Erfrecht. Uitleg van een testament. Is door uitschrijving de samenwoning beëindigd? Gemeenschappelijke huishouding. Zorg- en onderhoudsplicht. Toetsing.

De Rechtbank Den Haag heeft op 5 oktober 2022 uitspraak gedaan over de uitleg van een testament.

Hoe moeten de begrippen ‘gemeenschappelijke huishouding’ en ‘samenwoning’ in het testament van erflater worden uitgelegd?

En is de samenwoning tussen erflater en eiseres vóór het overlijden van erflater geëindigd, onder meer doordat erflater zich in 2000 op een ander adres heeft ingeschreven?

Het antwoord op deze vragen is bepalend voor de vraag wie erfgename is in de nalatenschap van erflater, eiseres of gedaagde.

Dat is de kern van het geschil tussen partijen.

De rechtbank zal hierna vaststellen hoe het testament moet worden uitgelegd en aan de hand van die uitleg concluderen dat de samenwoning tussen erflater en eiseres niet is geëindigd vóór overlijden van erflater.

Dat betekent dat eiseres enig erfgename van erflater is en executeur in zijn nalatenschap.

De vorderingen die op dat uitgangspunt zijn gebaseerd heeft eiseres als executeur en pro se kunnen instellen en zullen worden toegewezen jegens gedaagde pro se.

Eiseres stelt dat zij en erflater sinds 1986 onafgebroken een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd, die enkel is geëindigd door het overlijden van erflater, zodat het testament nog volledig van kracht was bij zijn overlijden.

Niet doorslaggevend is dat erflater zich in 2000 vanaf het adres van eiseres op een ander adres heeft ingeschreven, omdat de woning van eiseres (ook) nadien voor erflater het zwaartepunt van zijn verblijf was, hij daar met eiseres een gemeenschappelijke huishouding bleef voeren en een affectieve relatie had.

Ook toen erflater vanaf 2012 in zijn woning sliep bleef sprake van een affectieve relatie, waarin eiseres en erflater voor elkaar zorgden en gezamenlijk bijdroegen aan de gezamenlijke huishouding.

De laatste maanden voor zijn overlijden heeft eiseres erflater in haar woning verzorgd.

Eiseres onderbouwt het bestaan van de affectieve relatie en de gemeenschappelijke huishouding onder meer met verklaringen van familieleden, vrienden en buren.

Dat erflater wilde dat eiseres zou erven volgt ook uit zijn verklaring vlak vóór zijn overlijden, aldus eiseres.

Gedaagde betoogt dat het begrip samenwoning, zoals bedoeld in beschikking van het testament, strikt moet worden geïnterpreteerd.

De samenwoning is geëindigd in 2000 toen erflater zich vanuit het adres van de woning van eiseres op het nieuwe adres inschreef.

Dat erflater daar woonde volgt onder meer ook uit de post die naar dat adres gestuurd werd.

Erflater heeft bovendien interesse gehad in andere vrouwen.

Dat volgt uit de verklaring van een nicht van erflater, aldus gedaagde.

Erfrecht. Uitleg van een testament. Is door uitschrijving de samenwoning beëindigd? Gemeenschappelijke huishouding. Zorg- en onderhoudsplicht. Toetsing.

De rechter oordeelt als volgt.

Het testament van erflater is verleden op 5 september 1999.

Erflater is overleden na inwerkingtreding van het huidig erfrecht op 1 januari 2003.

De maatstaf voor de uitleg van een testament staat in artikel 4:46 BW, dat op grond van artikel 68a Overgangswet Nieuw BW onmiddellijke werking heeft en overigens niet wezenlijk afwijkt van het voorheen geldende erfrecht.

Op grond van het eerste lid van artikel 4:46 BW dient bij de uitleg van het testament te worden gelet op de verhoudingen die het testament kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt.

Artikel 4:46 lid 2 BW bepaalt dat daden of verklaringen van de erflater die niet in het testament staan slechts voor de uitleg mogen worden gebruikt, indien de inhoud van het testament zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin hebben.

De relevante bepalingen uit het testament luiden:

Mede ter voldoening aan zijn natuurlijke verbintenis tot haar verzorging en onderhoud te benoemen tot zijn enige erfgename: Mevrouw [eiseres] , 1940, met wie testateur sedert augustus 1986 een gemeenschappelijke huishouding voert.

De hiervoor gemaakte beschikkingen ten aanzien van [eiseres] voornoemd zijn alleen van kracht indien de samenwoning tussen testateur en mevrouw [eiseres] voornoemd eindigt door testateurs overlijden en [eiseres] niet binnen 90 dagen nadien komt te overlijden.

De rechtbank moet aan de hand van de maatstaf uit artikel 4:46 lid 1 BW nagaan hoe het begrip ‘gemeenschappelijke huishouding’ in de beschikking en het begrip ‘samenwoning’ in de beschikking  van het testament moeten worden uitgelegd.

Aan de hand van de uitleg dient de rechtbank vast te stellen of de samenwoning wel of niet is geëindigd vóór overlijden van erflater en de beschikkingen in het testament ten gunste van eiseres al dan niet van kracht zijn gebleven.

De rechtbank stelt voorop dat erflater met het testament de wil heeft geuit af te wijken van de erfopvolging bij versterf.

Verder stelt de rechtbank vast dat erflater in de beschikking eiseres tot enig erfgename heeft willen aanwijzen om aan zijn verzorgings- en onderhoudsplicht jegens haar te voldoen.

Die plicht baseerde hij mede op de gemeenschappelijke huishouding die zij sinds augustus 1986 voerden.

Erflater heeft zich niet eerder dan in 1991 op het adres van eiseres ingeschreven.

Hoewel hij dus vanaf 1986 tot 1991 niet op hetzelfde adres als eiseres stond ingeschreven, beschouwde hij deze periode wel als periode waarin hij en eiseres een gemeenschappelijke huishouding voerden en baseerde hij op die periode zijn plicht tot verzorging en onderhoud jegens eiseres en zijn wil haar uitdrukkelijk als enig erfgename aan te wijzen.

Die omstandigheden achtte erflater kennelijk bepalend voor hetgeen hij verstond onder de term ‘samenwoning’ in de beschikking.

Uit die omstandigheden waaronder het testament is gemaakt en die verhoudingen die erflater daarin kennelijk wenste te regelen volgt dat inschrijving op hetzelfde adres voor erflater geen doorslaggevende voorwaarde was om eiseres tot zijn enig erfgename te benoemen en om van samenwoning te kunnen spreken.

Uit het testament volgt dus niet dat de (enkele) uitschrijving in 2000 van erflater op het adres van eiseres en inschrijving op het adres van erflater, heeft geleid tot het eindigen van de samenwoning tussen eiseres en erflater en van de onderhouds- en verzorgingsplicht die hij jegens haar voelde.

Het standpunt van gedaagde dat het testament in 2000 enkel door die uit- en inschrijving zijn kracht heeft verloren, kan dan ook niet gevolgd worden.

Als overwogen heeft erflater eiseres tot zijn enige erfgename willen benoemen omdat hij door hun gemeenschappelijke huishouding een onderhouds- en verzorgingsplicht voelde.

Voor de vraag of de ‘samenwoning’ op enig moment na december 2000 is geëindigd is dus van belang of die gemeenschappelijke huishouding en de onderhouds- en verzorgingsplicht is geëindigd.

Naar het oordeel van de rechtbank staat voldoende vast dat erflater en eiseres ook na 2000 op het adres van eiseres een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd tot in ieder geval 2012.

Erflater had zich in 2000 weliswaar laten uitschrijven en zich ingeschreven op het adres van de woning, die hij had gekocht, maar bleef, onweersproken, feitelijk wonen in de woning van eiseres en verhuurde zijn woning aan een dochter van eiseres.

De rechtbank stelt vast dat de gemeenschappelijke huishouding en wederzijdse zorg in deze periode niet is geëindigd.

Eiseres heeft verder gesteld dat erflater vanaf 2012 weliswaar in zijn woning sliep, maar dat het zwaartepunt van zijn leven zich nog steeds in de woning van eiseres afspeelde.

De wederzijdse zorg en affectieve relatie is ook niet geëindigd.

Eiseres en erflater bleven voor elkaar zorgen, deden veel samen, droegen beide bij aan de gezamenlijke huishouding en gingen altijd samen op vakantie.

Eiseres heeft dit onderbouwd met onder meer verklaringen van familieleden, vrienden en omwonenden en bewijsstukken van wederzijdse bijdragen aan de gemeenschappelijke huishouding, zoals kosten voor een lease-auto.

Dat de affectieve relatie tot overlijden van erflater is blijven voortduren blijkt verder uit het gegeven dat erflater in de laatste maanden voor zijn overlijden in het huis van eiseres is verbleven en door haar is verzorgd, aldus eiseres.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiseres toereikend onderbouwd dat zij en erflater tot aan diens overlijden een wederzijdse zorg- en onderhoudsverplichting jegens elkaar voelden en een gemeenschappelijke huishouding hebben gevoerd als bedoeld in beschikking van het testament.

De rechtbank hecht daarbij belang aan de gedetailleerde verklaringen van eiseres zelf, haar familieleden, vrienden en omwonenden, die onderschrijven dat zij altijd samen waren, de overgelegde foto’s, het gegeven dat eiseres en erflater kosten deelden voor onder meer een lease-auto, en tenslotte de zorg die eiseres en haar dochters voor erflater hebben gehad in de woning van eiseres gedurende de laatste maanden van zijn leven.

Gedaagde heeft daar onvoldoende tegenover gezet.

De ongedateerde verklaring van haar nicht zegt niets concreets over de zorg- en onderhoudsverplichting en de gemeenschappelijke huishouding van eiseres en erflater.

Hetzelfde geldt voor poststukken die naar het adres van erflater zijn gestuurd.

Eiseres heeft daarover terecht opgemerkt dat die post gerelateerd was aan zijn woning c.q. inschrijving, maar niet in de weg staat aan een gemeenschappelijke huishouding op het adres van eiseres.

Gedaagde heeft zelf gedurende 35 jaar tot aan zijn overlijden geen of nauwelijks contact gehad met erflater en kan niet uit eigen waarneming over de gemeenschappelijke huishouding van eiseres en erflater verklaren.

Op grond van het gemotiveerde en met bewijsstukken onderbouwde standpunt van eiseres komt de rechtbank tot het oordeel dat de wederzijdse zorg- en onderhoudsplicht en de gemeenschappelijke huishouding niet is geëindigd tot het overlijden van erflater.

De beschikkingen in het testament ten gunste van eiseres zijn van kracht gebleven en eiseres is dus de enige erfgename van erflater.

Aan verdere bewijslevering komt de rechtbank niet toe.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat voor zover al geoordeeld zou kunnen worden dat het testament geen duidelijke zin zou hebben, in de betekenis van artikel 4:46 lid 2 BW, de schriftelijke verklaring van erflater vlak voor zijn overlijden en de video-opname daarvan duidelijk maken dat erflater heeft gewild dat eiseres, en niet gedaagde, als zijn enig erfgename zou worden aangewezen.

Ook de redelijkheid en billijkheid staan aan een andere uitleg in de weg.

Erflater heeft zijn testament niet herroepen, nooit verklaard dat er geen onderhouds- en verzorgingsverplichting jegens eiseres meer bestond en nimmer verklaard dat het zijn wil was dat zijn zus zijn enig erfgename zou zijn.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.