Erfrecht. Wilsbekwaamheid van de erflater bij het opmaken van een testament. Geestelijke stoornis. Toetsingsnorm. Maatstaf.
De Advocaat-Generaal bij het Parket bij de Hoge Raad heeft enige tijd geleden de eis van wilsbekwaamheid bij opmaken van een testament nader toegelicht
In deze procedure na cassatie en verwijzing staat de vraag centraal of een testament nietig is wegens wilsonbekwaamheid van de erflater als gevolg van een geestelijke stoornis (art. 3:34 lid 1 BW) en welke omstandigheden bij die beoordeling relevant zijn.
Erfrecht. Vaststelling van de wilsbekwaamheid van de erflater bij het opmaken van een testament. Geestelijke stoornis. Toetsingsnorm. Maatstaf.
De A-G concludeert als volgt.
In deze zaak staat de vraag centraal of een uiterste wilsbeschikking kan worden aangetast op de grond dat de erflater of testateur niet in staat was zijn wil te bepalen vanwege zijn verstandelijke beperking.
Uitgangspunt in het erfrecht is de testeervrijheid.
Deze testeervrijheid geldt ook voor mensen met een verstandelijke beperking.
Ook zij die wegens hun lichamelijke of geestelijke toestand onder curatele zijn gesteld en daarom in beginsel handelingsonbekwaam zijn, kunnen een testament maken, namelijk met toestemming van de kantonrechter (art. 4:55 lid 2 BW).
Wel is voor het maken van een testament, zoals voor iedere rechtshandeling, vereist dat de testateur in staat is zijn wil te bepalen.
Als blijkt dat de testateur daartoe niet in staat was, dan is de uiterste wilsbeschikking nietig, nu het gaat om een eenzijdige ongerichte rechtshandeling (art. 4:42 lid 2 jo. 3:34 lid 2 BW).
Om die reden moet de notaris bij het opstellen van het testament bedacht zijn op signalen dat de testateur niet (langer) in staat is zijn wil te bepalen, zoals de aanwezigheid van de ziekte van Alzheimer.
Art. 3:34 lid 1 BW bepaalt dat een rechtshandeling aan nietigheid of vernietigbaarheid blootstaat als de betrokkene niet in staat was zijn voor die rechtshandeling vereiste wil te bepalen.
Er is in dat geval sprake van wilsonbekwaamheid, hoewel de wet deze term niet kent.
Voor toepassing van art. 3:34 BW is vereist dat sprake is van een geestelijke stoornis.
Is die aanwezig, dan wordt de voor de rechtshandeling vereiste wil geacht te ontbreken indien (i) de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette, of (ii) indien de wilsverklaring onder invloed van de stoornis is gedaan.
De wil wordt dus vermoed te hebben ontbroken als een stoornis aanwezig is en één van deze twee omstandigheden zich heeft voorgedaan.
Degene die zich op art. 3:34 BW beroept zal dit alles moeten stellen en zo nodig bewijzen.
Voor de zaak die in cassatie aan de orde is, is het van belang op te merken dat een verstandelijke beperking weliswaar als geestelijke stoornis kan gelden, maar dat dit op zichzelf onvoldoende is voor toepassing van art. 3:34 BW.
Daarvoor zal ook moeten komen vast te staan dat de beperking van dien aard was dat de betrokkene niet in staat was de bij de rechtshandeling betrokken belangen te waarderen, of dat de rechtshandeling onder invloed van die beperking is gedaan.
Uit art. 3:34 BW vloeit voort dat de wilsonbekwaamheid van de testateur moet worden beoordeeld naar het moment van het passeren van het testament.
Ik keer terug naar het middel.
Het Onderdeel klaagt dat het hof bij het beoordelen van de wilsbekwaamheid van erflater een te beperkte maatstaf zou hebben gehanteerd, als gevolg waarvan het hof een te beperkt aantal omstandigheden in zijn beoordeling heeft betrokken.
Het hof had moeten aansluiten bij de uitgebreide maatstaf die het hof Arnhem-Leeuwarden in een vergelijkbare zaak heeft gehanteerd.
Voor zover het hof wel van een juiste maatstaf is uitgegaan, is het oordeel onbegrijpelijk om een aantal in het onderdeel uiteengezette redenen.
Uit het eindarrest blijkt dat het hof de juiste maatstaf van art. 3:34 lid 1 BW heeft gehanteerd.
Het hof heeft namelijk terecht overwogen dat de vraag moet worden beantwoord of bij erflater op het moment van het passeren van zijn uiterste wil in 1999 een stoornis bestond als gevolg waarvan hij niet zijn wil kon bepalen.
Het onderdeel klaagt nog dat het hof bepaalde omstandigheden ten onrechte niet in zijn beoordeling zou hebben betrokken, waaronder de vraag of erflater inzicht had in zijn situatie.
Uiteraard kan het antwoord op deze vraag van belang zijn voor de beoordeling van de wilsbekwaamheid, maar uit art. 3:34 lid 1 BW volgt als zodanig niet dat deze vraag steeds onderdeel van het toetsingskader dient te zijn.
Dat geldt ook voor de andere omstandigheden die het onderdeel noemt.
In het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden, waarnaar het onderdeel verwijst, heeft dat hof een iets ruimere maatstaf aangelegd door onder meer te toetsen of de betrokkene in staat was de van de notaris verkregen informatie te begrijpen.
Mogelijk is daarmee aansluiting gezocht bij een richtlijn uit het Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid, hoewel dit niet uitdrukkelijk uit het arrest blijkt.
Tussen de zaak die ten grondslag lag aan het arrest van het hof Arnhem-Leeuwarden en de onderhavige zaak bestaan echter belangrijke verschillen.
In de zaak bij het hof Arnhem-Leeuwarden ging het om de vraag of de erflater wilsbekwaam was om op 22 januari 2010 een testament te maken, terwijl hij op dat moment volgens deskundigen verward en gedesoriënteerd was en zich niet meer zelfstandig kon handhaven, terwijl deze deskundigen ook constateren dat er onder bepaalde voorwaarden nog ruimte voor wilsbekwaamheid is.
De erflater had in zijn testament twee van zijn drie kinderen onterfd, hetgeen volgens het hof Arnhem-Leeuwarden ‘een ingrijpende beslissing (is) die voor de onterfde kinderen verstrekkende en – behoudens aanspraken op grond van de legitieme portie en de andere wettelijke rechten – onherstelbare gevolgen heeft’.
In de zaak die thans in cassatie aan de orde is, gaat het om de vraag of erflater ten tijde van het maken van het testament op 20 mei 1999 wilsonbekwaam was, terwijl hij op dat moment zelfstandig woonde en pas op 3 december 2009 onder bewind werd gesteld en een mentor werd benoemd.
Ook was – vergeleken met het testament in de zaak van het hof Arnhem-Leeuwarden – de beslissing van erflater minder ‘ingrijpend’: erflater was immers ongehuwd, had geen nakomelingen en had in zijn testament verweerders tot zijn enig erfgenamen benoemd.
Ik meen dat het de rechter vrij staat om per geval een nadere concretisering van de maatstaf van art. 3:34 lid 1 BW aan te leggen.
In het ene geval zal die maatstaf uitgebreider zijn dan in het andere geval.
In de onderhavige zaak heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd.
In het arrest van 31 juli 2018 heeft het hof overwogen dat uit de verklaring van de getuige (voormalig huisarts van erflater) volgt dat erflater eenvoudige dingen begreep, kenbaar kon maken wat hij wel of niet wilde en ook in staat was om met behulp van derden zelfstandig te leven.
Het hof heeft hieruit geconcludeerd dat niet kan worden geoordeeld dat erflater de gevolgen van zijn uiterste wil niet kon overzien, temeer omdat het een relatief eenvoudig testament betrof.
De klacht stuit op het voorgaande af.
Het onderdeel richt nog motiveringsklachten tegen het oordeel van het hof dat niet is gebleken van een stoornis van de geestvermogens als gevolg waarvan erflater zijn wil niet kon bepalen.
Een aantal van deze klachten heeft betrekking op de waardering van getuigenverklaringen.
Op grond van art. 152 lid 2 Rv is de rechter vrij in de waardering van getuigenbewijs.
De beoordeling welke waarde aan een verklaring wordt toegekend, en of die verklaring wel of niet bewijs voor een bepaalde stelling oplevert, is aan de rechter overgelaten.
De rechter heeft daarbij bovendien een beperkte motiveringsplicht.
Wilt u de gehele conclusie bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.