Erfrecht. Schenking. Vernietiging? Bewind. Misbruik van omstandigheden? Wilsonbekwaamheid? Bewijs. Volmacht.
De Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft op 12 mei 2021 uitspraak gedaan over de vraag of een schenking, gedaan door een bewindvoerder, vernietigd diende te worden wegens misbruik van omstandigheden.
Gelet op de primaire grondslag van de vordering, het ontbreken van een rechtsgrond voor de betaling door de bewindvoerder aan gedaagde, dient de vraag of sprake is geweest van een schenking als eerste te worden beantwoord.
De rechtbank is van oordeel dat er op 25 mei 2018 een overeenkomst tot schenking tot stand is gekomen tussen de bewindvoerder en gedaagde als bedoeld in artikel 7:175 BW.
Daartoe wordt het volgende overwogen.
Een schenking komt, zoals elke overeenkomst, tot stand door aanbod en aanvaarding (ex artikel 6:217 BW).
Een schenking is niet aan bepaalde vormvoorschriften gebonden.
Op grond van artikel 7:175 lid 1 BW is een schenking een overeenkomst om niet, die ertoe strekt dat de ene partij, de schenker, ten koste van eigen vermogen de andere partij, de begiftigde, verrijkt.
Ingevolge artikel 7:175 lid 2 BW geldt het schenkingsaanbod als aangenomen, wanneer de begiftigde het niet onverwijld heeft afgewezen na er kennis van te hebben genomen.
Er moet verder sprake zijn van vrijgevigheid.
De wil van de schenker is het criterium om te bepalen of aan de bevoordelingsbedoeling van artikel 7:175 BW is voldaan.
De bevoordelingsbedoeling dient te blijken uit feiten en omstandigheden waaruit volgt dat de bewustheid en de wil tot bevoordeling aanwezig is.
Onvoldoende is het enkele feit dat de degene die ten koste van zijn eigen vermogen een ander bevoordeelt, zich van die bevoordeling bewust is: de verrijking moet ook door de schenker zijn gewild (Hoge Raad, 15 juni 1994, NJ 1995/577 en Hoge Raad, 12 juli 2002, HR:2002:AD7272).
Het achterliggend motief van de schenker speelt echter geen rol (Hoge Raad, 11 april 2003, HR:2003:AF3410).
Of er sprake is van een bevoordelingsbedoeling wordt namelijk beoordeeld op het moment dat de overeenkomst tot stand komt (Hoge Raad, 3 mei 2013, HR:2013:BY8147).
Erfrecht. Schenking. Vernietiging? Misbruik van omstandigheden? Wilsonbekwaamheid? Bewijs. Volmacht. Bewind.
De rechter oordeelt als volgt.
Uit het feit dat gedaagde tijdens het telefoongesprek tweemaal het bedrag van € 100.000,00 heeft genoemd blijkt voorts dat de bewindvoerder wetenschap had van de omvang van de schenking en dat het schenkingsaanbod op dat moment voldoende bepaalbaar was (ex artikel 6:227 BW).
Dat het woord schenking niet letterlijk is genoemd, doet aan het vorenstaande niet af.
De schenking is daarom in dit geval, omdat deze door gedaagde niet onverwijld is afgewezen, tot stand gekomen.
Is sprake van misbruik van omstandigheden ex artikel 7:176 BW?
Nu vast is gesteld dat sprake is geweest van een schenking van de bewindvoerder aan gedaagde, dient de vraag te worden beantwoord of deze schenking onder invloed van misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen.
Degene die onder invloed van misbruik van omstandigheden een rechtshandeling verricht, heeft weliswaar de wil om die rechtshandeling tot stand te brengen, doch er kan niet worden gezegd dat deze wil berust op een werkelijk en volwaardig proces van vrije wilsvorming.
Onder invloed van misbruik van bijzondere omstandigheden is de wil van de handelende geleid in een richting, waarin hij anders niet gegaan zou zijn.
Er wordt bij misbruik van omstandigheden aldus verondersteld dat er een wil is, zij het dat deze op gebrekkige wijze is gevormd.
Een schenking is op grond van artikel 1:176 BW vernietigbaar als komt vast te staan dat de schenking onder misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen.
Op grond van artikel 3:44 lid 4 BW is daarvan sprake wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals afhankelijkheid of een abnormale geestestoestand wordt bewogen tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, terwijl hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.
Volgens eiser rechtvaardigen de volgende door hem gestelde omstandigheden een beroep op misbruik van omstandigheden:
– de bewindvoerder was ten tijde van de schenking niet meer volledig in staat haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van haar geestelijke toestand;
– de gedaagde heeft de handtekening van de bewindvoerder buiten haar medeweten middels een kunstgreep op de bevestigingsbrief van 27 mei 2018 aangebracht;
– de overboeking van € 100.000,00 is van grote omvang en aldus van groot nadeel;
– er is geen overleg gepleegd met de dochter van de bewindvoerder;
– van de schenking is geen notariële akte opgemaakt noch een onderhandse akte;
– gedaagde heeft de totstandkoming van de schenking bevorderd door misbruik te maken van de afhankelijkheid en abnormale geestestoestand van de bewindvoerder en van zijn volmacht.
Gezien de omstandigheden waar bewindvoerder in verkeerde, had gedaagde moeten begrijpen dat zij de schenking deed onder invloed van deze bijzondere omstandigheden.
De schenking is daarom vernietigbaar.
Gedaagde voert, kort gezegd, het volgende verweer.
Er zijn geen dan wel te weinig feiten en/of omstandigheden gesteld die de zware beschuldigingen van misbruik van omstandigheden kunnen dragen.
De bewindvoerder wilde zelf en zonder druk of beïnvloeding van gedaagde € 100.000 aan hem schenken.
De wil tot schenken had te maken met de afspraak die de twee zussen van de bewindvoerder met haar hadden gemaakt om bij het overlijden van elk van hen € 100.000,00 aan gedaagde te schenken.
Daaraan heeft de bewindvoerder na het overlijden van de betreffende zussen uitvoering gegeven met een eerste schenking van € 100.000,00 in 2014 en een tweede schenking met eenzelfde omvang op 25 mei 2018.
Uit niets blijkt dat bewindvoerder op 25 mei 2018 niet meer volledig in staat was haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van haar geestelijke toestand, laat staan dat daarvan misbruik is gemaakt.
De bewindvoerder wist wat zij deed en verkeerde geenszins in een afhankelijke positie van gedaagde.
Van misbruik van omstandigheden ten tijde van de schenking was géén sprake.
Ook is de omvang van de schenking, gelet op het vermogen van bewindvoerder en de eerdere in 2014 door haar gedane schenking met eenzelfde omvang, niet exorbitant.
Het was al jaren gebruikelijk dat afspraken mondeling werden gemaakt.
De rechtbank stelt voorop dat indien de schenker feiten stelt waaruit volgt dat de schenking door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen, de bewijslast van het tegendeel op de begiftigde rust, tenzij van de schenking een notariële akte is opgemaakt of deze verdeling van de bewijslast in de gegeven omstandigheden in strijd met de eisen van redelijkheid en billijkheid zou zijn, zo bepaalt artikel 7:176 BW.
De stelplicht met betrekking tot het bestaan van die omstandigheden, het causaal verband en het misbruik blijven evenwel op de schenker rusten.
Het is dan ook eerst aan eiser om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit een misbruik van omstandigheden kan worden opgemaakt.
Ter zitting heeft eiser nader toegelicht dat het misbruik in dit geval blijkt uit de geluidsopname waarin gedaagde “de leiding” neemt, welke laatste stelling door gedaagde is betwist.
De rechtbank is van oordeel dat eiser onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die het oordeel kunnen dragen dat de schenking aan gedaagde door misbruik van omstandigheden is gedaan.
Daartoe wordt het volgende overwogen.
Naar het oordeel van de rechtbank is onvoldoende gesteld om aan te kunnen nemen dat de bewindvoerder ten tijde van de schenking niet meer volledig in staat was haar vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van haar geestelijke toestand, dat dit voor gedaagde kenbaar was én dat hij daarvan misbruik heeft gemaakt.
Het enkele feit dat de bewindvoerder een dame op leeftijd was ten tijde van de schenking, is daartoe onvoldoende.
Het enkele feit dat gedaagde over een algemene volmacht beschikte ten tijde van de schenking, brengt ook niet mee dat bij de totstandkoming van de schenking sprake is geweest van misbruik van omstandigheden.
De rechtbank kan ook geen misbruik van omstandigheden afleiden uit de enkele omstandigheid dat geen overleg met de dochter is gevoerd of geen (notariële) akte is opgesteld.
Het doen van een schenking is immers vormvrij.
Tot slot kan uit hetgeen eiser heeft aangevoerd niet worden afgeleid dat de bewindvoerder door gedaagde tot het doen van de schenking is bewogen doordat zij van hem afhankelijk was.
Dat bewindvoerder geen ervaring had in het beheren van haar financiën omdat gedaagde dat al jaren voor haar deed en hij haar post opende, maakt niet zonder meer dat zij daardoor in een abnormale en afhankelijke geestestoestand verkeerde en de schenking derhalve onder invloed van misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen.
Uit het voorgaande is immers reeds genoegzaam gebleken dat de bewindvoerder de schenking heeft gewild en uit niets is (objectief) gebleken dat het feit dat gedaagde haar al jaren met de financiën hielp, de wilsvermogens van de bewindvoerder heeft gestoord.
Ook uit de omstandigheid dat gedaagde over een algemene volmacht beschikte kan de rechtbank geen afhankelijkheid afleiden.
Uit hetgeen in deze procedure naar voren is gebracht blijkt wel dat de bewindvoerder erg op gedaagde gesteld was en hem dusdanig vertrouwde dat zij hem algemene volmachten verleende.
Maar dat brengt nog niet mee dat in onderhavige situatie ook sprake was van afhankelijkheid op enigerlei gebied.
Dit betekent dat eiser onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die het oordeel kunnen dragen dat de schenking aan gedaagde door misbruik van omstandigheden is gedaan.
Hoewel het een lichte toets is waaraan niet al te hoge eisen worden gesteld, is het voor de rechtbank desondanks niet aannemelijk geworden dat er sprake is geweest van misbruik van omstandigheden.
Was de bewindvoerder op 25 mei 2018 wilsonbekwaam (ex artikel 3:34 BW) en is de schenking daarom vernietigbaar?
De schenking die bewindvoerder aan gedaagde heeft gedaan, is op grond van artikel 3:34 BW vernietigbaar als komt vast te staan dat de geestvermogens van de bewindvoerder als gevolg van de door eiser gestelde dementie waren gestoord ten tijde van de schenking.
Als dit blijkt, bestaat er een wettelijk vermoeden dat de schenking onder invloed van de stoornis is gedaan, nu de schenking op zich nadelig was voor het vermogen van de bewindvoerder.
Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) rust op eiser de stelplicht en bij betwisting de nadere onderbouwing en bewijslast dat de geestvermogens van de bewindvoerder ten tijde van de schenking waren verstoord.
Van een geestesstoornis in de zin van artikel 3:34 lid 1 BW is sprake in alle gevallen waarin de handelende persoon niet over een normale wil beschikt en zich geen rekenschap kan geven van wat hij doet of van de strekking van de handeling (zie conclusie PHR:2013:2378, 8, bij Hoge Raad, 21 februari 2014, HR:2014:414).
Het betoog van eiser komt erop neer dat de geestvermogens van de bewindvoerder op 25 mei 2018, ten tijde het doen van de schenking, zodanig verstoord waren door dementie dat een met de verklaring overeenstemmende wil geacht moet worden te ontbreken.
Daarbij wordt verwezen naar twee e-mails de dato 28 juni en 11 juli 2016 van een fysiotherapeut en een huisartsenbrief na onderzoek d.d. 20 februari 2017.
Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze stukken evenwel niet worden opgemaakt dat de bewindvoerder ten tijde van de schenking wilsonbekwaam was.
De rechtbank licht dit toe.
Weliswaar wordt in de huisartsenbrief de voorlopige diagnose “Dementie NAO” gesteld, maar kennelijk heeft het functioneren van bewindvoerder nadien geen aanleiding gegeven om na dat daaraan ten grondslag liggende onderzoek van 26 januari 2017 de beschreven cognitieve achteruitgang verder te onderzoeken.
Dit betekent dat uit het onderzoek geen (progressief) beeld van dementie kan worden vastgesteld noch dat bewindvoerder in mei 2018 als wilsonbekwaam kan worden aangemerkt.
Uit de e-mailberichten uit 2016 waarin een fysiotherapeut haar bezorgdheid over de geestelijke toestand van bewindvoerder uitspreekt, kan dat evenmin worden afgeleid.
Bovendien staat vast dat bewindvoerder na de schenking in mei 2018 nog meerdere rechtshandelingen heeft verricht waarvan niet wordt gesteld dat zij daartoe niet bekwaam was.
De vraag of iemand wilsbekwaam is moet mede worden bepaald aan de hand van het onderwerp waarover iemand zijn of haar wil moet bepalen.
Met andere woorden, wilsbekwaamheid is niet alleen afhankelijk van de cognitieve vermogens van de persoon in kwestie, maar mede afhankelijk van de complexiteit van het onderwerp waarover die persoon een beslissing moet nemen.
De complexiteit en de financiële consequenties van het besluit kunnen daarbij een rol spelen.
Zo kan een persoon bekwaam zijn om eenvoudige beslissingen te nemen en op hetzelfde moment wilsonbekwaam zijn ten aanzien van ingewikkelde zaken, omdat hij of zij de consequenties van deze laatste niet meer kan overzien (vgl. PHR:2013:BZ8782).
In onderhavig geval gaat het om een schenking van geld.
Een dergelijke schenking zal niet direct als een complex onderwerp worden bestempeld.
Dat geldt des te meer nu vaststaat dat bewindvoerder in 2014 een schenking met eenzelfde omvang aan gedaagde deed.
Zonder nadere toelichting – die ontbreekt – valt niet in te zien dat bewindvoerder ten aanzien van de schenking in mei 2018 wilsonbekwaam was terwijl zij nadien wel wilsbekwaam moet worden geacht voor het nemen van beslissingen over ingewikkeldere zaken met verstrekkende consequenties.
Kennelijk heeft ook de notaris op 2 oktober 2018 geen aanleiding gezien geen (levens)testament namens bewindvoerder op te stellen omdat er sprake was van een geestesstoornis.
Naar het oordeel van de rechtbank blijkt derhalve niet zonder meer dat bewindvoerder op 25 mei 2018 wilsonbekwaam moet worden geacht.
Tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat eiser, gelet op de gemotiveerde betwisting van gedaagde en de in deze zaak vaststaande feiten, onvoldoende feiten heeft gesteld waaruit kan worden opgemaakt dat de geest van bewindvoerder ten tijde van het doen van de schenking aan gedaagde was gestoord en dat haar wil een schenking te doen heeft ontbroken.
De conclusie is dat de bewindvoerder op 25 mei 2018 wilsbekwaam was en gelet op de complexiteit van de schenking voldoende in staat was om de financiële consequenties daarvan te overzien.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.