Erfrecht. Testament. Wilsgebrek. Rechtsvordering tot vernietiging van een uiterste wilsbeschikking. Verjaring. Aanvang van verjaringstermijn. Kennisname van testament. Bewijs.
Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft enige tijd geleden uitspraak gedaan over de vraag of een rechtsvordering tot vernietiging van een uiterste wilsbeschikking op grond van een wilsgebrek was verjaard.
Appellante heeft in eerste aanleg gesteld dat de verjaringstermijn van artikel 4:54 lid 1 BW voor de rechtsvordering voor het aanvechten van een uiterste wilsbeschikking (één jaar) bij het overlijden van erflater op 3 april 2016 is aangevangen zodat die termijn op het moment van uitbrengen van de inleidende dagvaarding op 26 januari 2019 reeds was verstreken.
Geïntimeerden waren op de hoogte van het overlijden en van de inhoud van het testament en waren al voor het overlijden van erflater bezig om bewijs te verzamelen om het testament te vernietigen zodat zij ten tijde van het overlijden ook op de hoogte waren van de vernietigingsgrond.
Geïntimeerden hebben hier tegenover gesteld dat zij zich medio oktober 2018 tot een advocaat hebben gewend en dat deze hen toen heeft gewezen op gebreken aan het testament waarvan zij eerder niet de op de hoogte waren.
De verjaringstermijn is daarom eerst toen gaan lopen en was op het moment van uitbrengen van de dagvaarding nog niet verstreken, aldus geïntimeerden.
De rechtbank heeft dit standpunt van geïntimeerden gevolgd.
Met haar grief komt appellante op tegen dit oordeel van de rechtbank.
Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte tot uitgangspunt genomen dat de verjaringstermijn pas aanvangt op het moment dat bij een advocaat juridisch advies is ingewonnen.
De verjaringstermijn gaat lopen vanaf het moment dat de vorderingsgerechtigde bekend is met de feiten op basis waarvan de rechtsvordering tot vernietiging zou bestaan en niet pas op het moment van bekendheid met de juridische betekenis of gevolgen daarvan, aldus appellante.
Geïntimeerden voeren hiertegen aan dat het bij artikel 4:54 lid 1 BW vooral gaat om de vraag of sprake is van een gebrekkig tot stand gekomen testament en dat zij daarover pas in oktober 2018 kennis kregen, zodat toen de verjaringstermijn is gaan lopen.
Subsidiair menen zij dat als aanvangsmoment zou kunnen gelden de uitspraak van de Kamer voor het Notariaat van 22 augustus 2018 op de klacht die bij de feiten onder s) is vermeld.
Die uitspraak was voor hen aanleiding zich tot een advocaat te wenden, aldus geïntimeerden.
Erfrecht. Testament. Wilsgebrek. Rechtsvordering tot vernietiging van een uiterste wilsbeschikking. Verjaring. Aanvang van verjaringstermijn. Kennisname van testament. Bewijs. Toetsing.
De rechter overweegt als volgt.
Artikel 4:54 lid 1 BW luidt als volgt:
Rechtsvorderingen tot vernietiging van een uiterste wilsbeschikking verjaren een jaar nadat de dood van de erflater alsmede de uiterste wilsbeschikking en de vernietigingsgrond ter kennis zijn gekomen van hem die een beroep op deze grond kan doen, dan wel van zijn rechtsvoorganger.
Deze bepaling heeft specifiek betrekking op de vernietiging van een testament op de in Boek 4 BW genoemde vernietigingsgronden.
Voor zover geïntimeerden een beroep doen op die vernietigingsgronden is het hof met de rechtbank van oordeel dat van een erfgenaam in het algemeen niet verwacht kan worden dat hij zich aanstonds, zonder ter zake kundige advisering, voldoende bewust is van de formele vereisten voor een testament.
Ook in dit geval is voor geïntimeerden dergelijke advisering nodig geweest om inzicht verkrijgen in het al dan niet voldoen van een testament aan de daaraan te stellen eisen inzake authenticiteit en vormvoorschriften.
Dat inzicht is volgens hen eerst in de loop van 2018 verkregen zodat de verjaringstermijn van artikel 4:54 lid 1 BW niet was voltooid op het moment dat zij de onderhavige procedure aanhangig maakten.
Door appellante is dit aannemelijke standpunt van geïntimeerden onvoldoende weersproken.
Ook indien juist is dat geïntimeerden in een eerder stadium vermoedden dat bij de opstelling van het testament van 26 oktober 2015 sprake was van een wilsgebrek bij de erflater, zoals appellante stelt, betekent dat niet dat de verjaringstermijn van artikel 4:54 lid 1 BW op een eerder moment is gaan lopen.
Overigens geldt dat bij de beoordeling van het door geïntimeerden gestelde wilsgebrek, zoals het hof hierna en verder zal bespreken, artikel 3:34 BW beslissend is en op de toepassing van die bepaling heeft de korte verjaringstermijn van artikel 4:54 lid 1 BW geen betrekking.
Een en ander betekent dat het beroep op verjaring niet slaagt zodat de grief in het principaal appel wordt verworpen.
Rechtsgevolgen testament van 26 oktober 2015
In het eindvonnis van 23 oktober 2019 heeft de rechtbank geconcludeerd dat de inhoud van het testament van erflater van 26 oktober 2015 niet overeenstemt met de (uiterste) wil van erflater en dat dit testament daarom geen rechtsgevolgen heeft.
De rechtbank heeft daartoe onder meer overwogen:
Gelet op bovenstaande wordingsgeschiedenis van het testament, met name de omstandigheden voorafgaand aan en tijdens het verlijden van het testament, rijzen er bij de rechtbank sterke twijfels dat het testament een betrouwbare neerslag is van hetgeen erflater bedoeld heeft als zijn laatste wil.
Die twijfels zijn zo sterk, dat aan het testament geen rechtgevolgen mogen worden verbonden.
Hiertegen is de vierde grief van appellante gericht.
Volgens appellante is het altijd de bedoeling van erflater geweest om zijn kinderen tot erfgenamen te benoemen en tegelijkertijd te zorgen voor zijn echtgenote.
Daarvan is alleen afgeweken bij het testament van 14 oktober 2015 dat op instigatie en onder regie van de kinderen tot stand is gekomen.
Volgens appellante dient er bij de bepaling van de wil van erflater in beginsel van uitgegaan te worden dat deze overeenstemt met de inhoud van het testament, gelet op de dwingende bewijskracht van een authentieke akte.
Het was de bedoeling van erflater dat appellante in de echtelijke woning zou kunnen blijven wonen, dat zij bij verkoop ervan in ieder geval haar eigen inbreng van € 300.000,- terug zou krijgen en dat de maandelijkse uitkering van € 1.000,- tot haar overlijden zou voortduren en zou overerven op haar twee dochters.
De omstandigheden die de rechtbank vermeldt, zien volgens appellante niet op de wil van de erflater.
Het criterium dat de rechtbank hanteert, vindt volgens appellante geen steun in het recht.
Geïntimeerden hebben de grief bestreden.
Volgens hen is het testament van 26 oktober 2015 door appellante aan erflater opgedrongen en wilde erflater geen ander testament maken dan hij op 14 oktober 2015 had gedaan en was hij onbekwaam om dat te doen.
Bij het gesprek met de notaris op 9 oktober 2015 voor het testament van 14 oktober 2015 was erflater helder van geest, zoals volgens geïntimeerden blijkt uit de geluidsopname van dat gesprek.
Een compilatie is bij dagvaarding in eerste aanleg overgelegd, een transcriptie van het gesprek is bij memorie van antwoord overgelegd; de geluidsopname is zowel in eerste aanleg als in hoger beroep ter griffie gedeponeerd.
Daaruit blijkt volgens geïntimeerden ook dat erflater niet te spreken was over de (levens)testamenten die eerder in 2014 waren opgesteld.
Bij het gesprek met kandidaat-notaris op 26 oktober 2015 in het verzorgingshuis was erflater volgens geïntimeerden lang niet zo helder als op 9 oktober 2015.
Uit de geluidsopname van dat gesprek, waarvan een volledige transcriptie bij dagvaarding in eerste aanleg is overgelegd, blijkt dat erflater niet consistent was en dat het testament van die datum niet overeenstemt met wat erflater wilde, aldus geïntimeerden.
Het hof overweegt hierover het volgende.
De omstandigheden die de rechtbank heeft opgesomd over de gang van zaken bij de opstelling van het testament van 26 oktober 2015 geven aanleiding voor gerede twijfel aan de overeenstemming tussen de inhoud daarvan en de wil van de erflater op dat moment.
Die twijfel wordt niet weggenomen door de transcriptie van de bespreking met de notaris op die dag, maar wordt er veeleer door bevestigd.
Daar staat tegenover dat het testament in zijn uiteindelijke vorm door erflater is ondertekend en dat uit de stellingen van geïntimeerden niet kan worden afgeleid dat erflater daartoe op die datum op zich niet bekwaam was.
Het gaat erom of het testament in die vorm de wil van de erflater weergaf.
Dat is in dit geval niet een kwestie van uitleg: de inhoud van het testament is op zich duidelijk genoeg zodat uitleg als bedoeld in artikel 4:46 lid 1 BW niet aan de orde komt.
Het hof leidt uit de omstandigheid dat de erflater zo kort tevoren een testament met een duidelijk andere strekking heeft doen opstellen, uit de omstandigheid dat nergens uit blijkt dat hij de wens te kennen heeft gegeven om tot een andere uiterste wilsbeschikking te komen of dat hij daarvoor zelf enig concreet voorstel heeft gedaan en uit de weinig consistente bijdragen van hem aan de bespreking op 26 oktober 2015 af dat het testament van die datum min of meer buiten hem om tot stand is gekomen en dat het niet zijn uiterste wil weergeeft.
Naar het oordeel van het hof hebben geïntimeerden op dit punt voldaan aan hun stelplicht en – voorshands – aan de op hen rustende bewijslast, zodat het aan appellante is tegenbewijs te leveren.
Zij heeft in algemene termen bewijs aangeboden, hetgeen een aanbod tot het leveren van tegenbewijs impliceert.
Het hof zal appellante toelaten tot tegenbewijs tegen de voorshands bewezen geachte stelling van geïntimeerden dat de inhoud van het testament van erflater van 26 oktober 2015 niet overeenstemt met de uiterste wil van erflater.
Wanneer appellante erin slaagt dit tegenbewijs te leveren, slaagt haar vierde grief en dienen op grond van de devolutieve werking van het hoger beroep de overige grondslagen voor de vorderingen van geïntimeerden met betrekking tot het testament van 26 oktober 2015 aan de orde te komen.
Het hof loopt daar nu niet op vooruit.
Wanneer appellante er niet in slaagt het tegenbewijs te leveren, wordt de grief verworpen en blijft de desbetreffende verklaring voor recht in stand.
Voor dat geval heeft appellante in hoger beroep bij voorwaardelijke vermeerdering van eis een verklaring voor recht gevorderd dat het eerdere testament van erflater van 14 oktober 2015 geen rechtsgevolgen heeft.
Deze vordering heeft appellante evenwel niet met voldoende feitelijke gegevens onderbouwd, zodat zij wat dat betreft niet aan haar stelplicht heeft voldaan en die vordering, wanneer deze aan de orde zou komen, niet voor toewijzing in aanmerking zou komen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.