Erfrecht. Testament. Geestelijke stoornis. Wilsgebrek. Is een nietigverklaring van een testament bij leven van testateur mogelijk? Rechtsverhouding. Verklaring voor recht mogelijk?

De Rechtbank Noord-Holland heeft op 28 september 2022 uitspraak gedaan over de vraag of een nietigverklaring van een testament bij leven van een testateur mogelijk was.

Eiser vordert voor recht te verklaren dat het testament van 6 mei 2020 van betrokkene, althans de daarin opgenomen uiterste wilsbeschikking, nietig is.

Eiser  legt hieraan – kort samengevat – ten grondslag dat het testament en de overboeking of lening op grond van artikel 3:34 lid 2 van het Burgerlijk Wetboek (BW) nietig respectievelijk vernietigbaar zijn door het ontbreken van een daarmee overeenstemmende wil.

Zij stelt dat betrokkene vanaf 2 juli 2019 tijdelijk of blijvend in haar geestesvermogens is gestoord, en dat deze stoornis een redelijke waardering van de bij het opmaken van een testament betrokken belangen belette, zodat het er voor moet worden gehouden dat wat zij bij de notaris ter zake heeft verklaard onder invloed van die stoornis is gedaan.

Datzelfde geldt voor het verstrekken van € 75.000,00 aan gedaagde.

Dit geldbedrag is daarom onverschuldigd betaald.

Voor zover sprake is van een geldlening per 15 september 2021 is deze (ook) niet rechtsgeldig, omdat betrokkene op dat moment onder bewind stond.

Voor zover de geldlening wel rechtsgeldig is aangegaan, heeft de bewindvoerder deze rechtsgeldig opgezegd, aldus eiser.

Gedaagde voert verweer.

Zij betwist dat betrokkene ten tijde van het maken van het testament op 6 mei 2020 wilsonbekwaam was en dat het testament nietig is.

Als primair standpunt voert gedaagde aan dat het overeenkomstig de geldende jurisprudentie niet mogelijk is bij leven het testament aan te tasten door derden, anders dan door de erflater.

Een verzoek om voor recht te verklaren dat het testament nietig is leidt daarom tot niet-ontvankelijkheid.

Gedaagde verwijst in dat verband naar de beschikking van het Gerechtshof Den Haag, 29 april 2020 (GHDHA:2020:948).

Tussen partijen is in geschil of het door betrokkene opgestelde testament rechtsgeldig is en of het overgeboekte geldbedrag van € 75.000,- een rechtsgeldige lening betreft en het resterende bedrag opeisbaar is.

Gezien het meest verstrekkende verweer van gedaagde ten aanzien van de gestelde nietigheid van het testament, zal echter eerst de vraag moeten worden beantwoord of nietigverklaring van een testament bij leven van de testateur mogelijk is.

Daaraan voorafgaand zal de rechtbank nog ingaan op de ontvankelijkheid van de bewindvoerder als procespartij en haar belang bij de vorderingen.

Erfrecht. Bewind. Testament. Geestelijke stoornis. Wilsgebrek. Is een nietigverklaring van een testament bij leven van een testateur mogelijk? Rechtsverhouding. Ontvankelijkheid vordering. Verklaring voor recht mogelijk?

De rechter oordeelt als volgt.

Ontvankelijkheid bewindvoerder

In artikel 1:441 lid 1 BW staat dat de bewindvoerder de rechthebbende vertegenwoordigt bij de vervulling van zijn taak.

De bewindvoerder treedt dan op eigen naam en voor rekening van de rechthebbende op als formele procespartij.

Hoewel eiser met de verkregen machtiging van de kantonrechter als bedoeld in artikel 1:443 BW bevoegd is deze procedure tegen gedaagde te starten, is het de vraag of de vordering tot nietigverklaring van het testament binnen haar taak als bewindvoerder valt en of zij voldoende belang heeft bij de gevorderde verklaring van recht omdat de rechthebbende niet meer in staat zou zijn haar testament te herroepen.

Haar taak ziet immers op het beheer van vermogen tijdens het bewind dat eindigt bij overlijden van de rechthebbende (de betrokkene), terwijl het testament pas vermogensrechtelijke gevolgen heeft ná overlijden van de rechthebbende.

De gevorderde verklaring van recht ziet daarmee op het vermogen na overlijden.

Beantwoording van deze vragen kan in het midden blijven, omdat het navolgende aan ontvankelijkheid van eiser ten aanzien van de vordering over het testament in de weg staat.

De rechtbank is van oordeel dat het meest verstrekkende verweer van gedaagde ten aanzien van de gevorderde verklaring van recht slaagt.

Artikel 3:302 BW staat aan de vordering in de weg.

De rechtbank licht dat als volgt toe.

In artikel 3:302 BW staat dat de rechter een verklaring van recht uitspreekt ten aanzien van een bij een rechtsverhouding onmiddellijk betrokken persoon.

Er moet dus sprake zijn van een rechtsverhouding tussen betrokkene en gedaagde.

De beschikking waarop gedaagde zich beroept ziet op een gelijksoortige casus als de onderhavige, met dat verschil dat de testateur in de casus van het arrest ten tijde van het opmaken van het testament al onder bewind stond.

Het Gerechtshof Den Haag overweegt onder meer het volgende (onderstreping rechtbank):

“Het hof ziet, mede in het licht van de geestelijke gesteldheid van [de Onderbewindgestelde] zoals die blijkt uit de verklaring van [naam arts], evenals appellante in de geschetste gang van zaken voldoende aanleiding om voorshands aan te nemen dat het opmaken van het meest recente testament van [de Onderbewindgestelde] onder invloed van een derde heeft plaatsgevonden.

Het hof ziet evenwel geen wettelijke ruimte voor het afgeven van een verklaring voor recht zoals appellante verzoekt. Een verklaring voor recht in de zin van artikel 3:302 BW betreft een verklaring ten aanzien van de rechtsverhouding tussen een eiser en een gedaagde. Daarvan is geen sprake nu een testament een (bundeling) eenzijdige ongerichte rechtshandelingen betreft die bovendien pas werking heeft vanaf het moment dat de testateur is overleden. Een verklaring voor recht dat [de Onderbewindgestelde] ten tijde van het opmaken van zijn uiterste wil wilsonbekwaam was, is gelet op het voorgaande, naar zijn aard niet mogelijk . “

Eiser voert hiertegen aan dat het arrest gedateerd is en niet overtuigend.

De rechtbank volgt haar daarin niet.

Het arrest is van 29 april 2020 en dus (relatief) recent.

Niet is gebleken dat dezelfde rechtsvraag daarna in een hoger beroep of cassatie aan de orde is geweest.

Gedaagde motiveert daarbij niet waarom het arrest niet overtuigend zou zijn.

Voor zover gedaagde zich beroept op een uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 9 juni 2021 (RBROT:2021:5172), slaagt dat verweer niet.

Die casus is zowel materieel als processueel wezenlijk anders dan de onderhavige.

Partijen hebben in die casus een schikking getroffen en gedaagde heeft alle verweren op de zitting ingetrokken.

De rechtbank volstond met de toets of de vordering haar niet onrechtmatig of ongegrond voorkwam.

De uitspraak van de rechtbank Rotterdam is daarom niet vergelijkbaar.

Voor zover eiser nog verwijst naar het arrest van de Hoge Raad van 25 februari 2022 (HR:2022:307), doet ook die uitspraak niet aan het oordeel de rechtbank af, omdat in die casus een verklaring van recht wordt gevorderd nadat de testateur was overleden, een wezenlijk andere situatie dan de onderhavige en die van de beschikking van het gerechtshof Den Haag waarbij de testatrice nog in leven is.

Voor zover eiser op zitting nog verwijst naar literatuur, maakt dat het oordeel evenmin anders.

De rechtbank merkt daarbij nog op dat er – hoe gering ook – een kans bestaat dat de in het testament aangewezen erfgenaam, gedaagde, eerder overlijdt dan de testatrice.

In dat geval zal op grond van het testament bij overlijden van betrokkene ook geen rechtsverhouding tussen hen ontstaan.

Zolang betrokkene nog in leven is, kan dus geen rechtsverhouding tussen haar en gedaagde worden vastgesteld.

Er is sprake van een toekomstige situatie.

Dat betrokkene haar testament wegens haar geestestoestand naar alle waarschijnlijkheid niet (meer) zal kunnen herroepen, doet daaraan niet af.

Een verklaring van recht dat een testament nietig is terwijl de rechtsverhouding nog niet vast staat, kan daarom dan niet worden afgegeven.

Gelet op vorenstaande overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de gevorderde verklaring van recht naar zijn aard niet mogelijk is.

Aan een inhoudelijke beoordeling van de vordering wordt niet toegekomen, zodat eiser ten aanzien van de vordering niet-ontvankelijk zal worden verklaard.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.