Erfrecht. Nietig testament? Wilsonbekwaamheid. Bewijsvoering. Medisch bewijs voor het aannemen van een geestelijke stoornis. Zelfverwaarlozing. Verwardheid.
De Rechtbank Gelderland heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of er voldoende medisch bewijs bestond voor het aannemen van een geestelijke stoornis bij de erflaatster.
Eiseres vordert dat de rechtbank het testament van moeder nietig zal verklaren op grond van artikel 3:34 lid 2 BW.
Eiseres legt aan haar primaire vorderingen samengevat ten grondslag dat het testament van moeder ingevolge artikel 3:34 lid 2 BW nietig is, omdat moeder ten tijde van het opstellen van het testament aan een geestelijke stoornis leed en haar wil tot testeren ontbroken heeft.
Erfrecht. Nietig testament? Wilsonbekwaamheid. Bewijsvoering. Medisch bewijs voor het aannemen van een geestelijke stoornis. Zelfverwaarlozing. Verwardheid.
De rechter oordeelt als volgt.
Volgens eiseres was moeder ten tijde van het opstellen van haar testament niet wilsbekwaam en is het testament opgesteld onder invloed van een geestelijke stoornis, zodat het testament nietig is.
Dit wordt door verweerders betwist.
Voorop staat dat moeder op 19 mei 2017, toen het testament werd verleden, handelingsbekwaam was en dus bekwaam tot het maken van een uiterste wilsbeschikking.
Zij was immers meerderjarig en niet wegens een geestelijke stoornis onder curatele gesteld (vgl. artikel 4:55 BW in samenhang met artikel 3:32 BW).
Tussen partijen is echter in geschil of een met de uiterste wilsbeschikking van 19 mei 2017 overeenstemmende wil van moeder moet worden geacht te hebben ontbroken omdat zij een geestelijke stoornis had zoals bedoeld in artikel 3:34 lid 1 BW.
Indien dit het geval is, is de uiterste wilsbeschikking op grond van artikel 3:34 lid 2 BW nietig, aangezien het om een eenzijdige rechtshandeling gaat die niet tot één of meer bepaalde personen was gericht.
De vraag of het testament nietig is, moet worden beantwoord aan de hand van artikel 3:34 BW.
Voor toepassing van artikel 3:34 BW is vereist dat sprake is van een geestelijke stoornis.
Is die aanwezig, dan wordt de voor de rechtshandeling vereiste wil geacht te ontbreken
-indien de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette, of
-indien de wilsverklaring onder invloed van de stoornis is gedaan.
De wil wordt dus vermoed te hebben ontbroken als een stoornis aanwezig is en één van deze twee omstandigheden zich heeft voorgedaan.
Uitgangspunt is dat de partij die zich op artikel 3:34 BW beroept dit alles moet stellen en zo nodig bewijzen.
Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv rust deze stelplicht en bewijslast op eiseres.
De rechtbank zal hieronder eerst de vraag beantwoorden of moeder ten tijde van het opmaken van haar uiterste wilsbeschikking op 19 mei 2017 een geestelijke stoornis had.
Bij die beoordeling kunnen ook feiten en omstandigheden die zijn voorafgegaan aan of gevolgd op het passeren van het testament van belang zijn.
Ter onderbouwing van haar stelling dat bij moeder sprake was van een geestelijke stoornis, waardoor zij op 19 mei 2017 toen zij haar testament liet opstellen en ook in de periode daarvoor onvoldoende in staat was om haar wil te bepalen, heeft eiseres het volgende gesteld.
Volgens eiseres was de fysieke gesteldheid van moeder niet goed, zo leed moeder aan kanker en heeft zij zolang eiseres zich kan heugen een drankprobleem gehad.
Ook mentaal was moeder volgens eiseres “ver heen”.
Zij wijst daarbij op het onbetaald laten van rekeningen waardoor gas, water en licht waren afgesloten en er rechtszaken aanhangig waren.
Verder stelt eiseres dat zij in november 2013 met de zussen van moeder heeft gesproken over de vraag of bewind voor moeder zou moeten worden aangevraagd, maar dat het niet tot een definitieve aanvraag is gekomen.
Eiseres wijst verder op een voorval in 2014, toen moeder “naar verluidt” haar intrek had genomen in een hotel, waar zij een verwarde indruk heeft achtergelaten.
Moeder is uiteindelijk in 2017, zo begrijpt de rechtbank, opgenomen in een zorghotel.
De vraag of op 19 mei 2017 sprake was van een geestesstoornis bij moeder moet worden beantwoord aan de hand van medische informatie: de vraag of sprake is van een stoornis vergt namelijk een medische beoordeling.
De geciteerde passages uit het medisch dossier van moeder geven geen uitsluitsel over de wilsbekwaamheid van moeder ten tijde van het opmaken van de uiterste wilsbeschikking.
In de geciteerde passages uit het medisch dossier is niets opgenomen over verwardheid van moeder.
Wel is opgenomen dat sprake was van zelfverwaarlozing en een vervuilde woning, maar dit rechtvaardigt niet het oordeel dat sprake is van een geestelijke stoornis.
In het medisch dossier is op 13 april 2017 opgenomen dat moeder aan vier cognitieve stoornissen lijdt, maar niet is opgenomen (of in elk geval is niet geciteerd dan wel onderbouwd) welke stoornissen dit zijn of wat de symptomen hiervan zijn.
Daar komt bij dat, zoals door verweerders is aangevoerd, onduidelijk is van wie de geciteerde passages afkomstig zijn en welke deskundigheid deze persoon of personen hebben.
Op grond van hetgeen eiseres heeft gesteld kan, zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, niet worden vastgesteld dat moeder ten tijde van het opmaken van het testament op 19 mei 2017 leed aan een geestelijke stoornis, zodat het testament niet nietig is.
Tegenover het gemotiveerde verweer van verweerders heeft eiseres haar stellingen onvoldoende onderbouwd.
Aan bewijslevering komt de rechtbank om die reden niet toe.
Dit betekent dat de primair gevorderde verklaring voor recht dat het testament van moeder nietig is zal worden afgewezen.
De rechtbank overweegt ten overvloede dat ook indien zou komen vast te staan dat de genoemde beperkingen van moeder in het algemeen kunnen worden aangemerkt als een geestelijke stoornis als bedoeld in artikel 3:34 BW hieruit nog niet volgt dat bij haar ook sprake was van een stoornis die haar bij het opmaken van het testament belette om een redelijke afweging te maken van de bij dat testament betrokken belangen of de wilsverklaring onder invloed van de stoornis is gedaan.
De notaris, aan wie het in de eerste plaats is te beoordelen of een testateur wilsonbekwaam is, heeft geen reden gezien voor twijfel aan het vermogen van moeder om een uiterste wil te maken.
Volgens eiseres had de notaris wel nader onderzoek moeten doen naar de geestestoestand van moeder gelet op de indicatoren genoemd in het voor de notariaat geldende Stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid ten behoeve van de notariële dienstverlening (hierna: het Stappenplan).
Zij wijst in dit verband op de volgende omstandigheden: moeder had een hoge leeftijd, zij was niet meer in staat zelfstandig te wonen en verbleef in een zorginstelling, zij slikte een medicijn dat leidt tot vermoeidheid en verwardheid, het initiatief tot het opstellen van het testament kwam van de zus van moeder en moeder kon zelf haar eigen wil niet ondertekenen.
Verweerder heeft in dit kader ter zitting verklaard dat hij twee of drie dagen voor het ondertekenen van het testament uitgebreid alleen met moeder heeft gesproken.
Volgens hem heeft moeder welbewust in het testament haar petekind (verweerder) tot enig erfgename benoemd.
Na twee of drie dagen heeft hij weer uitgebreid met moeder gesproken en heeft moeder – in aanwezigheid van twee getuigen – het testament ondertekend.
Moeder kon op dat moment bijvoorbeeld ook precies vertellen in welk laatje haar paspoort lag, hetgeen ook aangeeft dat hij geen enkele reden had om te twijfelen over haar geestestoestand.
Verder heeft verweerder betwist dat het initiatief tot het opstellen van het testament van de zus van moeder kwam.
De rechtbank overweegt dat ook in het geval dat een aantal indicatoren aanwezig was genoemd in het Stappenplan (zoals door eiseres gesteld) dit niet automatisch betekent dat moeder niet wilsbekwaam was.
Uit de verklaringen van de notaris blijkt juist het tegendeel: moeder was helder en overzag de consequenties van haar besluiten.
Het Stappenplan waarnaar eiseres verwijst, moet door de notaris worden toegepast indien deze aanleiding heeft om te veronderstellen dat moeder niet wilsbekwaam was en, zoals uit zijn verklaringen blijkt, had verweerder die aanleiding nu juist niet.
De omstandigheid dat moeder zelf niet meer haar handtekening onder het testament kon zetten zegt verder iets over haar fysieke conditie, maar niet over haar geestestoestand, en is bovendien door verweerders betwist.
Ook neemt de rechtbank in aanmerking dat de uiterste wilsbeschikking van 19 mei 2017 weliswaar voor haar daarin onterfde dochter eiseres ingrijpend is, maar niet een heel ingewikkelde of moeilijk te doorgronden inhoud heeft.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.