De Rechtbank Amsterdam heeft op 24 juli 2019 uitspraak gedaan over de vraag of een bijna honderdjarige vrouw in staat was haar wil te bepalen bij een testamentswijziging.

Bij testament heeft erflaatster haar kinderen voor gelijke delen tot haar erfgenamen benoemd.

Een van de erfgenamen vordert een verklaring voor recht dat het testament van erflaatster nietig is op grond van artikel 3:34 lid 1 en 2 Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) en subsidiair een verklaring voor recht dat de uitvoering van het testament van erflaatster naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

Nietig testament? Was een bijna honderdjarige vrouw in staat haar wil te bepalen bij een testamentswijziging?

De rechter oordeelt als volgt.

De rechter stelt voorop dat het opmaken van een testament een eenzijdige en ongerichte rechtshandeling betreft.

Een dergelijke rechtshandeling vereist een op rechtsgevolg gerichte wil van de erflaatster die zich door een verklaring heeft geopenbaard.

Indien de erflaatster iets heeft verklaard terwijl haar geestvermogens blijvend of tijdelijk waren gestoord, dan wordt een met de verklaring overeenstemmende wil geacht te ontbreken indien de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan. Een zodanig ontbreken van de wil heeft tot gevolg dat het testament nietig is, zo volgt uit artikel 3:34 lid 1 en 2 BW.

Ingevolge de hoofdregel van bewijslastverdeling rust op de erfgenaam– die zich immers op de rechtsgevolgen van de gestelde nietigheid beroept – de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de gestelde geestelijke stoornis van erflaatster ten tijde van het opmaken en het passeren van het testament.

Dit brengt met zich dat de erfgenaam voldoende feiten en omstandigheden dient aan te voeren (en, bij voldoende betwisting, dient te bewijzen) die (kunnen) leiden tot de vaststelling van de gestelde stoornis en tot de conclusie dat die stoornis een redelijke waardering van de bij het maken van het testament betrokken belangen belette, of dat de verklaring die heeft geleid tot het passeren van het testament onder invloed van die stoornis is gedaan.

Bij de beoordeling kunnen ook feiten en omstandigheden van belang zijn die zijn voorafgegaan aan of zijn gevolgd op het passeren van het testament.

De rechter is van oordeel dat niet kan worden vastgesteld dat erflaatster ten tijde van het maken van het testament eed aan een geestelijke stoornis.

Er bestond evenmin reden voor de notaris om de akte niet te passeren zonder een medische opinie over de geestestoestand van erflaatster.

Gelet op hetgeen de erfgenaam heeft gesteld is er voor nadere bewijslevering geen plaats.

De vorderingen zullen daarom worden afgewezen. Aan dit oordeel liggen met name de volgende feiten en omstandigheden ten grondslag.

De notaris en kandidaat-notaris hebben, zo hebben zij eerst per brief en later als getuige onder ede verklaard, steeds met enkele weken tussenpauze drie maal uitgebreid met erflaatster gesproken naar aanleiding van erflaatsters wens om een testament op te maken.

Vanwege de hoge leeftijd van erflaatster en het feit dat de afspraak voor het opmaken van het levenstestament niet door haarzelf was gemaakt, hebben de notarissen daarbij het Stappenplan gevolgd en middels vragen en controlevragen getoetst en uiteindelijk vastgesteld dat erflaatster wilsbekwaam was.

Daarnaast heeft, de door de erfgenaam zelf aangebrachte getuige, neef weliswaar verklaard dat hij erflaatster week in week uit meemaakte en waarnam dat haar levendigheid, energie en wilskracht verdwenen waren, maar hij verklaarde ook dat erflaatster zich desalniettemin bij momenten bijeen kon rapen zoals bij de voor haar zo belangrijke honderdste verjaardag.

Niet in geschil is dat erflaatster haar verjaardagsfeest, dat plaatshad drie maanden na het opmaken van het bestreden testament, zelf heeft georganiseerd, van horecagelegenheid tot uitnodigingen, en dat zij op haar feest een door haar zelf geschreven rede heeft uitgesproken. De lokale krant heeft van het feest verslag gedaan en vermeldde dat erflaatster alles goed zelf kon vertellen, dat haar geheugen in orde was en dat zij de hulp van haar kinderen niet echt nodig had.

Tevens beroept de erfgenaam zich op de geneeskundige verklaring van de arts, waaruit zou blijken dat erflaatster ten tijde van het opmaken van het bestreden testament wilsonbekwaam was.

Nog daargelaten dat bevindingen uit november niet van toepassing hoeven te zijn op een toestand in september, heeft de arts niets opgeschreven waaruit blijkt dat erflaatster ten tijde van zijn bezoek dan wel eerder leed aan een geestelijke stoornis waardoor zij niet in staat was haar wil te bepalen.

Over inzicht en besluitvaardigheid heeft hij zich niet uitgelaten. Hij heeft enkel geschreven dat erflaatster, als gevolg van enige bij haar leeftijd passende cognitieve stoornissen plus ernstige visus- en gehoorstoornissen, op 10 november 2016 niet voldoende in staat werd geacht haar vermogensrechtelijke belangen zelfstandig naar behoren te kunnen behartigen.

Het Stappenplan legt weliswaar de connectie tussen inzicht en besluitvaardigheid enerzijds en cognitieve achteruitgang anderzijds, maar uit de verklaring van de arts komt niet, of in ieder geval onvoldoende, naar voren dat hij met zijn verklaring heeft gedacht aan inzicht en besluitvaardigheid.

Ten aanzien van de gewijzigde inhoud van het testament d.d. 15 september 2016 in vergelijking met de eerdere testamenten van erflaatster geldt het volgende.

Tot slot kan de rechter de uitleg van de erfgenaam van de brief van de Rabobank, namelijk dat erflaatster blijkens deze brief in de periode daaraan voorafgaand al aan geheugenverlies leed, niet volgen.

Het feit dat de Kamer voor het Notariaat de tuchtklacht (te weten de klacht dat het bestreden testament niet had mogen worden gepasseerd) tegen de notaris heeft afgewezen, sterkt het oordeel van de rechter daarin.

Ook hetgeen de erfgenaam verder naar voren heeft gebracht kan niet leiden tot het oordeel dat erflaatster leed aan een geestelijke stoornis.

Maar zelfs als er van uit zou moeten worden uitgegaan dat zij daar wel aan leed, dan betekent dat nog niet dat zij niet of onvoldoende in staat was om te bepalen hoe zij wilde dat haar nalatenschap na haar dood zou worden verdeeld.

Aan de eisen die in artikel 3:34 lid 1 BW aan nietigheid van het testament worden gesteld is dus niet voldaan. De primaire vordering wordt daarom afgewezen.

Subsidiair stelt de erfgenaam zich op het standpunt dat de geestelijke stoornis van erflaatster in combinatie met de omstandigheden rondom de totstandkoming van het testament ertoe moet leiden dat de overige erfgenamen, gelet op de derogerende werking van de redelijkheid en billijkheid, geen rechten aan het testament d.d. 15 september 2016 kan ontlenen.

Dit betoog faalt alleen al omdat zojuist is overwogen dat erflaatster niet leed aan een geestelijke stoornis.

Op grond van welke omstandigheden de erfgenamen aan het testament d.d. 15 september 2016 geen rechten zou kunnen ontlenen, valt niet in te zien.

Ook de subsidiaire vordering zal daarom worden afgewezen. Het testament d.d. 15 september 2016 blijft dus in stand en de erfgenamen kunnen daar rechten aan ontlenen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.