Erfrecht. Uitleg van een verblijvingsding in samenlevingscontract. Zijn de vorderingen opeisbaar? Samenwonen als ware gehuwd of hertrouwen zonder uitsluitingsbeding.

De Rechtbank Noord-Holland heeft onlangs uitspraak gedaan over de uitleg van een verblijvingsding in een samenlevingscontract met betrekking tot het begrip ‘samenwonen als ware gehuwd’.

Eisers zijn de erfgenamen van hun vader (erflater).

Erflater is in 2011 overleden.

Op dat moment woonde hij samen met zijn partner (gedaagde) in hun gezamenlijke woning.

In een samenlevingscontract uit 2004 is erflater met gedaagde overeengekomen dat bij overlijden van erflater, alle gemeenschappelijke bezittingen, waaronder de gezamenlijke woning, aan gedaagde verblijven, onder de verplichting van gedaagde om de helft van de waarde daarvan schuldig te erkennen aan eisers.

In het samenlevingscontract staat dat de vordering van eisers op gedaagde in principe tijdens het leven van gedaagde niet opeisbaar is, maar wel opeisbaar wordt (onder andere) in de situatie dat gedaagde gaat samenwonen als ware zij gehuwd, of in het huwelijk treedt zonder uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen.

Gedaagde is in 2014 gaan samenwonen met haar nieuwe partner, met wie zij in september 2016 is getrouwd onder uitsluiting van iedere gemeenschap van goederen.

Eisers betogen dat hun vordering in 2014 opeisbaar is geworden.

Erfrecht. Uitleg van een verblijvingsding in samenlevingscontract. Zijn de vorderingen opeisbaar? Samenwonen als ware gehuwd of hertrouwen zonder uitsluitingsbeding.

De rechter oordeelt als volgt.

Partijen zijn het er over eens dat eisers een vordering hebben op gedaagde ter hoogte van de helft van de waarde van de gemeenschappelijke bezittingen van gedaagde en erflater ten tijde van het overlijden van erflater (2011), met uitzondering van de inboedel

Die vordering is gebaseerd op het verblijvingsbeding in artikel 10 van het samenlevingscontract tussen gedaagde en erflater.

Daarin is verder – samengevat – bepaald dat de vordering van eisers in beginsel niet opeisbaar is gedurende het leven van gedaagde, maar dat de vordering opeisbaar wordt (onder andere) indien gedaagde gaat samenwonen als ware zij gehuwd, dan wel bij hertrouwen van gedaagde zonder het maken van huwelijkse voorwaarden inhoudende uitsluiting van elke gemeenschap van goederen

Aan de rechtbank ligt de vraag voor of de vordering van eisers opeisbaar is geworden doordat gedaagde is gaan samenwonen met betrokkene.

Daarbij wordt vooropgesteld dat gedaagde erkent dat zij met ingang van 11 januari 2014 is gaan samenwonen met betrokkene als ware zij gehuwd, zodat dit tussen partijen vaststaat.

Gedaagde betwist dat de vordering van eisers door de samenwoning met betrokkene opeisbaar is geworden en voert daartoe, samengevat, het volgende aan.

De achtergrond van de bepaling dat de vordering van eisers niet direct opeisbaar werd bij het overlijden van erflater, is dat gedaagde haar hoofdverblijf had (en heeft) in de woning, dat gedaagde niet in staat is eisers uit te kopen uit de woning, en dat erflater gedaagde verzorgd wilde achterlaten.

Gedaagde betoogt verder dat de bedoeling van erflater en gedaagde met de regeling over de directe opeisbaarheid is geweest dat zou worden voorkomen dat het aan eisers uit te keren bedrag door vermenging van het vermogen van gedaagde met dat van haar eventuele nieuwe partner teniet zou gaan.

Daarom is volgens gedaagde bepaald dat opeisbaarheid niet aan de orde is wanneer sprake is van een huwelijk onder uitsluiting van gemeenschap van goederen.

Volgens gedaagde is de notaris is vergeten om een dergelijke bepaling ook op te nemen voor het samenleven.

Gedaagde en betrokkene hebben bovendien slechts als proef samengewoond voorafgaand aan hun huwelijk, waarbij – gelet op de inhoud van het samenlevingscontract tussen gedaagde en betrokkene – geen (of nauwelijks) vermenging van het vermogen heeft plaatsgevonden, zodat geen grond bestaat voor opeisbaarheid van de vordering van eisers, aldus nog steeds het betoog van gedaagde.

Bij de beoordeling hiervan komt het aan op de uitleg van het verblijvingsbeding in artikel 10 van het samenlevingscontract tussen erflater en gedaagde.

Daarbij is niet alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van het samenlevingscontract van belang.

Beoordeeld moet worden welke zin partijen (erflater en gedaagde) in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen van het samenlevingscontract mochten toekennen en wat zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten.

De rechtbank volgt gedaagde niet in haar betoog dat de bepaling over de directe opeisbaarheid van de vordering niet anders kan worden uitgelegd dan dat erflater en gedaagde hebben bedoeld te voorkomen dat het (aan eisers uit te keren) vermogen van gedaagde teniet zou gaan door vermenging (met het vermogen van haar nieuwe partner).

Die gestelde partijbedoeling is namelijk niet te rijmen met het feit dat ook voor de situatie van (ongehuwd) samenwonen directe opeisbaarheid is overeengekomen.

Samenwonen leidt immers niet tot vermenging van vermogen.

Ter zitting heeft gedaagde bovendien verklaard dat erflater en zij nooit hebben gesproken over de bepaling over de directe opeisbaarheid bij samenwonen, maar dat de notaris de regeling zonder overleg met gedaagde en erflater aan de definitieve tekst van het samenlevingscontract heeft toegevoegd en dat zij daar verder geen acht op heeft geslagen.

Ook uit de verklaringen en gedragingen van erflater (of van de notaris) heeft gedaagde dus niet de verwachting mogen ontlenen dat de vordering van eisers uitsluitend opeisbaar zou worden als sprake zou zijn van vermenging van haar vermogen.

De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van gedaagde over de partijbedoeling van de bepaling over de directe opeisbaarheid bij samenwonen (te weten: het voorkomen van het tenietgaan van het aan eisers uit te keren vermogen door vermenging), omdat zij die stelling onvoldoende heeft gemotiveerd en uit haar verklaring ter zitting, integendeel, blijkt dat zij het in het geheel niet hebben gehad over opeisbaarheid in het geval van samenwonen met een nieuwe partner.

Het enkele argument dat erflater gedaagde verzorgd wilde achterlaten levert onvoldoende onderbouwing voor haar uitleg, omdat dat niet wegneemt dat partijen in hun samenlevingscontract een uitzondering hebben opgenomen voor het geval gedaagde na het overlijden van erflater opnieuw zou gaan samenwonen.

Bij deze stand van zaken komt de rechtbank niet toe aan de beoordeling van de vraag of er tijdens de samenleving tussen gedaagde en betrokkene daadwerkelijk vermenging van hun vermogens heeft plaatsgevonden (hetgeen gedaagde betwist onder verwijzing naar het samenlevingscontract met betrokkene en het betoog dat slechts sprake was van een proef).

Er is immers niet gebleken dat dit relevant is voor de beantwoording van de vraag of de vordering van eisers op grond van het verblijvingsbeding in het samenlevingscontract opeisbaar is geworden.

Voor de vraag of de vordering van eisers opeisbaar is naar het oordeel van de rechtbank enkel van belang of sprake is geweest van samenwoning tussen gedaagde en betrokkene als ware zij gehuwd.

Nu tussen partijen vaststaat dat daarvan – gedurende een periode van 11 januari 2014 tot het huwelijk op 6 september 2016, dus ruim 2,5 jaar – sprake is geweest, is de vordering van eisers op 11 januari 2014 in beginsel opeisbaar geworden.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.