Erfrecht. Uitleg van een testament. Uitleg van het begrip samenwonen in testament. Opname in een zorginstelling. Voortduren van relatie. Wilsbepaling. Toetsing.

De Rechtbank Den Haag heeft onlangs uitspraak gedaan over de uitleg van het begrip samenwonen in een testament.

Het gaat in deze zaak om de vraag of A enig erfgenaam is van B en dat hangt af van de vraag of B en A op 1 april 2021 (nog) samenwoonden in de zin van het testament.

Daarbij komt het aan op de uitleg van het begrip ‘samenwonen’.

Erfrecht. Uitleg van een testament. Uitleg van het begrip samenwonen in testament. Opname in een zorginstelling. Voortduren van relatie. Wilsbepaling. Toetsing.

De rechter oordeelt als volgt.

Bij de uitleg van een testament moet gelet worden op wat degene die het testament liet maken kennelijk wenste te regelen en op de omstandigheden waaronder dat het testament is opgemaakt.

Tussen partijen is niet in geschil dat B en A een relatie hadden en elkaar als hun partner zagen.

Zij leefden zoveel als dat met hun beperkingen mogelijk was samen als een stel.

In die situatie heeft B zijn testament laten opstellen en een samenlevingsovereenkomst gesloten.

Daaruit komt naar voren dat B en A destijds wilden dat de gevolgen van hun relatie werden vastgelegd.

Die (notariële) stukken zijn opgesteld in formele taal en de inhoud van de samenlevingsovereenkomst sluit niet aan op de concrete omstandigheden van B en A.

Bij de samenlevingsovereenkomst is gebruik gemaakt van een standaardtekst die is geschreven voor mensen met die samen een (zelfstandige) huishouding gaan voeren en zelf hun financiële zaken regelen, dat lag voor B en A anders.

Niettemin gaat de rechtbank ervan uit dat de tekst is gekozen omdat B en A wilden vastleggen dat zij samen verder wilden en voor elkaar zouden zorgen en dat zij in grote lijnen begrepen wat er in de overeenkomst stond.

De notaris die de akte opstelt bespreekt dat immers met de mensen die het gaan ondertekenen en hij of zij tekent daar ook voor.

Dat is voor het testament ook zo.

Eiseres heeft in de dagvaarding aangevoerd dat de samenlevingsovereenkomst en het testament zijn opgesteld toen (en omdat) B en A rond 1990 gingen samenwonen in een huurwoning.

Volgens eiseres is dat niet goed gegaan en zijn zij kort daarna weer begeleid gaan wonen, en vervolgens ook in verschillende woningen/woongroepen.

Voor zover eiseres daarmee bedoelt dat het testament is geschreven met het oog op een situatie (van meer zelfstandig samenwonen) die zich maar kort heeft voorgedaan, volgt de rechtbank haar daarin niet.

De bewindvoerder heeft een en ander gemotiveerd betwist en eiseres heeft dit punt niet verder onderbouwd.

De rechtbank wijst in dit verband op de samenlevingsovereenkomst waarbij B en A – in 1990 – hebben verklaard dat zij al twee jaar samenwonen en een gemeenschappelijke huishouding voeren.

Daarbij hebben zij X als hun adres hebben opgegeven, dat is het adres van de instelling waar zij werden begeleid.

Ben A merkten dat (begeleid) samenwonen kennelijk zelf aan als ‘samenwonen’ en er zijn geen feiten en omstandigheden naar voren gekomen waaruit blijkt dat in het testament van B een andere vorm van samenwonen bedoeld is.

De rechtbank komt daarom tot het oordeel dat B en A langere tijd hebben samengewoond in de zin van het testament en dat het testament op die situatie zag.

B en A woonden sinds 2010 niet meer samen op een kamer in een woongroep.

Feitelijk woonden zij dus niet meer samen.

Dat betekent echter niet zonder meer dat aan de voorwaarde van het testament niet is voldaan.

Ook in eerdere rechtszaken is geoordeeld dat als een stel feitelijk niet meer samenwoont vanwege redenen buiten hun wil (bijvoorbeeld omdat een van de twee wordt opgenomen in een zorginstelling) de erfstelling die van het samenwonen afhankelijk is gesteld – zoals die in het testament van B – niet vervalt.

Daarbij is van belang dat de relatie nog steeds voortduurt en dat betrokkenen er niet voor hebben gekozen om niet langer samen te wonen.

In zulke gevallen hoeven mensen niet opnieuw een testament te maken om te zorgen dat hun partner – met wie zij niet meer feitelijk samenwonen – (nog steeds) hun erfgenaam is.

In deze zaak doet de bewindvoerder een beroep op de hiervoor bedoelde jurisprudentie.

Hij voert aan dat B in 2020 om gezondheidsredenen ergens anders is gaan wonen.

Hij beroept zich daarbij op passages uit begeleidingsplannen van A.

Eiseres heeft daartegen ingebracht dat zij heeft begrepen dat B  ergens anders is gaan wonen omdat het samenwonen niet goed ging.

De rechtbank ziet daarvoor echter onvoldoende steun in de begeleidingsplannen van A over de periode van 2015 tot en met 2021 die door de bewindvoerder in het geding zijn gebracht.

Andere stukken over de situatie van B en A zijn in deze zaak niet voorhanden.

In de begeleidingsplannen staat in de beschrijving van de voorgeschiedenis van A dat zij al jarenlang een relatie heeft met B, dat zij in 2009 samen zijn komen wonen en dat B in 2010 is verhuisd naar een andere plek omdat zijn lichamelijke gesteldheid en draagkracht achteruit gingen.

Uit de beschrijving de activiteiten van A blijkt dat ze B ook na 2010 regelmatig ziet en veel met hem optrekt.

Zij ziet hem onverminderd als haar partner.

Er zijn wel passages die erop wijzen dat A het moeilijk vond om goed om te gaan met het feit dat B verouderde en achteruitging en ook dat het hen beiden goed heeft gedaan om niet steeds samen te zijn.

Er zijn echter geen aanwijzingen dat zij niet meer samen verder wilden of niet meer wilden samenwonen.

De rechtbank verwijst in dat verband naar het begeleidingsplan uit 2015, waarin onder meer staat:

(p. 8) A heeft een relatie met B met wie zij een samenlevingscontract heeft.

Eind 2010 is B verhuisd naar Zuid.

De verhuizing heeft een grote impact gehad op A.

Zij maakte zich veel zorgen over de achteruitgaande gezondheid en de hartoperatie van B en het was erg wennen voor haar om niet meer samen met B te wonen.

Na een periode dat haar dit veel spanning gaf, lijkt ze hier nu haar weg in gevonden te hebben. (…)

(p. 9) In 2009 zijn B en A op X komen wonen.

In eerste instantie nog samen, maar aangezien de lichamelijke gesteldheid en de draagkracht van B achteruit ging, verhuisde hij in 2010 naar woning 411.

(p. 12) A heeft ruim 25 jaar een relatie met B.

Hij is 24 jaar ouder.

In het verleden konden ze terwijl ze bij elkaar woonden elkaar aardig onder druk zetten.

Inmiddels zijn ze gewend om niet meer bij elkaar op de groep te wonen en hebben ze hun draai gevonden.

Ze zien elkaar bijna dagelijks en ook al vindt A het nog wel eens moeilijk dat B niet meer bij haar woont, merken we wel dat ze actiever in het leven staat en dat B meer zijn rust kan zoeken op de groep waar hij woont.

Dat doet hen allebei goed.

Uit de latere begeleidingsplannen, die minder uitgebreid zijn, komt niet een ander beeld naar voren.

Naar het oordeel van de rechtbank biedt een en ander steun aan de stelling van de bewindvoerder dat B en A door omstandigheden buiten hun wil niet langer feitelijk samenwoonden maar dat zij nog wel samen waren zoals toen het testament werd opgesteld en waarvoor het beding in het testament is bedoeld.

Dat betekent dat A de erfgenaam is van B en dat de vorderingen van eiseres moeten worden afgewezen.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.