Erfrecht. Uitleg van een testament. Verbreking van samenleving. Opname in verzorgingstehuis. Blijft partner na eindigen samenleving erfgenaam en executeur?
Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of volgens het testament van de erflaatster de partner van de erflaatster bij een feitelijke verbreking van de samenleving nog erfgenaam was gebleven.
De kinderen stellen dat de samenlevingsovereenkomst op 19 oktober 2018 is geëindigd.
Dat blijkt uit de brief van erflaatster aan appellant van 19 oktober 2018.
Erflaatster was wilsbekwaam en wilde graag verhuizen naar een service-appartement in D, maar appellant wilde dat niet.
Met pijn in het hart heeft erflaatster daarom de samenleving beëindigd.
Appellant betwist dat.
De brief van 19 oktober 2018 voldoet niet aan de eisen die in de samenlevingsovereenkomst daaraan zijn gesteld.
Het is immers geen aangetekende brief.
Het is ook volstrekt onaannemelijk dat erflaatster deze brief heeft geschreven, heeft getekend en begreep en wilde wat erin stond.
Volgens appellant was zij niet meer wilsbekwaam.
Hij bezocht erflaatster wekelijks en bracht dan bloemen mee; een gesprek met haar voeren was niet meer mogelijk.
Hij zette altijd het portret van hem dat de kinderen hadden omgedraaid weer rechtop.
Volgens appellant was de affectieve relatie tussen erflaatster en appellant niet verbroken.
Erflaatster wilde graag dat appellant bij haar in het verzorgingshuis kwam wonen.
Erfrecht. Uitleg van een testament. Verbreking van samenleving. Opname in verzorgingstehuis. Blijft partner na eindigen samenleving erfgenaam en executeur?
De rechter oordeelt als volgt.
Het hof oordeelt dat de samenwoning en de samenlevingsovereenkomst tussen erflaatster en appellant zijn geëindigd op 19 oktober 2018 door opzegging in de brief van erflaatster aan appellant.
Dat die brief niet aangetekend is verzonden maakt dat niet anders.
Partijen hebben inderdaad afgesproken dat opzegging alleen kan bij een aangetekende brief, kennelijk omdat dan meer zekerheid bestaat dat de opzegging de ander heeft bereikt.
In dit geval heeft de brief, ook al was hij niet aangetekend, appellant bereikt en is er geen reden vast te houden aan de strengere eis van een aangetekende brief.
De kinderen betwisten de stelling van appellant dat bij erflaatster de wil ontbrak voor opzegging van de samenlevingsovereenkomst.
Omdat appellant daarvan geen bewijs heeft aangeboden gaat het hof aan die stelling voorbij.
Dat betekent dat de grief faalt.
Dat de samenleving en de samenlevingsovereenkomst zijn geëindigd betekent nog niet dat ook de affectieve relatie van erflaatster en appellant is verbroken.
De kinderen betwisten dat niet.
Uit de brief van 11 februari 2019 volgt dat erflaatster nog steeds van appellant hield; uit de hiervoor geciteerde brief van 28 november 2019 blijkt zelfs dat erflaatster weer opnieuw zou willen samenwonen met appellant (in een koop- of huurwoning), waarin erflaatster het gezelschap van appellant heeft.
Appellant ging regelmatig op bezoek bij erflaatster en bracht dan bloemen voor haar mee. Hij heeft de avond voor zij is overleden afscheid van haar genomen.
Wie is erfgenaam?
Deze grief roept de vraag op wie erfgenaam is.
Appellant stelt dat hij de enige erfgenaam is en wijst op de erfstelling in het testament van erflaatster voor het geval zij vóór hem overlijdt.
De kinderen vinden dat zij erfgenamen zijn.
Zij voeren aan dat door het eindigen van de samenleving(sovereenkomst) de verzorgingsverplichting die erflaatster in haar testament noemt is vervallen.
Volgens hen heeft erflaatster bij het maken van haar testament in 1992 geen rekening gehouden met de mogelijkheid dat de samenwoning ten einde zou komen.
Dat heeft haar bij het maken van het testament niet voor ogen gestaan.
Omdat door het eindigen van de samenleving de feitelijke verhouding niet meer aansloot bij wat erflaatster in haar testament wilde regelen, kan haar uiterste wil zo worden uitgelegd dat die beschikking alleen gold voor de situatie voordat de samenleving eindigde.
Bovendien is volgens hen in dit geval artikel 4:52 BW van overeenkomstige toepassing, zodat door het eindigen van de samenleving(sovereenkomst) de erfstelling van appellant is vervallen; uit het testament van erflaatster is niet het tegendeel af te leiden.
Voor uitleg van een uiterste wil(sbeschikking) is het volgende van belang.
De partij die een bepaalde uitleg voorstaat moet haar stellingen over de uitleg die zij geeft aan een uiterste wil en de feiten en omstandigheden die daarvoor van belang zijn stellen en bij betwisting bewijzen.
Zij beroept zich immers op die uitleg en de rechtsgevolgen daarvan (artikel 150 Rv).
Om te kunnen vaststellen op welk rechtsgevolg de uiterste wil in het testament uit 1992 van erflaatster is gericht is uitleg nodig.
Op grond van artikel 4:46 lid 1 BW moet bij die uitleg worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.
Voor het vaststellen van die omstandigheden en verhoudingen kunnen ook verwachtingen die een erflater bij het maken van de uiterste wil had over de toekomst van belang zijn.
Feiten en omstandigheden van na het maken van de uiterste wil zijn van belang omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt of van verhoudingen die erflater in zijn uiterste wil kennelijk wenste te regelen.
Als zich na het opmaken van de uiterste wil feiten of omstandigheden voordoen waardoor de feitelijke verhoudingen niet langer aansluiten bij wat de erflater kennelijk wenste te regelen, dan kan de uiterste wil zo worden uitgelegd dat de desbetreffende beschikking alleen gold voor de situatie die bestond voordat de bedoelde feiten en omstandigheden zich hadden voorgedaan. Voor die uitleg is niet nodig dat de erflater bij het maken van de uiterste wil op die feiten en omstandigheden is vooruitgelopen.
Omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt
Erflaatster en appellant zijn in 1981 gaan samenwonen op de woonboot van appellant.
Zij was toen 34 jaar oud en hij 36.
Appellant was weduwnaar.
Zijn vrouw was overleden ten gevolge van een hersenbloeding.
Appellant had een zoon en een dochter; erflaatster had ook twee kinderen. In 1992 hebben erflaatster en appellant samen de woning gekocht.
De woning is betaald met een hypothecaire lening en de opbrengst van de woonboot van appellant.
Vanwege de koop van de woning hebben zij op 20 januari 1992 de samenlevingsovereenkomst gesloten.
In die samenlevingsovereenkomst is onder meer een verblijvingsbeding voor alle gemeenschappelijke goederen bij overlijden van de eerststervende opgenomen.
Op diezelfde dag heeft erflaatster haar testament gemaakt.
Appellant heeft die dag een testament met dezelfde inhoud gemaakt.
Verhoudingen die de uiterste wil van erflater kennelijk wenste te regelen.
Erflaatster en appellant hadden samen een woning.
Erflaatster wenste kennelijk te regelen dat appellant als langstlevende in de woning kon blijven wonen en heeft hem daarom tot haar enige erfgenaam benoemd.
Uiteindelijk was het kennelijk de bedoeling van erflaatster en appellant dat de woning en de rest van hun vermogen ten goede zouden komen van hun kinderen, niet alleen de eigen kinderen, maar ook de kinderen van de ander.
Feiten en omstandigheden van na het opmaken van de uiterste wil
De kinderen stellen dat door de beëindiging van de samenwoning van erflaatster en appellant de feitelijke verhoudingen niet langer aansloten bij wat erflaatster kennelijk wenste te regelen en dat haar uiterste wil zo moet worden uitgelegd dat de erfstelling van appellant en zijn benoeming tot executeur alleen golden voor de situatie dat de samenleving nog in stand was.
Appellant betwist die stelling en wijst erop dat erflaatster en appellant weliswaar niet meer samenwoonden, maar nog wel tot aan het overlijden van erflaatster een affectieve relatie met elkaar hadden.
De uitleg van de uiterste wil van erflaatster
Het hof gaat bij de uitleg ervan uit dat erflaatster en appellant niet meer samenwoonden in de woning die zij samen hadden gekocht.
Het hof gaat ook ervan uit dat zij nog steeds van elkaar hielden en zijn blijven houden.
Ook al had erflaatster de samenlevingsovereenkomst opgezegd, het was en bleef haar wens en intentie haar leven samen met appellant, met wie zij al bijna 40 jaar lief en leed deelde, voort te zetten.
Dat kon uiteindelijk niet meer in de gezamenlijke woning; erflaatsters gezondheid liet dat niet meer toe.
Voor appellant, die toen erflaatster een hersenbloeding kreeg en niet meer thuis kon wonen 84 jaar oud was, bleek het niet mogelijk samen met erflaatster nog te verhuizen naar een nieuwe woning.
Er is wel druk op hem geweest dat te doen; die druk kwam volgens appellant van de zoons van erflaatster.
De relatie van erflaatster en appellant is daardoor onder spanning komen te staan, maar in stand gebleven.
De erfstelling en executeursbenoeming ten gunste van appellant zijn onlosmakelijk verbonden met de affectieve relatie van erflaatster en appellant en de gezamenlijke eigendom van de woning.
Het hof ziet geen aanleiding te oordelen dat de erfstelling van appellant en zijn benoeming tot executeur in de uiterste wil van erflaatster vanwege de beëindiging van de samenwoning zo moeten worden uitgelegd dat deze alleen zouden gelden als erflaatster en appellant op het moment van overlijden van erflaatster nog samenwoonden in de gezamenlijke woning.
Er zijn geen aanknopingspunten voor deze door de kinderen bepleite uitleg.
Het staat ook haaks op de bedoeling van beiden dat de langstlevende bij het overlijden van een van hen in de woning zou kunnen blijven wonen.
In het testament van erflaatster is ook niet uitdrukkelijk verwoord dat de erfstelling van appellant en zijn benoeming tot executeur slechts gelden in het geval de samenwoning wordt verbroken door haar overlijden.
Uit niets blijkt dat erflaatster bij het maken van haar uiterste wil de bedoeling had dat deze niet zou gelden als de affectieve relatie van haar met appellant nog zou bestaan maar de samenwoning noodgedwongen door de gezondheidstoestand van een van hen zou zijn verbroken.
Het is opmerkelijk dat de kinderen spreken over een ‘vergeten testament’, waarmee zij kennelijk bedoelen dat erflaatster is vergeten haar testament (lees: de erfstelling van [appellant] en zijn benoeming tot executeur) te herroepen.
Dat ondersteunt niet hun eigen uitleg dat erflaatster haar uiterste wil alleen heeft gemaakt voor het geval zij bij overlijden zou samenwonen met appellant.
Als die uitleg klopt hoefde zij de erfstelling immers niet te herroepen en is zij dat ook niet vergeten.
Als de kinderen met ‘vergeten testament’ bedoelen dat erflaatster het testament echt was vergeten (en dus zou zijn uitgegaan van het versterferfrecht), is het vreemd dat zij toch uitleg vragen van het aanwezige testament.
De kinderen doen een beroep op overeenkomstige toepassing van artikel 4:52 BW dat bepaalt dat beschikkingen ten gunste van een verloofde of een echtgenote vervallen door echtscheiding of scheiding van tafel en bed, tenzij uit de uiterste wil zelf het tegendeel is af te leiden.
In de praktijk zullen samenwoners elkaar over en weer tot erfgenaam en executeur benoemen met het oog op het geval dat de samenwoning door het overlijden van één van hen eindigt.
In de notariële praktijk is het gebruikelijk dat uitdrukkelijk als voorwaarde in het testament op te nemen.
Ook als zij dat niet uitdrukkelijk hebben verwoord, kan er ruimte zijn dergelijke uiterste wilsbeschikkingen bij een eerdere beëindiging van de samenwoning zo uit te leggen dat deze niet voor die situatie gelden en als het ware zijn ‘vervallen’.
Die uitleg is dan in lijn met wat artikel 4:52 BW regelt voor beschikkingen ten gunste van verloofden en echtgenoten.
Het hof heeft al overwogen dat voor die uitleg in dit geval geen aanleiding is.
De slotsom is dat – gelet op de verhoudingen die erflaatster in haar testament kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder dit testament is gemaakt – de uiterste wilsbeschikkingen van erflaatster zo moeten worden uitgelegd dat zij appellant heeft benoemd tot enige erfgenaam en executeur en dat deze beschikkingen ook gelden in de situatie dat de samenwoning van erflaatster en appellant noodgedwongen is geëindigd vanwege de een gezondheidstoestand van erflaatster.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.