Erfrecht. Procesrecht. Nietigheid van de wilsbeschikking in testament heeft absolute werking en geldt tevens tegenover de partijen die in hoger beroep zijn opgeroepen.
De Rechtbank Gelderland heeft op 12 mei 2021 uitspraak gedaan over de vraag of de nietigheid van de wilsbeschikking op grond van artikel 3:34 lid 2 BW absolute werking had en tevens gold tegenover de partijen die in hoger beroep op grond van artikel 118 Rv waren opgeroepen.
Het gaat in deze zaak wat de gevolgen zijn van het arrest.
Volgens P kan alleen gedaagde een beroep doen op de nietigheid van de uiterste wilsbeschikking in het testament en alleen voor haar deel.
Volgens gedaagde geldt de erfstelling in het testament helemaal niet meer omdat het hof de uiterste wilsbeschikking nietig heeft verklaard.
P is daarom geen erfgenaam en alleen gedaagde en haar broer en zussen zijn erfgenamen.
Omdat alleen een erfgenaam verdeling kan vorderen zou daarom de vordering van P afgewezen moeten worden.
Erfrecht. Procesrecht. Nietigheid van de wilsbeschikking in testament heeft absolute werking en geldt tevens tegenover de partijen die in hoger beroep zijn opgeroepen. Processueel ondeelbare rechtsverhouding.
De rechter oordeelt als volgt.
Naar het oordeel van de rechtbank is het standpunt van gedaagde juist.
P is geen erfgenaam en kan zodoende geen beroep doen op het testament en geen verdeling van de gemeenschap vorderen.
De rechtbank zal hieronder motiveren hoe zij tot dit oordeel komt.
Het toetsingskader
In de eerste plaats merkt de rechtbank op dat partijen zich in de processtukken in deze zaak inhoudelijk hebben uitgelaten over de vraag waarom het testament vernietigbaar dan wel nietig zou zijn.
In deze zaak gaat de rechtbank niet opnieuw in op de nietigheid of vernietigbaarheid van het testament.
Dit is niet gevorderd en bovendien is deze beoordeling al gedaan door het hof.
De rechtbank gaat er daarom vanuit dat deze uitlatingen dienden ter toelichting van de zaak en niet ter onderbouwing van de vorderingen die ter beoordeling voorliggen in deze zaak.
De rechtbank beoordeelt in deze zaak in conventie alleen de gevolgen van het arrest.
Een rechtshandeling is nietig, wanneer ten gevolge van een daaraan klevend gebrek de bij het aangaan van die rechtshandeling bedoelde rechtsgevolgen niet intreden. In de hoofdregel heeft de nietigheid absolute werking: zij werkt tegenover iedereen en de met de nietige rechtshandeling beoogde rechtsgevolgen treden niet in.
Eenvoudig gezegd: de rechtshandeling heeft nooit plaatsgevonden.
Soms blijkt uit de wettelijke bepaling, dan wel uit de jurisprudentie, dat de nietigheid niet tegenover iedereen geldt, in dat geval heeft de nietigheid relatieve werking en geldt dan alleen tegenover in de wet of jurisprudentie bepaalde personen.
Indien is vast komen te staan dat een met de verklaring overeenstemmende wil van iemand wordt geacht te ontbreken omdat deze een geestelijke stoornis had zoals bedoeld in artikel 3:34 lid 1 BW, is het gevolg op grond van artikel 3:34 lid 2 BW dat de rechtshandeling vernietigbaar is, tenzij het om een eenzijdige rechtshandeling gaat die niet tot een of meer bepaalde personen gericht was, deze rechtshandeling wordt door het ontbreken van de wil nietig.
Onder deze laatste regel valt bijvoorbeeld een testament (vgl. Hoge Raad, 13 februari 2015, HR:2015:311, NJ 2015/350).
De nietigheid van een uiterste wilsbeschikking treedt dus van rechtswege in en heeft absolute werking.
De kring van personen die geraakt worden door de nietigheid is immers niet beperkt in artikel 3:34 lid 2 BW tweede zin noch door de jurisprudentie.
Beperking van de kring van personen tot degene die een vordering instelt zou ook in strijd zijn met de ratio van de laatste zin van artikel 3:34 lid 2 BW.
Een rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen gericht was is juist nietig om derden, bijvoorbeeld nabestaanden bij een testament, zekerheid te geven over het al dan niet bestaan van de rechtshandeling, in dit geval een uiterste wilsbeschikking. Deze zekerheid ontbreekt als er sprake zou zijn van relatieve nietigheid.
Het is noodzakelijk dat een beslissing over de nietigheid van de uiterste wilsbeschikking van een erflater ten aanzien van alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen hetzelfde is omdat sprake is van een processueel ondeelbare rechtsvordering.
Eenvoudig gezegd moet ten aanzien van alle (mogelijke) partijen die in die rechtsverhouding (in dit geval nalatenschap) zijn betrokken hetzelfde gelden. Indien niet alle bij een processueel ondeelbare rechtsverhouding betrokken partijen in de procedure zijn betrokken dient de rechter, al dan niet ambtshalve, de meest gerede partij te bevelen de andere partijen op te roepen op grond van artikel 118 Rv.
Artikel 118 Rv bepaalt niet wanneer de derden (uiterlijk) opgeroepen kunnen worden.
Een oproeping kan ook in hoger beroep nog op tijd zijn indien de opgeroepene zich zonder eigen argumentatie aansluit bij het standpunt van één der partijen of zich refereert (vlg. Hoge Raad, 7 maart 2003, HR:2003:AF2159).
De conform artikel 118 Rv opgeroepene wordt partij in de procedure.
Een op tegenspraak gewezen uitspraak geldt dus ook jegens hem.
De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 10 maart 2017, HR:2017:411, r.o. 3.5.4 het volgende overwogen over de processueel ondeelbare rechtsverhouding:
“De in kracht van gewijsde gegane beslissing van de rechter over een processueel ondeelbare rechtsverhouding heeft steeds jegens alle bij die rechtsverhouding betrokken partijen gezag van gewijsde, zowel indien gewezen in eerste aanleg als indien gewezen in volgende instanties, en ongeacht door en tegen wie de vordering is ingesteld en ongeacht wie tegen de vordering verweer heeft gevoerd”.
Zoals overwogen heeft de nietigheid van een uiterste wilsbeschikking omdat er sprake was van een geestelijke stoornis bij erflater ten tijde van het opstellen van deze wilsbeschikking absolute werking.
Het hof heeft in deze zaak de wilsbeschikking van erflater om voornoemde redenen nietig verklaard.
De bij het aangaan van de rechtshandeling bedoelde rechtsgevolgen, in deze zaak het benoemen van P als enig erfgenaam en de daarbij behorende last, zijn daarom niet ingetreden.
De wilsbeschikking heeft nooit plaatsgevonden.
Dit betekent dat voor P de grondslag waar zij haar stelling op baseert, namelijk dat zij erfgenaam is, ontbreekt.
Voornoemd oordeel is niet anders vanwege het feit dat de broer en zussen van gedaagde eerst in hoger beroep in de procedure zijn verschenen.
Het hof heeft immers geoordeeld dat een beroep op nietigheid op grond van artikel 3:34 lid 2 BW een processuele ondeelbare rechtsverhouding is.
Met andere woorden deze vordering kan niet opgesplitst (“gedeeld”) worden tussen gedaagde en haar broer en zussen.
Omdat deze vordering niet deelbaar is heeft het hof gedaagde bevolen, op straffe van niet-ontvankelijkheid, haar broer en zussen in het geding op te roepen.
Dit heeft gedaagde gedaan.
Haar broer en zussen zijn vervolgens in de procedure verschenen met dezelfde raadsman als gedaagde en hebben verklaard zich te scharen aan de zijde van gedaagde.
Zij zijn daarmee partij geworden in de procedure die in eerste instantie alleen gold tussen P en gedaagde.
Anders dan P aanvoert hoeven de broer en zussen teneinde partij te worden geen zelfstandige vordering in te stellen.
Omdat er sprake is van een processuele ondeelbare rechtsverhouding heeft de vordering die gedaagde had ingesteld dezelfde gevolgen voor haar broer en zussen.
Er is een arrest gewezen op tegenspraak tussen alle partijen.
Hiertegen is geen rechtsmiddel aangewend.
Daarmee heeft het arrest van het hof van 30 juli 2019 tevens gezag van gewijsde gekregen tegen de broer en zussen.
P heeft nog gesteld dat ondanks dat de broer en zussen van gedaagde in het geding in hoger beroep zijn betrokken (en verschenen) hun recht om vernietiging van het testament te vorderen op dat moment was verjaard conform artikel 4:54 lid 2 BW.
De rechtbank gaat hieraan voorbij omdat artikel 4:54 BW ziet op verjaring van de vordering tot vernietiging en niet op de door het hof toegewezen grondslag die leidt tot nietigheid.
De door gedaagde ingestelde vorderingen hebben geresulteerd in een absolute nietigheid conform 3:34 lid 2 BW.
Dit geldt voor alle betrokken deelgenoten op dezelfde manier.
Conform het arrest is de nietigheidsgrond gelegen in een stoornis van de geestvermogens van erflater die een redelijke waardering van de belangen die bij de uiterste wilsbeschikking in zijn testament zijn betrokken belette en dat de wil tot het maken van deze uiterste wilsbeschikking bij erflater ontbrak.
Door dit wilsgebrek wordt het testament geacht nooit bestaan te hebben.
De redenering van P dat het testament slechts ten dele nietig zou zijn staat hier haaks op.
Als deze denkwijze zou worden gevolgd dan zou dit alsnog nog leiden tot een gedeeltelijk geldige wilsbeschikking van iemand wiens wil daartoe ontbrak.
Het enkele feit dat de broer en zussen geen zelfstandige vordering hebben ingesteld leidt er niet toe dat dit wilsgebrek ten aanzien van hun aandeel wordt geheeld of dat anderszins de gedane – en nietig verklaarde – wilsbeschikking nog enige kracht toekomt.
Evenmin is op enige andere grondslag reden om te oordelen dat P de erfdelen van de broer en zussen van gedaagde toekomt.
P heeft ter onderbouwing van haar stelling dat de nietigheid van het testament relatieve werking heeft een overweging van het hof in het tussenarrest genoemd en gewezen op uitlatingen tijdens de mondelinge behandelingen.
P kan hier echter geen rechten aan ontlenen omdat het noch in het tussenarrest noch in het proces-verbaal om een einduitspraak gaat.
Het hof heeft in het tussenarrest en ter zitting geconstateerd dat de positie van gedaagde ongeacht de uitkomst in het incidenteel hoger beroep weinig zou veranderen omdat zij immers steeds 1/4e erfgenaam is.
P heeft daar kennelijk de conclusie aan verbonden dat haar eigen positie en die van de broer en zussen ook niet afhankelijk was van de uitkomst in incidenteel hoger beroep.
Met andere woorden: P concludeerde hieruit dat ook zij steeds 3/4e erfgenaam zou zijn.
Dit is onjuist en kan ook niet uit de overweging van het hof worden opgemaakt.
De rechtbank verstaat de overweging van het hof zo dat zij gedaagde voorhield wat haar positie zou zijn indien zij zich zou neerleggen bij de beslissing van het hof in principaal hoger beroep in het geval het incidentele hoger beroep zou falen en wat haar positie zou zijn indien haar incidentele vordering in hoger beroep zou slagen.
Een gelijk erfdeel als erfgenaam in beide gevallen zou een afweging voor gedaagde kunnen zijn om zich neer te leggen bij de uitkomst in principaal beroep en bijvoorbeeld niet-ontvankelijkheid uit te lokken in incidenteel hoger beroep door haar broer en zussen niet op te roepen in de procedure.
Het hof refereert hier slechts aan het erfdeel van gedaagde in de genoemde gevallen, niet dat van P.
Voor zover P een beroep heeft gedaan op voornoemde overweging van het hof mag dat haar dan ook om die reden niet baten.
Het betreft een niet dragende overweging die partijen slechts aanspoort om in het licht van een mogelijk uitkomst voor één van de partijen de voortgang van de procedure te overwegen en geeft geen eindbeslissing over de nietigheid van het testament noch over de positie van P in dat geval.
Uit het voorgaande volgt dat P geen erfgenaam is van erflater en daarom geen verdeling van de nalatenschap van erflater kan vorderen.
De vorderingen van P worden daarom afgewezen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.