Zorgplicht notaris. Testament. Onterving. Stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid erflater. Hoge leeftijd. Slechtziendheid. Hardhorendheid. Mogelijke beïnvloeding?
De Rechtbank Rotterdam heeft op 28 juli 2021 uitspraak gedaan over de vraag of de notaris wel de nodige zorgvuldigheid had betracht bij het vaststellen van de wilsbekwaamheid van de erflater.
Eiser is de zoon van A (hierna: de vader). Eiser heeft een zus.
In de laatste fase van zijn leven was de vader hardhorend en slechtziend.
Na het overlijden van de moeder op 26 juni 2014 zijn de verhoudingen tussen eiser, zijn zus en zijn vader ernstig verslechterd.
In november 2014 heeft een notaris geweigerd om voor de vader een testament op te stellen.
Eerder dat jaar is het bij weer een andere notaris evenmin tot het opstellen van een testament gekomen.
De vordering is gebaseerd op onrechtmatige daad.
Volgens eiser heeft de notaris (de gedaagde) onzorgvuldig jegens hem gehandeld door het testament van 6 februari 2015, waarbij eiser is onterfd, op te stellen en te verlijden.
De vader was inmiddels op hoge leeftijd en was vanwege zijn slechtziendheid en doofheid afhankelijk van de dochter.
De dochter en haar echtgenoot hebben de vader begeleid bij zijn gesprekken met gedaagde.
Het testament zoals de vader dat wilde hebben had ingrijpende gevolgen voor eiser, terwijl de dochter er voordeel van had.
Twee andere notarissen hadden eerder al geweigerd een testament op te stellen.
Er waren dus tal van indicatoren voor gedaagde om extra oplettend te zijn.
Dat heeft zij onvoldoende gedaan.
Bovendien is sprake van belangenverstrengeling, omdat gedaagde via X al betrokken was bij procedures tegen eiser in verband met de nalatenschap van de moeder.
Gedaagde had in de gegeven omstandigheden haar ministerie moeten weigeren.
Zorgplicht notaris. Testament waarbij zoon is onterfd. Stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid. Hoge leeftijd. Slechtziendheid. Hardhorendheid. Mogelijke beïnvloeding door dochter? Ministerieplicht.
De rechter oordeelt als volgt.
De rechtbank volgt eiser niet in dit betoog en zal de vorderingen afwijzen. De rechtbank licht dit als volgt toe.
Voor wat betreft de medewerking van een notaris aan handelingen van een opdrachtgever die de belangen van derden (kunnen) schaden geldt op grond van vaste rechtspraak van de Hoge Raad de volgende algemene norm.
Artikel 21 lid 1 van de Wet op het notarisambt (Wna) brengt voor de notaris de verplichting mee om de hem bij of krachtens de wet opgedragen of de door een partij verlangde werkzaamheden te verrichten.
Hij dient zijn dienst echter te weigeren wanneer hij daarvoor gegronde redenen heeft (artikel 21 lid 2 Wna).
Bij gerede twijfel aan de goede bedoelingen van zijn cliënt dient de notaris zijn dienst te weigeren of zich door nader onderzoek te overtuigen van het geoorloofde karakter ervan.
De functie van de notaris in het rechtsverkeer verplicht hem onder bijzondere omstandigheden ook tot een zekere zorg voor de belangen van derden welke mogelijkerwijs zijn betrokken bij de door zijn cliënten van hem verlangde ambtsverrichtingen.
Deze zorgplicht kan ertoe leiden dat de notaris gegronde redenen heeft als bedoeld in artikel 21 lid 2 Wna om de van hem gevraagde dienstverlening te weigeren of op te schorten.
Verleent hij de gevraagde dienst toch, dan kan dit zijn civielrechtelijke aansprakelijkheid jegens de betrokken derde(n) meebrengen (onder andere Hoge Raad, 3 april 2015, HR:2015:831 en Hoge Raad, 10 november 2017, HR:2017:2850).
Tegen het betoog van eiser heeft gedaagde onder andere het volgende ingebracht:
-het was de vader zelf die contact opnam met gedaagde in verband met het opstellen van een testament;
-gedaagde heeft vier besprekingen met de vader gevoerd voorafgaande aan het passeren van het testament;
-bij die besprekingen was, naast gedaagde en de vader zelf, A aanwezig;
-alleen tijdens de eerste bespreking op 23 december 2014 was ook de zus aanwezig; bij de overige besprekingen wachtten de zus en/of haar echtgenoot elders in het kantoor van gedaagde;
-ondanks zijn beperkte gezichtsvermogen, was de vader in de besprekingen helder en consequent over de door hem gewenste inhoud van het testament;
-vanwege het verstrekkende karakter van de gewenste inhoud van het testament (onterving van eiser), heeft gedaagde de vader bevraagd naar de redenen daarvoor; naar aanleiding daarvan heeft de vader aan gedaagde verteld over de ernstig verstoorde relatie met eiser;
-de hardhorendheid van de vader vormde dankzij het gebruik van een hoortoestel geen beletsel voor het voeren van deze gesprekken;
-vanwege de hoge leeftijd van de vader en zijn slechtziendheid en hardhorendheid, heeft gedaagde voor de zekerheid een arts ouderengeneeskunde gevraagd de wilsbekwaamheid van de vader te beoordelen; diens rapport bevestigde gedaagde in haar indruk dat de vader ondanks genoemde omstandigheden in staat was zijn wil te vormen;
-voorafgaande aan het passeren van het testament heeft gedaagde de gehele akte aan de vader voorgelezen.
Deze door gedaagde geschetste gang van zaken is door eiser niet gemotiveerd betwist.
Hij heeft gesteld te hebben begrepen dat zijn zus en haar echtgenoot bij de gesprekken met gedaagde aanwezig waren, maar hij heeft die stelling op geen enkele wijze onderbouwd.
Enige onderbouwing had wel van eiser mogen worden verwacht.
Te denken valt aan een beschrijving van de omstandigheden waarop hij zijn conclusies heeft gebaseerd.
Nu een dergelijk begin van onderbouwing ontbreekt, is zijn betwisting van de stellingen van gedaagde onvoldoende.
De rechtbank tekent daarbij aan dat uit de notariële akte waarmee het testament is gepasseerd in elk geval niet blijkt van aanwezigheid van zus of echtgenoot.
De door gedaagde geschetste gang van zaken moet daarom als vaststaand worden aangenomen.
Gelet op die gang van zaken, valt niet in te zien op welke punten gedaagde onzorgvuldig heeft gehandeld.
Zij heeft zich klaarblijkelijk rekenschap gegeven van de aanwezigheid van omstandigheden die volgens haar aanleiding waren voor bijzondere oplettendheid, te weten de ouderdom, slechtziendheid en hardhorendheid van de vader en de verstrekkende gevolgen van het gewenste testament, mede in verband met mogelijke beïnvloeding door de dochter.
Gedaagde heeft in het licht van die omstandigheden voldoende prudent gehandeld.
Zij heeft meerdere gesprekken met de vader gevoerd, buiten aanwezigheid van de zus of haar echtgenoot, zij heeft zich ervan vergewist dat de vader zich de consequenties van het gewenste testament goed realiseerde en zij heeft, gegeven de slechtziendheid van de vader, voldoende tijd genomen om de inhoud van het testament met de vader door te nemen.
Daargelaten of het bij deze gang van zaken uit een oogpunt van zorgvuldigheid noodzakelijk was om nog advies in te winnen van een arts, feit is dat gedaagde dergelijk advies heeft ingewonnen en dat dit advies gedaagde geen reden gaf om alsnog aan de wilsbekwaamheid van de vader te twijfelen.
Van belang in dit verband is dat gedaagde haar stellingen heeft onderbouwd door middel van de (handgeschreven) aantekeningen die zij heeft gemaakt bij het “Stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid ten behoeve van notariële dienstverlening” (hierna: het Stappenplan).
Gedaagde heeft gesteld dat zij een print van dit Stappenplan tijdens de gesprekken met de vader bij de hand had.
Naar het oordeel van de rechtbank biedt dit stuk een overtuigende onderbouwing voor de stellingen van gedaagde dat zij oog heeft gehad voor de bijzonderheden die in dit geval aan de orde waren.
Hieraan doet niet af dat gedaagde achter Bestaat de indruk, gezien bovenstaande indicatoren, dat er sprake is van beïnvloeding door derden? heeft genoteerd: wellicht dochter.
Deze notitie bevestigt juist dat gedaagde het mogelijke risico van beïnvloeding heeft onderkend.
Uit de rest van haar notities volgt dat zij daarnaar heeft gehandeld.
Bij dit alles moet in het oog worden gehouden dat het Stappenplan geen wet is, maar een handreiking voor een notaris om zich op zorgvuldige wijze van de wilsbekwaamheid van een cliënt te kunnen vergewissen.
Het enkele feit dat het Stappenplan mogelijk niet op elk punt exact is gevolgd maakt niet dat een notaris onzorgvuldig heeft gehandeld.
Eiser heeft bij dagvaarding gesteld dat gedaagde wist of behoorde te weten dat de vader eerder bij twee andere notarissen was geweest, die allebei hun medewerking aan het opstellen van een testament hebben geweigerd.
Nadat gedaagde bij antwoord had betwist dat zij van die eerdere weigeringen op de hoogte was, heeft eiser tijdens de zitting verklaard dat die weigering in elk geval een indicatie vormt “van de wijze waarop geoordeeld had moeten worden.”
De rechtbank verwerpt dat standpunt.
Iedere notaris zal zich zelfstandig een oordeel moeten vormen over de wilsbekwaamheid van een opdrachtgever en in die oordeelsvorming zorgvuldig te werk moeten gaan.
Niet van belang is of andere notarissen eerder tot andere conclusies kwamen.
Dat zou anders kunnen zijn als gedaagde wel op de hoogte was geweest van die eerdere weigeringen, maar dat heeft eiser in het licht van de betwisting door gedaagde onvoldoende onderbouwd.
Onvoldoende is in elk geval het feit dat in dezelfde periode als waarin de gesprekken met de vader over zijn testament plaatsvonden ook contact plaatsvond tussen A en notaris G over de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder.
Het gaat hier om twee verschillende kwesties.
Niet gezegd kan worden dat betrokkenheid van A bij de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder – welke afwikkeling moeizaam verliep – gedaagde aanleiding had moeten geven om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van de vader.
Die betrokkenheid van A bij de afwikkeling van de nalatenschap van de moeder is ook onvoldoende voor de conclusie dat het gedaagde niet vrij stond om ten behoeve van de vader een testament op te stellen.
Het lag op de weg van eiser om dat verwijt te voorzien van (ten minste een begin van) onderbouwing.
Hij heeft dat niet gedaan.
Eiser heeft de onafhankelijkheid van de door gedaagde ingeschakelde arts ouderengeneeskunde in twijfel getrokken.
Volgens eiser zou deze arts afkomstig zijn uit het eigen netwerk van gedaagde.
Gedaagde heeft betwist dat zij enige band heeft met de ingeschakelde arts en voorts heeft zij, met een korte beschrijving van het curriculum vitae van de arts, toegelicht om welke reden deze arts voldoende in staat was om zich over de wilsbekwaamheid van de vader een oordeel te vormen.
Hierop heeft eiser onvoldoende concreet gereageerd.
Gelet op hetgeen gedaagde naar voren heeft gebracht ziet de rechtbank geen reden om te twijfelen aan de onafhankelijkheid van de arts en evenmin aan zijn deskundigheid.
De door de arts getrokken conclusie heeft gedaagde dus mede ten grondslag kunnen leggen aan haar oordeel dat de vader in staat was zijn wil te vormen.
Ten slotte heeft eiser er nog op gewezen dat het door gedaagde opgestelde testament inhoudelijk niet valt te rijmen met de herhaaldelijk door de vader geuite wens om zijn kinderen gelijkelijk te behandelen.
Eiser stelt dat er geen enkele reden is om aan te nemen dat de vader daadwerkelijk tot een daarvan geheel afwijkend testament heeft willen komen.
Tot een ander oordeel leidt dit niet.
De omstandigheid dat de beoogde inhoud van een testament in hoge mate afwijkt van eerdere verklaringen van de opdrachtgever kan voor een notaris aanleiding zijn om extra oplettend te zijn en extra aandacht te besteden aan het vaststellen van de wil van de opdrachtgever.
Die zorgvuldigheid heeft gedaagde in dit geval betracht, zo volgt uit hetgeen hiervoor is overwogen.
Gedaagde heeft de verstrekkende gevolgen van het beoogde testament – onterving van eiser – met de vader besproken en zich ook overigens voldoende vergewist van de wil van de vader.
De rechtbank laat overigens nog in het midden dat de eerdere wens van de vader om zijn kinderen gelijkelijk te behandelen klaarblijkelijk dateert van voor de ernstige verslechtering van de verhouding tussen eiser en de vader, welke verslechtering de vader eind 2014 aanleiding heeft gegeven tot het doen van aangifte tegen eiser.
Van onzorgvuldig handelen van gedaagde is al met al dus niet gebleken.
De overige verweren (klachtplicht en verjaring) behoeven daarom geen bespreking.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.