschil zijnde testament (het laatste testament), niet, althans onvoldoende, begreep wat zij deed en het vermogen miste haar wil – zoals neergelegd in dit testament – te bepalen en te verklaren.
In afwachting van bewijslevering wordt iedere verdere beslissing – waaronder het beroep door [eisers] op de vernietigbaarheid van het laatste testament op grond van bedreiging of bedrog – worden aangehouden.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.