Erfrecht. Vaststelling wilsonbekwaamheid erflater. Herroeping testament. Beroepsgeheim huisarts en notaris. Voldoende zwaarwegend belang bij inzage in medisch dossier? Bewijs.
Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 4 mei 2021 uitspraak gedaan in hoger beroep van een kort geding over de vraag of er voldoende zwaarwegend belang bestond bij de inzage van een herroepen testament bij gestelde wilsonbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament.
In het kort gaat het in deze zaak erom dat appellanten menen dat erflaatster in het herroepen testament alleen hen tot erfgenamen had benoemd, en niet de andere nicht en neven.
Zij gaan ervan uit dat hun dus in het herroepen testament een groter erfdeel was toegekend dan in het laatste testament, namelijk ieder de helft van de nalatenschap in plaats van 1/6e deel.
Zij stellen dat erflaatster bij het laatste testament wilsonbekwaam was en wensen dit testament te laten vernietigen.
Met het oog hierop willen appellanten dat de notaris hun inlichtingen verstrekt over de inhoud van het herroepen testament en hun daarvan een afschrift of uittreksel verstrekt voor het geval hun erfdeel volgens het herroepen testament groter was dan ieder 1/6e deel.
Van de huisarts willen appellanten inzage in het medisch dossier van erflaatster, in verband met het bewijs van de wilsonbekwaamheid van erflaatster.
De voorzieningenrechter heeft alle vorderingen van appellanten afgewezen.
Ten aanzien van de huisarts heeft de voorzieningenrechter overwogen, kort gezegd, dat er geen voldoende zwaarwegend belang is dat het doorbreken van het medisch beroepsgeheim rechtvaardigt.
Bovendien zijn er volgens de voorzieningenrechter geen concrete aanwijzingen dat erflaatster bij het maken van het testament wilsonbekwaam was.
Verder is niet aannemelijk dat erflaatster bij leven aan appellanten toestemming zou hebben verleend om haar medisch dossier in te zien en is evenmin aannemelijk dat appellanten de beweerde wilsonbekwaamheid niet op andere wijze kunnen bewijzen.
Ten aanzien van de notaris heeft de voorzieningenrechter overwogen, eveneens kort gezegd, dat niet aannemelijk is geworden dat appellanten een recht aan het herroepen testament kunnen ontlenen, zij hebben alleen vermoedens.
Verder had de notaris bij het verlijden van het testament geen reden om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van erflaatster en is niet aannemelijk gemaakt dat erflaatster wilsonbekwaam was.
Erfrecht. Vaststelling van wilsonbekwaamheid erflater. Herroeping testament. Beroepsgeheim huisarts en notaris. Voldoende zwaarwegend belang bij inzage in medisch dossier? Bewijs.
De rechter oordeelt als volgt.
Het hof bespreekt de grieven gezamenlijk.
Krachtens art. 7:457 BW draagt de hulpverlener zorg dat aan anderen dan de patiënt geen inlichtingen over de patiënt dan wel inzage in of afschrift van de gegevens uit het dossier worden verstrekt dan met toestemming van de patiënt.
Dit beroepsgeheim geldt ook na de dood van de patiënt.
Op de plicht tot geheimhouding zijn echter uitzonderingen mogelijk.
Op 1 januari 2020 is art. 7:458a BW in werking getreden.
Dit artikel luidt, voor zover hier van belang:
- In afwijking van het bepaalde in artikel 7:457 lid 1 verstrekt de hulpverlener desgevraagd inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van een overleden patiënt aan:
- een persoon ten behoeve van wie de patiënt bij leven toestemming heeft gegeven indien die toestemming schriftelijk of elektronisch is vastgelegd;
- (…);
- een ieder die een zwaarwegend belang heeft en aannemelijk maakt dat dit belang mogelijk wordt geschaad en dat inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang.
- (…)
- Op grond van dit artikel worden uitsluitend gegevens verstrekt voor zover deze betrekking hebben op de grond waarvoor inzage wordt verleend.
Erflaatster heeft bij haar leven geen toestemming gegeven ten behoeve van appellanten voor inzage in haar medisch dossier dat bij de huisarts berust (art. 7:458a lid 1, aanhef en onder a, BW).
De huisarts mag appellanten daarom alleen inzage in of afschrift van gegevens uit het medisch dossier van erflaatster verstrekken, indien appellanten daarbij een zwaarwegend belang hebben en aannemelijk maken dat dit belang zonder inzage of afschrift mogelijk wordt geschaad, terwijl inzage of afschrift noodzakelijk is voor het behartigen van dit belang (art. 7:458a lid 1, aanhef en onder c, BW).
Deze regel bestond volgens vaste rechtspraak al onder het vóór 1 januari 2020 geldende recht.
Het gaat er dus om of appellanten een zwaarwegend belang hebben bij inzage of afschrift dat het doorbreken van het beroepsgeheim van de huisarts rechtvaardigt.
Een zwaarwegend belang kan zijn gelegen in de wens om een testament te laten vernietigen (Kamerstukken II, 2017-2018, 34 994, nr. 3, p. 11-14).
Daarvan is in het algemeen sprake indien een testament (recent) is gewijzigd waardoor betrokkenen zijn onterfd.
Als er tevens concrete aanwijzingen zijn om te vermoeden dat de erflater ten tijde van het wijzigen van het testament wilsonbekwaam was, kan dit het doorbreken van het beroepsgeheim van de huisarts rechtvaardigen.
Anders dan appellanten lijken te veronderstellen, wordt hiermee niet de eis gesteld dat de wilsonbekwaamheid moet vaststaan of aannemelijk moet zijn.
Wel moet voldoende zijn aangevoerd om een vermoeden van wilsonbekwaamheid te rechtvaardigen.
In dit geval zijn appellanten door het laatste testament niet onterfd.
Zij zijn door het testament benoemd als (mede-)erfgenamen.
Het staat ook niet vast dat zij een kleiner erfdeel ontvangen door het herroepen van het eerdere testament.
In wezen hebben appellanten slechts de veronderstelling dat dit zo is.
Zij kennen immers de inhoud van het herroepen testament niet.
Zelfs als zij uit uitlatingen die erflaatster ten tijde van het maken van het herroepen testament hebben begrepen dat zij een groter erfdeel zouden ontvangen dan op grond van het laatste testament het geval is, wil dit niet zeggen dat erflaatster destijds heeft gedaan wat zij volgens appellanten heeft gezegd. Zij kan haar redenen hebben gehad om iets dergelijks tegen appellanten te zeggen, maar het tegelijk anders te regelen.
Overigens stellen appellanten niet dat erflaatster tegen hen heeft gezegd dat zij erfgenamen zouden worden voor ieder de helft van haar nalatenschap, althans een groter deel dan 1/6e.
Zij stellen alleen dat erflaatster hen om hun paspoort heeft gevraagd en heeft gezegd dat zij hen samen in haar testament zou benoemen.
Het volgt evenmin uit de beweerde uitlating van een medewerker van de notaris. Volgens appellanten heeft deze medewerker na het overlijden van erflaatster aan appellante bevestigd dat zij samen met één andere persoon in het herroepen testament tot erfgenaam was benoemd.
Daargelaten dat de notaris deze uitlating weerspreekt, maken appellanten niet duidelijk op grond waarvan moet worden aangenomen dat de aan de medewerker van de notaris toegeschreven uitlatingen waar zijn. Het enkele feit dat deze medewerker is verbonden aan het kantoor van de notaris, betekent niet dat hij wetenschap heeft van de inhoud van alle akten die behoren tot het protocol van de notarissen van dat kantoor. De uitlatingen zeggen overigens ook niets over de grootte van de erfdelen van appellanten.
Het is dus speculatie.
Het hof merkt nog op dat als het beroepsgeheim van de notaris hem belet om beweringen van appellanten tegen te spreken, appellanten daar niet met succes de conclusie aan kunnen verbinden dat de beweringen bij gebreke van tegenspraak voor waar moeten worden gehouden.
Dit geldt dus ook waar de notaris met een beroep op zijn beroepsgeheim de beweringen van appellanten over hun erfdeel volgens het herroepen testament niet tegenspreekt.
Het hof voegt ten overvloede hieraan toe dat appellanten over de omvang van de nalatenschap niets hebben aangevoerd, zodat niet duidelijk is of zij een zwaarwegend financieel belang hebben.
Het hof is verder voorshands van oordeel dat er onvoldoende concrete aanwijzingen zijn om te vermoeden dat erflaatster ten tijde van het maken van het testament, waarbij het eerdere testament is herroepen, wilsonbekwaam was.
Het hof neemt daarbij het volgende in aanmerking.
Erflaatster was ten tijde van het maken van het testament handelingsbekwaam.
Ook waren haar goederen niet onder bewind gesteld.
Het uitgangspunt is daarom dat zij in staat was haar wil te bepalen.
Daarbij mag niet uit het oog worden verloren dat het er in dit geval niet om gaat of erflaatster in alles haar wil kon bepalen, maar alleen of zij daartoe in staat was ten aanzien van het laatste testament, en dan in het bijzonder het benoemen van alle nichten en neven tot erfgenamen voor gelijke delen.
Het is immers alleen deze regeling waartegen appellanten bezwaren hebben.
Het hof acht in dit verband in de eerste plaats van belang dat deze regeling eenvoudig is te begrijpen: alle nichten en neven, en allen evenveel.
Erflaatster behoefde dus bij het maken van het laatste testament op dit punt geen complexe regeling te doorgronden.
Het is bovendien geen ongebruikelijke regeling, zoals de notaris heeft opgemerkt.
Het hof voegt eraan toe dat de regeling gebruikelijker overkomt en minder vragen oproept dan een regeling waarbij de ene nicht of neef wordt bevoordeeld boven de andere.
Appellanten hebben beschreven dat erflaatster sinds 2015 verwarder en vergeetachtiger werd, zich minder goed verzorgde en haar huishouden ging verwaarlozen. Zij nam meer afstand van haar omgeving, aldus appellanten.
Zij wijzen in dit verband op verklaringen van diverse personen.
Bovendien was erflaatster vanaf 2015 onder behandeling van de afdeling psychologie/geriatrie, specifiek de geheugenpoli. Zij kreeg ook medicijnen. In april 2016 is haar rijbewijs niet verlengd. In mei of juni 2016 heeft zij tegen een vriendin gezegd dat ze met een broer naar de notaris moest, maar volgens de vriendin wist ze niet te zeggen waarvoor.
Al deze omstandigheden zijn niet voldoende om het vermoeden te rechtvaardigen dat erflaatster bij het maken van het testament de eenvoudige en niet ongebruikelijke regeling die daarin is opgenomen, niet heeft kunnen begrijpen en haar wil daarover niet heeft kunnen bepalen.
Ook als zij bij tijd en wijle in de war was, haar geheugen minder werd en zij medicijnen gebruikte, brengt dit niet mee dat zij niet in staat was om in een gesprek met de notaris mee te delen wat haar uiterste wil was en om, al dan niet na uitleg door de notaris, te begrijpen dat de regeling in het testament inhield dat alle nichten en neven als erfgenamen evenveel zouden ontvangen en om te bepalen of zij het daarmee eens was of niet.
Dit wordt niet anders indien de broer van de moeder of een ander voor erflaatster een afspraak bij de notaris heeft gemaakt.
Evenmin als zou komen vast te staan dat destijds al sprake was van enige vorm van een ziekte, zoals Alzheimer.
Het is niet zo dat ieder die aan een dergelijke ziekte lijdt, op geen moment en in geen enkel opzicht (voldoende) in staat is zijn wil te bepalen.
In dit verband is ook van belang wat de notaris heeft verklaard over de gang van zaken bij het maken van het testament.
Volgens de notaris was de gang van zaken als volgt.
De notaris heeft op 9 juni 2016 met erflaatster gesproken.
Daarbij was geen ander aanwezig.
In dit gesprek heeft erflaatster haar wensen kenbaar gemaakt.
Aan de hand daarvan is een ontwerp van het testament opgemaakt. Op 13 juni 2016 is het ontwerp van het testament naar het woonadres van erflaatster gezonden. Op 23 juni 2016 is erflaatster weer bij de notaris gekomen voor het verlijden van het testament. Het verlijden heeft ongeveer 40 minuten geduurd, waarbij alleen erflaatster en de notaris aanwezig waren.
De notaris heeft daarbij het testament toegelicht, uitgelegd wat het testament inhield en zich ervan vergewist dat erflaatster dit begreep.
De notaris had geen enkele aanwijzing dat erflaatster niet wilsbekwaam was en evenmin enige twijfel over haar wilsbekwaamheid.
Concrete feiten of omstandigheden waaruit kan worden opgemaakt dat de lezing van de notaris onjuist is, hebben appellanten niet aangedragen.
Het hof tekent hierbij aan dat het (verder) toepassen van het zogenoemde Stappenplan Beoordeling Wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening van de KNB pas aan de orde zou zijn gekomen als de notaris reden had om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van erflaatster.
In de regel wordt aangenomen dat het moet gaan om gerede twijfel.
Dat de notaris gerede twijfel moest hebben, volgt niet uit de stellingen van appellanten.
De indicatoren die volgens het Stappenplan aanleiding kunnen zijn voor een nadere beoordeling van de wilsbekwaamheid, wezen daar ook niet op.
De indruk die de notaris kennelijk bij het maken van het testament over de wilsbekwaamheid van erflaatster heeft opgedaan, past bij hetgeen de kantonrechter ongeveer een jaar later heeft overwogen in de beschikking, waarbij de goederen van erflaatster onder bewind zijn gesteld:
‘Ter zitting is de kantonrechter gebleken dat rechthebbende in staat is om zelf aan de bewindvoerder toestemming te geven voor het doen van beschikkingshandelingen. De rechthebbende wordt in staat geacht de rekening en verantwoording ter goedkeuring te ondertekenen.’
Als erflaatster volgens de kantonrechter toen nog in staat was om toestemming te geven voor beschikkingshandelingen, valt te minder in te zien dat zij een jaar daarvoor haar wil niet heeft kunnen bepalen ten aanzien van de eenvoudig te begrijpen, niet ongebruikelijke, uiterste wilsbeschikking die in het laatste testament is opgenomen.
Bovendien heeft de kantonrechter erflaatster gevolgd in haar kennelijke wens om haar broer te benoemen tot bewindvoerder en mentor.
Alles bij elkaar komt het hof tot de volgende conclusie.
Hetgeen appellanten hebben beschreven, wijst wellicht erop dat erflaatster zich bevond in een proces waarbij haar geestelijke vermogens afnamen.
Uit de beschrijving kan echter niet worden opgemaakt dat erflaatster zich in een zodanige fase van dat proces bevond, dat zij niet meer in staat was om haar wil te bepalen ten aanzien van de eenvoudige en in het algemeen gebruikelijk te achten wens om alle nichten en neven in gelijke mate te laten delen in de nalatenschap.
Het is met name dit laatste aspect, het kunnen bepalen van de wil ten aanzien van deze ene concrete wens, waaraan appellanten onvoldoende recht doen als zij stellen dat hun beschrijving van de feitelijke situatie een vermoeden van wilsonbekwaamheid rechtvaardigt.
De slotsom ten aanzien van het beroepsgeheim van de huisarts is dat een zwaarwegend belang bij het doorbreken van het beroepsheim voorshands onvoldoende aannemelijk is gemaakt en het doorbreken bovendien niet wordt gerechtvaardigd door concrete aanwijzingen dat erflaatster buiten staat was haar wil te bepalen ten aanzien van het maken van het testament dat appellanten willen laten vernietigen.
De vorderingen van appellanten tegen de huisarts zijn dus terecht afgewezen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.