Erfrecht. Uitleg van een testament. Is het testament onduidelijk? Bedoeling van de erflater. Daden of verklaringen van de erflater. Is de erfstelling in testament vervallen?
De Rechtbank Noord-Holland heeft op 1 juni 2022 uitspraak gedaan over de uitleg van een testament.
Deze zaak gaat over uitleg van een testament dat erflater in 1995 heeft gemaakt.
In dat testament heeft erflater gedaagde tot enig erfgenaam benoemd.
Na 1995 heeft erflater geen nieuw testament meer gemaakt.
Wel heeft hij in de loop van de tijd meerdere handgeschreven verklaringen opgesteld waarin hij zijn nalatenschap toebedeelt aan andere personen, meestal zijn partner op dat moment.
In juli 2019 zijn erflater en eiser een geregistreerd partnerschap aangegaan.
Erflater is in 2020 overleden.
Gedaagde meent dat het testament uit 1995 duidelijk is en dat hij dus enig erfgenaam van erflater is.
Eiser daarentegen stelt dat het testament zo moet worden uitgelegd dat hij de enig erfgenaam van erflater is dan wel dat de erfstelling waarin gedaagde tot enig erfgenaam is benoemd niet meer geldig is, zodat eiser als geregistreerd partner de erfgenaam van erflater is.
De rechtbank volgt eiser en verklaart voor recht dat de erfstelling in het testament uit 1995 als vervallen moet worden beschouwd.
Erfrecht. Uitleg van een testament. Is het testament onduidelijk? Bedoeling van de erflater. Daden of verklaringen van de erflater. Is de erfstelling in het testament vervallen?
De rechter oordeelt als volgt.
Erflater heeft in het verleden zes testamenten opgemaakt.
In het laatste testament uit 1995 heeft hij gedaagde tot enig erfgenaam benoemd.
Daarna heeft erflater een aantal handgeschreven verklaringen opgesteld waarin hij schrijft dat hij eerdere uiterste wilsverklaringen herroept of aanvult en hij met enige regelmaat andere personen als enig erfgenaam aanwijst en beschrijft wat er na zijn overlijden met zijn vermogen moet gebeuren.
Het wijzigen of herroepen van een laatste wil is alleen mogelijk door het laten opmaken van een notariële akte of door een aan een notaris in bewaring gegeven onderhandse akte.
Dat heeft erflater niet gedaan, zodat het testament uit 1995 nog steeds geldt.
Partijen verschillen van mening over de uitleg van het testament en dan met name over de daarin opgenomen erfstelling.
Omdat de uiterste wil is gemaakt voor 1 januari 2003 (onder het oude recht), maar erflater daarna (onder het nieuwe recht) is overleden, is artikel 4:46 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) van toepassing op grond van artikel 68a Overgangswet NBW.
In dat artikel staat dat bij de uitleg moet worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.
Dat geldt ook als de uiterste wilsbeschikking op het eerste gezicht duidelijk is.
Deze verhoudingen en omstandigheden hoeven niet uit de uiterste wil te blijken.
Wel mag alleen gelet worden op wat erflater op het ogenblik van het maken van de uiterste wilsbeschikking met zijn beschikking heeft bedoeld.
Toekomstige omstandigheden mogen in beginsel geen rol spelen, tenzij erflater deze kan hebben verwacht (MvA II, Parl. Gesch. Vaststellingswet Erfrecht, p. 278-279).
De tijdens het testeren bestaande omstandigheden zijn relevant voor het antwoord op de vraag of de bewoordingen van het testament een duidelijke zin hebben (HR 3 december 2004, HR:2004:AR0196).
Alleen als de uiterste wil onduidelijk is mag voor de uitleg van een wilsbeschikking gebruik worden gemaakt van daden of verklaringen van erflater buiten de uiterste wil (artikel 4:46 lid 2 BW).
Daarbij zal eventueel ook betekenis kunnen worden toegekend aan daden of verklaringen van erflater vóór en na het maken van de uiterste wil voor zover daarmee de bedoelingen van erflater ten tijde van het maken van de uiterste wil kunnen worden achterhaald.
De rechtbank neemt bij de uitleg het volgende in aanmerking.
Niet in geschil is dat erflater meerdere affectieve relaties heeft gehad.
In de periode van 1972 tot 1990 had erflater een relatie met betrokkene 1, die in het testament uit februari 1995 een legaat heeft gekregen.
Betrokkene 1 merkt in zijn schriftelijke verklaring op dat hij nogal wat jonge mannen voorbij heeft zien komen met wie erflater een kortstondige relatie heeft gehad en dat erflater tot 1995 bij elk nieuw vriendje zijn testament wijzigde.
Uit het dossier blijkt dat erflater in de periode 1985 tot en met 1995 inderdaad zes keer een testament heeft opgemaakt.
Of en zo ja, met wie erflater in 1995 toen hij het testament opmaakte een affectieve relatie had, is niet bekend.
In het testament wordt alleen de naam van gedaagde vermeld zonder aanduiding van de hoedanigheid waarin gedaagde tot erfgenaam wordt benoemd of een omschrijving van de reden van de erfstelling.
Ook uit de overige tekst van het testament kan niet worden afgeleid welke verhoudingen erflater wilde regelen.
Gedaagde heeft ter zitting verklaard dat hij erflater in 1993 heeft leren kennen toen hij psychologie ging studeren.
Op de faculteit hing een briefje met de mededeling dat erflater een stagiaire zocht voor zijn praktijk.
Gedaagde heeft daarop gereageerd en is vervolgens voor drie dagen per week in de praktijk van erflater gaan werken.
Ten tijde van het opmaken van het testament in 1995 werkte gedaagde nog steeds bij erflater.
Gedaagde stelt dat de relatie met erflater zowel een vader-zoon relatie als een zakelijke relatie was en dat erflater met de erfstelling de overname van zijn bedrijf wilde regelen.
Eiser betwist dat.
Hij vermoedt dat gedaagde en erflater destijds een affectieve relatie hadden.
De rechtbank stelt vast dat er weinig informatie is over de (privé)situatie van erflater ten tijde van het maken van het testament in 1995.
Zo is niet duidelijk of erflater op dat moment een affectie relatie had en zo ja, met wie en ook niet of er andere personen waren die een belangrijke rol speelden in het leven van erflater.
Ook is weinig bekend over de reden waarom erflater in 1995 zijn eerdere testament uit 1993 heeft veranderd.
Uit het dossier kan wel worden afgeleid dat de wil van erflater regelmatig wisselde, want in tien jaar tijd heeft hij zes nieuwe testamenten opgemaakt.
De inhoud van die testamenten is niet bekend.
Betrokkene 1 heeft verklaard dat erflater bij elk nieuw vriendje van testament wisselde.
Dat zou inderdaad de reden kunnen zijn van de vele testamenten die erflater heeft opgemaakt en ook van het testament uit 1995, maar dat kan niet met zekerheid worden vastgesteld.
Gedaagde ontkent dat sprake was van een affectieve relatie tussen hem en erflater, zoals eiser stelt.
Volgens gedaagde was sprake van een vader-zoon relatie en van een zakelijke relatie en was het in 1995 de wil van erflater dat gedaagde de praktijk van erflater na diens overlijden zou overnemen.
Dat dat inderdaad de bedoeling van erflater was, kan de rechtbank echter niet vaststellen.
Voortzetting van de praktijk staat niet als reden in het testament vermeld en gedaagde is nooit van een dergelijke bedoeling in kennis gesteld.
Gedaagde heeft zelf verklaard dat hij niet op de hoogte was van het feit dat hij als erfgenaam was benoemd.
Naar eigen zeggen heeft gedaagde de bedoeling van erflater ‘gereconstrueerd’ toen hij van de erfstelling op de hoogte raakte na het overlijden van erflater.
Feiten en omstandigheden die deze reconstructie kunnen dragen, heeft gedaagde evenwel niet gesteld.
De omstandigheden dat erflater graag belasting betalen vermeed, dat in het algemeen geldt dat het overdragen van een bedrijf fiscale voordelen heeft en erflater aan gedaagde vertelde dat het goed ging met zijn bedrijf, vormen hiervoor onvoldoende aanknopingspunten.
Ook valt op dat volgens het testament niet alleen de zakelijke bezittingen overgaan op gedaagde, maar de hele nalatenschap van erflater, waaronder diverse onroerende zaken in het buitenland.
Dat ligt niet zonder meer voor de hand als het erflater zou gaan om de overname van zijn praktijk.
Omdat er behalve de vermelding van de naam van gedaagde als erfgenaam in het testament weinig tot niets bekend is over de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt en over welke verhoudingen erflater met dat testament wilde regelen, is ook niet duidelijk of erflater heeft willen regelen dat gedaagde onder alle omstandigheden enig erfgenaam zou zijn, dus ook onder de omstandigheid dat gedaagde niet meer bij het bedrijf van erflater betrokken zou zijn of dat erflater een (andere) partner zou hebben.
Daarbij komt dat gedaagde in het testament slechts met zijn roepnaam is aangeduid in plaats van zijn officiële voornamen, wat enigszins afdoet aan de door gedaagde gestelde bestendigheid van de relatie.
De rechtbank tast in het duister over de verhoudingen die erflater in diens uiterste wil wenste te regelen.
De conclusie is dan ook dat het testament onduidelijk is (vgl. Hoge Raad 11 oktober 2013, HR:2013:911).
De vaststelling dat de uiterste wil onduidelijk is, heeft tot gevolg dat de rechtbank toekomt aan het tweede lid van artikel 4:46 BW.
Dat betekent dat daden of verklaringen van de erflater die niet zijn vervat in zijn testament bij de uitleg daarvan mogen worden gebruikt.
Dat geldt ook voor daden en verklaringen van vóór en na het maken van het testament in 1995.
De rechtbank zal aan de hand daarvan onderzoeken wat de erflater heeft beoogd met de in zijn testament opgenomen erfstelling.
De rechtbank neemt daarbij het volgende in aanmerking.
Erflater heeft na het opmaken van het testament in 1995 geen nieuwe testamenten bij de notaris meer laten opmaken.
Wel heeft hij een aantal handgeschreven verklaringen gemaakt, waarin hij heeft beschreven wie welk deel van zijn nalatenschap moet erven.
Deze verklaringen kunnen niet worden aangemerkt als uiterste willen, maar zij kunnen mogelijk wel worden gebruikt om te achterhalen wat de bedoeling van erflater was bij het opmaken van het testament in 1995.
Gedaagde heeft de echtheid van die verklaringen in twijfel getrokken, maar zonder toe te lichten waarop die twijfel is gebaseerd.
Betrokkene 2 schrijft in zijn e-mail aan betrokkene 1 echter dat hij destijds ook een handgeschreven wilsbeschikking van erflater heeft gekregen.
In zijn e-mail van 7 oktober 2018 aan betrokkene 6 refereert erflater bovendien aan zijn handgeschreven verklaring van 22 februari 2017 11:50 uur waarin hij schrijft dat al zijn roerende en onroerende zaken in Marokko na zijn dood naar betrokkene 4 gaan.
Dit duidt erop dat erflater inderdaad handgeschreven verklaringen heeft opgesteld.
Daar tegenover heeft gedaagde de echtheid van de in het geding gebrachte verklaringen onvoldoende onderbouwd betwist.
De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat erflater de in deze zaak overgelegde verklaringen zelf heeft geschreven en ook dat die verklaringen de wil van erflater op het moment van schrijven weergeven.
Erflater zelf lijkt in de veronderstelling te zijn geweest dat aan zijn handgeschreven verklaringen waarde toekomt.
Gedaagde heeft niet weersproken dat erflater handgeschreven verklaringen bij betrokkene 2 in bewaring heeft gegeven.
Betrokkene 2 heeft zijn eigen exemplaar van de handgeschreven verklaring van erflater na zijn vertrek bij het bedrijf weer aan erflater geretourneerd.
Dat zou niet nodig zijn geweest als erflater er vanuit ging dat de handgeschreven verklaringen zinloos waren.
Erflater lijkt er in zijn hiervoor genoemde e-mail aan betrokkene 6 ook vanuit te gaan dat als hij overlijdt betrokkene 4 inderdaad eigenaar wordt van zijn bezittingen in Marokko zoals in zijn handgeschreven verklaring van 22 februari 2017 11:50 uur staat.
Uit de handgeschreven verklaringen kan worden afgeleid dat erflater – net als in de periode 1985 tot en met 1995 – regelmatig van mening veranderde over wie wat moest erven.
In de op 5 oktober 2016 opgestelde verklaring heeft erflater betrokkene 3, destijds zijn partner, tot erfgenaam benoemd en heeft hij bepaald dat zijn praktijk met alle daarbij horende roerende en onroerende zaken na zijn overlijden overgaat op betrokkene 2, die ten tijde van het schrijven van de verklaring werkzaam was in de praktijk van erflater.
In de daarop volgende aanvullende verklaring heeft erflater opgenomen dat betrokkene 4, met wie hij op dat moment (ook) een relatie had, de roerende en onroerende zaken in Marokko krijgt.
In de laatste aanvullende verklaring van 12 juli 2018 heeft erflater een deel van zijn nalatenschap aan eiser gelegateerd, met wie hij op dat moment al een relatie had. In de verklaringen heeft erflater dus steeds diegene vermeld met wie hij op het moment van opstellen van de verklaring een affectieve relatie had (betrokkene 3, betrokkene 4 en eiser), dan wel nauw samenwerkte (betrokkene 2).
Volgens betrokkene 1, die van 1972 tot 1990 een affectieve relatie met erflater had, handelde erflater tot 1995 op dezelfde wijze en veranderde hij ook toen bij elk nieuw “vriendje” zijn testament.
Vast staat dat erflater ten tijde van het maken van het testament 51 jaar oud, ongehuwd en kinderloos was.
Een huwelijk of geregistreerd partnerschap met iemand van hetzelfde geslacht was toen nog niet mogelijk. Uit de stukken blijkt dat erflater in ieder geval een zus had.
Onder die omstandigheden zou zij erfgenaam zijn geweest als erflater geen testament had opgemaakt. Dit verdiende kennelijk niet de voorkeur van erflater.
In juli 2019 is erflater een geregistreerd partnerschap aangegaan met eiser.
Volgens eiser verkeerde erflater in de veronderstelling dat hij daarmee had geregeld dat eiser zijn erfgenaam zou zijn en dat dit fiscaal de meest gunstige optie was.
Het bestaan van een eerder testament is volgens eiser toen niet besproken.
Eiser heeft met zijn verklaring over het adviesgesprek dat hij en erflater hebben gevoerd met de notaris voldoende onderbouwd dat dat inderdaad de bedoeling van erflater was.
Gedaagde heeft de inhoud van het gesprek met de notaris weliswaar betwist, maar die betwisting is tegenover de uitgebreide verklaring van eiser onvoldoende gemotiveerd.
De rechtbank neemt dan ook aan dat erflater met het geregistreerde partnerschap (onder meer) heeft willen regelen dat zijn nalatenschap aan zijn partner (eiser) zou toekomen.
Dit is ook in lijn met wat erflater in zijn handgeschreven verklaring van 12 juli 2018 heeft gesteld.
Bovendien is het niet ongebruikelijk voor niet juristen te veronderstellen dat een geregistreerd partnerschap voldoende is om het erfgenaamschap van de partner in kwestie afdoende te regelen, ook als erflater zich nog bewust was van het door hem ruim 25 jaar eerder gemaakte testament.
Behalve in het testament uit 1995 is gedaagde door erflater verder niet meer genoemd.
In de handgeschreven verklaringen komt gedaagde niet voor.
Uit de verklaring van gedaagde ter zitting blijkt ook dat het contact tussen gedaagde en erflater na 2000 steeds minder is geworden.
Na het afronden van zijn studie in 1999/2000 is gedaagde gestopt met werken in de praktijk van erflater en in 2008 is hij met zijn echtgenote naar Overijssel verhuisd.
Erflater is na de verhuizing nooit bij gedaagde op bezoek geweest.
Volgens gedaagde was er nog wel contact tussen hen, maar dat blijkt niet meer geweest te zijn dan een door erflater gestuurde brief of kaart met kerst en na de geboorte van een kind.
Gedaagde was er naar eigen zeggen ook niet van op de hoogte dat erflater ernstig ziek is geweest en ook van het overlijden van erflater hoorde hij pas toen hij van de notaris bericht kreeg in verband met het testament waarin hij als erfgenaam werd genoemd.
Uit het dossier en de verklaring van gedaagde ter zitting concludeert de rechtbank dat het contact tussen erflater en gedaagde na het vertrek van gedaagde uit de praktijk en zeker na de verhuizing van gedaagde naar Overijssel veel minder is geworden en dat er de laatste jaren nauwelijks nog contact tussen hen was.
De hiervoor genoemde daden en verklaringen van erflater zowel vóór als na het maken van het testament in 1995 duiden erop dat erflater wilde dat zijn nalatenschap zou toekomen aan degene met wie hij op het moment van het maken van de testamenten en het opstellen van de handgeschreven verklaringen een affectieve relatie had althans aan degene die in ieder geval een belangrijke rol speelde in zijn (zakelijke) leven.
De meest aannemelijke bedoeling van erflater is dan ook dat de benoeming van gedaagde tot erfgenaam in het testament uit 1995 uitsluitend gold voor de situatie dat gedaagde nog een belangrijke rol, zakelijk dan wel anderszins, speelde in het leven van erflater op het tijdstip van diens overlijden.
Die situatie bestond ten tijde van het overlijden van erflater al vele jaren niet meer.
Toen erflater overleed, waren de omstandigheden fundamenteel veranderd ten opzichte van 1995 toen hij het testament opmaakte.
Erflater en eiser waren inmiddels geregistreerd partners en erflater had al jaren (vrijwel) geen contact meer met gedaagde.
De omstandigheid dat erflater het 25 jaar oude testament niet heeft herroepen, acht de rechtbank niet van beslissende betekenis, omdat een enkel ‘niet doen’ niet als een daad of verklaring in de zin van artikel 4:46 lid 2 BW kan worden aangemerkt.
Gedaagde verwijst naar een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 17 februari 2021 (RBDHA:2021:1204) waarin een geregistreerd partner geen erfgenaam werd in verband met een eerdere erfstelling.
Anders dan in de onderhavige zaak bleek uit het testament in kwestie duidelijk de bedoeling van erflater.
De rechtbank Den Haag overweegt daarbij dat het niet ongewoon is dat een testateur ervoor kiest om, wanneer hij hertrouwt of een geregistreerd partnerschap aangaat, zijn kinderen uit het eerste huwelijk (deels) tot erfgenamen te benoemen en niet te kiezen voor een wettelijke verdeling ten nadele van zijn kinderen.
Ook dat verschilt van de voorliggende casus.
De door gedaagde aangehaalde uitspraak van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 maart 2022 (GHARL:2022:2169) kan hem evenmin baten.
Hier betrof het een subsidiaire erfstelling ten behoeve van de broer van erflater waarbij het hof als uitgangspunt heeft genomen dat erflater wist van het bestaan van zijn testament en dat hij dat testament moest herzien als hij wilde dat zijn nieuwe echtgenote en kinderen zouden erven.
Het hof komt tot de conclusie dat de verhouding die erflater kennelijk wilde regelen was dat na zijn scheiding zijn broer erfgenaam zou worden.
Het hof overwoog dat feiten en omstandigheden van na het maken van het testament alleen kunnen meedoen bij de uitleg van het testament als de erflater bij het maken ervan daarop vooruit is gelopen.
Voor zover gedaagde hiermee heeft willen stellen dat in deze casus ook geen acht mag worden geslagen op daden of verklaringen van erflater van na het maken van het testament, miskent gedaagde daarmee dat de rechtbank – anders dan het hof Arnhem-Leeuwarden – heeft geoordeeld dat het testament geen duidelijke zin heeft in de zin van het tweede lid van art. 4:46 BW.
De rechtbank komt dan ook tot de conclusie dat de in het testament uit 1995 opgenomen erfstelling waarin gedaagde tot enig erfgenaam is benoemd niet was bedoeld voor de gewijzigde omstandigheden ten tijde van zijn overlijden.
De erfstelling van gedaagde is dan ook vervallen, zodat gedaagde aan de uiterste wilsbeschikking geen aanspraken kan ontlenen.
Dit brengt met zich dat eiser als geregistreerd partner als erfgenaam bij versterf moet worden aangemerkt.
De vordering zal in zoverre worden toegewezen.
Anders dan eiser primair vordert kan de erfstelling niet zo worden uitgelegd dat eiser enig erfgenaam is van erflater.
Niet kan worden vastgesteld dat erflater in 1995 gedaagde tot enig erfgenaam heeft benoemd in de hoedanigheid van partner van erflater.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.