Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 13 augustus 2019 in kort geding uitspraak gedaan over de afgifte van een medisch dossier voor de vaststelling van de wilsonbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament.

Nietig testament? Medische geheimhoudingsplicht. Afgifte medisch dossier?

De rechter oordeelt als volgt.

Op grond van artikel 7:454 lid 1 BW richt een dossier in met betrekking tot de behandeling van een patiënt.

De hulpverlener dient de bescheiden in dit dossier gedurende vijftien jaar vanaf het moment van vervaardiging van die bescheiden te bewaren (lid 3).

De hulpverlener is verplicht aan de patiënt desgevraagd inzage in en afschrift van de bescheiden te verstrekken (artikel 7:456 BW).

De hulpverlener mag aan anderen dan de patiënt geen inzage in of afschrift van deze bescheiden verstrekken dan met toestemming van de patiënt (artikel 7:457 lid 1 BW).

Deze geheimhoudingsplicht is tevens verwoord in artikel 88 van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg (Wet BIG) en onder meer uitgewerkt in de richtlijn “Omgaan met medische gegevens” van de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG).

Artikel 88 Wet BIG luidt: “Een ieder is verplicht geheimhouding in acht te nemen ten opzichte van al datgene wat hem bij het uitoefenen van zijn beroep op het gebied van de individuele gezondheidszorg als geheim is toevertrouwd, of wat daarbij als geheim te zijner kennis is gekomen of wat daarbij te zijner kennis is gekomen en waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen.”

Met deze geheimhoudingsplicht wordt beoogd te voorkomen dat een patiënt nalaat geneeskundige hulp in te roepen uit vrees dat hetgeen hij toevertrouwt aan de hulpverlener aan anderen wordt geopenbaard.

Deze geheimhoudingsplicht geldt gelet op de hiervoor vermelde strekking ook na het overlijden van een patiënt. Zij geldt ook ten aanzien van zijn erfgenamen, tenzij zij mentor van de overleden patiënt waren of de patiënt bij leven heeft ingestemd met het verstrekken van inzage in of afschrift van zijn medisch dossier aan (een of meer van) zijn erfgenamen.

De geheimhoudingsplicht is niet absoluut.

Doorbreking daarvan kan aan de orde zijn als mag worden verondersteld dat de patiënt zijn toestemming zou hebben gegeven als hij zich had kunnen uitlaten over inzage in zijn medisch dossier na zijn overlijden (vgl. Hoge Raad, 21 oktober 2008, HR:2008:BD7871) of als er voldoende concrete aanwijzingen bestaan dat een ander zwaarwegend belang geschaad zou kunnen worden door het handhaven van het beroepsgeheim.

In dat geval moet aannemelijk zijn dat het medisch dossier daarover opheldering kan geven en dat deze opheldering niet op andere wijze kan worden verkregen (Hoge Raad, 20 april 2001, HR:2001:AB1201).

Het hof zal de grieven gezamenlijk behandelen.

De advocaat van appellante vraagt het hof de zaak in volle omvang te beoordelen. Zij stelt dat geïntimeerde gehouden is tot het doorbreken van zijn medisch beroepsgeheim en inzage moet geven in het medisch dossier van vader.

Er was uitdrukkelijke schriftelijke toestemming van vader tot inzage van zijn medisch dossier door appellante.

Voorts zijn er zwaarwegende belangen om het medisch dossier in te zien.

Het pand is door vader tegen een aanmerkelijk lagere waarde dan de marktwaarde verkocht aan de partner van haar zus.

Hiermee is het vermogen van de B.V. en daarmee dat van de nalatenschap van haar vader benadeeld, terwijl aan haar moeder geen verteringsbevoegdheid toekomt.

Hiermee is het uitgangspunt van haar vader om zijn kinderen gelijk te behandelen doorkruist, hetgeen hij zelf nooit gewild zou hebben, en is het effect hiervan feitelijk gelijk aan die van een testamentswijziging ten nadele van appellante.

Uit de CIZ-verklaring van vader blijkt dat zijn geheugen achteruit ging wegens dementie en was hij in elk geval op die datum zodanig dementerend dat beschermd wonen met intensieve dementiezorg noodzakelijk was.

Dit proces moet, aldus nog steeds de advocaat van appellante, al geruime tijd aan de gang geweest zijn.

De advocaat van appellante stelt dat de bewindvoerder van moeder zich zal kunnen beroepen op de wilsonbekwaamheid van vader (artikel 3:34 lid 1 BW en het daar genoemde wettelijk vermoeden), een wilsgebrek bij vader (misbruik van omstandigheden, artikel 3:44 BW) of onrechtmatige handelen van diens wederpartij.

Dat heeft zij in deze procedure voldoende onderbouwd. De missende schakel in haar redenering is de vraag naar de toestand van het geestvermogens van vader ten tijde van de verkoop en /of de levering van het pand.

Voor de beantwoording van die vraag is de medische informatie onontbeerlijk, aldus de advocaat van appellante.

De rechter oordeelt als volgt.

Appellante heeft een verklaring gedateerd op 13 juli 2017 overgelegd, waarin is weergegeven dat zij 12 juli 2017 met haar vader in de huisartspraktijk van geïntimeerde was, dat haar vader duidelijk aangaf dat zij “de gegevens van de MRI test van hem en moeder mag ontvangen”, en waarin zij de huisarts heeft verzocht de gegevens digitaal aan haar te doen toekomen.

Deze verklaring is door haarzelf en door vader ondertekend.

Gelet op deze verklaring en op de aanwezigheid van vader zelf in de huisartspraktijk gaat de rechter ervan uit dat mag worden verondersteld dat vader zijn toestemming zou hebben gegeven als hij zich had kunnen uitlaten over inzage in zijn medisch dossier, ook na zijn overlijden.

Daarnaast is de rechter op grond van de niet bestreden stellingen van appellante van oordeel dat in de onderhavige omstandigheden van het geval voldoende concrete aanwijzingen bestaan dat een ander zwaarwegend belang – het belang bij een eerlijke verdeling van zijn nalatenschap tussen de kinderen – geschaad zou kunnen worden.

Tevens acht de rechter gelet op die omstandigheden voldoende aannemelijk dat het medisch dossier daarover opheldering zou kunnen geven en dat deze opheldering niet op andere wijze kan worden verkregen.

De rechter zal geïntimeerde veroordelen tot (eventueel digitale) afgifte van het in zijn bezit zijnde medisch dossier van vader aan appellante zelf binnen een week na betekening van dit arrest.

De rechter ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat geïntimeerde zich niet aan dit arrest zal houden en zal daarom geen dwangsom opleggen.

De rechter zal de veroordeling wel uitvoerbaar bij voorraad verklaren gelet op het voormelde spoedeisend belang van appellante bij tijdige verkrijging van de gegevens.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, of over de inzage in een medisch dossier, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.