Erfrecht. Kort geding. Inzage in het medisch huisartsdossier van overleden moeder in verband met de beoordeling van wilsonbekwaamheid bij wijziging van een testament.
De Rechtbank Den Haag heeft onlangs uitspraak gedaan over het recht op inzage in het medisch huisartsdossier van een overleden moeder in verband met de beoordeling van haar wilsonbekwaamheid bij de wijziging van haar testament.
Het geschil draait om de vraag of de huisarts inzage moeten geven in het medisch huisartsdossier van erflaatster, dat wil zeggen of eiser voldoende heeft aangedragen om doorbreking van het medisch beroepsgeheim te rechtvaardigen.
Erfrecht. Kort geding. Inzage in het medisch huisartsdossier van overleden moeder in verband met de beoordeling van wilsonbekwaamheid bij wijziging van een testament.
De rechter oordeelt als volgt.
De huisarts stelt zich allereerst op het standpunt dat de vorderingen moeten worden afgewezen om dat daarbij een spoedeisend belang ontbreekt.
Hij wijst er daarbij op dat eiser pas op 27 november 2025 een verzoek tot inzage heeft gedaan, terwijl erflaatster al in 2024 is overleden.
Door eiser is weerlegd dat hij in deze periode (volledig) heeft stilgezeten.
Uit zijn eigen schriftelijke verklaring en ook uit de tijdens de zitting gegeven toelichting blijkt dat hij getracht heeft om informatie te verzamelen over de gang van zaken vanaf eind 2020 tot aan het overlijden van erflaatster, onder meer door navraag te doen bij de notaris die het laatste testament heeft verleden.
Volgens hem is het medisch dossier nog de enige objectieve bron van informatie over de geestestoestand van erflaatster ter inschatting van zijn kansen in een bodemprocedure. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft hij een spoedeisend belang om die inschatting zo snel mogelijk te kunnen maken.
Van hem kan niet worden gevergd dat hij eerst de uitkomst van een bodemprocedure afwacht om uitsluitsel te krijgen over de vraag of het zinvol is om de geldigheid van het testament en de onttrekkingen/schenkingen die van de bankrekening van erflaatster zijn gedaan in rechte aan te vechten.
Op grond van artikel 7:457 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) mag een medisch hulpverlener geen inzage in of afschrift van het medisch dossier aan anderen dan de patiënt verstrekken dan met toestemming van de patiënt.
Dit beroepsgeheim geldt ook na de dood van de patiënt.
Op de plicht tot geheimhouding zijn echter uitzonderingen mogelijk.
Eiser beroept zich op de uitzondering in artikel 7:458a lid 1 sub c BW.
Daarin staat dat – in afwijking van artikel 7:457 BW – de hulpverlener desgevraagd inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier van een overleden patiënt verstrekt aan eenieder die een zwaarwegend belang heeft en aannemelijk maakt dat dit belang mogelijk wordt geschaad, en dat inzage in of afschrift van gegevens uit het dossier noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang.
Omdat de belangen van de nabestaande en de overledene tegenstrijdig kunnen zijn, worden er hoge eisen gesteld aan het verkrijgen van het recht op inzage wegens een zwaarwegend belang.
Voor een geslaagd beroep op deze doorbrekingsgrond moet aan twee cumulatieve criteria worden voldaan:
1. degene die stelt dat hij een zwaarwegend belang heeft, moet met voldoende concrete aanwijzingen aannemelijk maken dat dit belang mogelijk wordt geschaad;
2. diegene moet aannemelijk maken dat inzage noodzakelijk is voor de behartiging van dit belang.
Deze criteria zijn ook terug te vinden in de handreiking die de Koninklijke Nederlandsche Maatschappij tot bevordering der Geneeskunst (KNMG) naar aanleiding van de invoering van artikel 7:458a BW op verzoek van de minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (VWS) heeft opgesteld.
In paragraaf 6.2.2.1. van die handleiding is daarnaast het volgende opgenomen:
“Nabestaanden kunnen een beroep doen op een zwaarwegend belang als een overledene zijn testament heeft aangepast, daarbij personen heeft onterfd en er concrete aanwijzingen zijn dat de overledene op het moment dat hij zijn testament wijzigde, wilsonbekwaam was.
De nabestaanden of erfgenamen kunnen u dan vragen of ze het medisch dossier van de overledene mogen inzien om daarmee te kunnen aantonen dat deze inderdaad wilsonbekwaam was op het moment van de wijziging van het testament.
Volgens vaste rechtspraak kan er in dergelijke gevallen worden aangenomen dat er sprake is van een zwaarwegend belang.
U zou daarom inzage kunnen geven in de betreffende delen van het medisch dossier.
Daarbij moet u wel meewegen of de nabestaanden niet ook op een andere manier dan door inzage in het dossier duidelijkheid kunnen krijgen over de eventuele wilsonbekwaamheid. Als dat zo is, dan mag u geen inzage geven. (…)”
Het belang van eiser om aan de hand van het medisch dossier te kunnen bewijzen dat erflaatster niet wilsbekwaam was ten tijde van het wijzigen van haar testament in 2021 en de nadien gedane onttrekkingen/schenkingen vanaf haar bankrekening het gevolg zijn van misbruik van de geestestoestand van erflaatster door zijn broer, levert naar het oordeel van de voorzieningenrechter een zwaarwegend belang op.
Vaststaat dat eiser door de testamentwijziging financieel is benadeeld, terwijl ook de onttrekkingen/schenking er mogelijk toe hebben geleid dat eiser, anders dan verwacht, minder of niets uit de nalatenschap van erflaatster verkrijgt.
Eiser heeft voldoende concrete aanwijzingen aannemelijk gemaakt voor het vermoeden dat erflaatster wilsonbekwaam was ten tijde van het verlijden van het testament en de periode daarna.
Niet in geschil is dat erflaatster in haar testament van 2021 eiser heeft onterfd, terwijl hij in het in 2020 opgestelde testament nog als erfgenaam en executeur was benoemd.
Op zichzelf kan dit (evenals de onttrekkingen/schenkingen), zoals de huisarts aanvoert, verklaard worden door het feit dat het contact tussen eiser en erflaatster sinds eind 2020 is verslechterd.
Uit de verklaring van eiser kan echter worden afgeleid dat de reden voor de verslechtering van het contact zich (vooralsnog) niet logisch laat verklaren.
Eiser heeft er daarbij – samengevat – op gewezen dat zijn band met erflaatster in 2020 goed was en dat hij erflaatster in datzelfde jaar heeft geholpen met de verwezenlijking van haar wens om terug te keren naar het westen van het land.
Samen met zijn vrouw heeft hij zich ingezet om een nieuwe woning te vinden en om de oude woning in A verkoop klaar te maken en te verkopen.
Na de verhuizing is erflaatster hem vervolgens uit het niets en onterecht gaan beschuldigden van diefstal van spullen en geld dat bedoeld was voor de verhuizing.
Ook deed zij het ineens voorkomen alsof de vrouw van eiser haar had aangezet tot de verhuizing.
Tijdens de zitting heeft eiser verder nog benoemd dat erflaatster rondom de verhuizing ook al voor haar doen vreemde (kinderachtige en achterdochtige) uitlatingen deed, die er – achteraf gezien – mogelijk op duiden dat er ook toen al een stoornis in de geestesvermogens van erflaatster was.
Hoewel dit – enkel op basis van de verklaringen van eiser en zijn vrouw – als merkwaardig te kwalificeren gedrag alleen niet voldoende is om aan te nemen dat erflaatster op het moment van het verlijden van het testament in 2021 en daarna wilsonbekwaam was, vormt dit naar het oordeel van de voorzieningenrechter in combinatie met de CIZ-aanvraag vanwege dementie in augustus 2024 en de kort daarop gevolgde opname van erflaatster in het verpleeghuis en haar overlijden wel een voldoende concrete aanwijzing.
Daarbij wordt in aanmerking genomen dat, zoals de huisarts ook heeft benadrukt, het verloop van dementie zich moeilijk laat voorspellen en per persoon verschilt.
Uit het tijdsverloop sinds de wijziging van het testament en de CIZ-aanvraag kan daarom niet zonder meer geconcludeerd worden dat in 2021 van wilsonbekwaamheid als gevolg van dementie (nog) geen sprake kon zijn.
Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is verder van belang dat sinds eind 2020 aan eiser geen informatie over het welzijn van erflaatster is verstrekt.
Ook van haar overlijden is hij pas drie weken later op de hoogte geraakt.
Eiser kan dus voor het aannemelijk maken van de wilsonbekwaamheid van erflaatster op dit moment alleen terugvallen op zijn eigen waarnemingen van voor eind 2020 en op de summiere informatie die hij na het overlijden van erflaatster heeft gekregen.
Zijn broer is, zo heeft eiser verklaard, ook nu nog weigerachtig met het verstrekken van informatie.
De enige gebleken objectieve bronnen die over de wilsbekwaamheid van erflaatster duidelijkheid kunnen geven zijn de waarnemingen van de notaris en het huisartsendossier.
De notaris heeft desgevraagd verklaard geen reden te hebben gehad om te twijfelen aan de wilsbekwaamheid van erflaatster – destijds 85 jaar – bij de wijziging van haar testament, maar hij heeft geen inzicht (willen) (ge)geven in de wijze waarop hij tot die conclusie is gekomen.
Ook als ervan wordt gegaan dat hij zorgvuldig heeft gehandeld, weegt dit onvoldoende op tegen de hiervoor genoemde concrete aanwijzingen.
Daarmee is naar het oordeel van de voorzieningenrechter ook voldoende aannemelijk dat de inzage in het medisch dossier van erflaatster noodzakelijk is ter behartiging van het zwaarwegende belang van eiser.
Uit het voorgaande volgt dat voldoende gronden bestaan om in kort geding het beroepsgeheim van de huisarts te doorbreken en inzage in het medisch dossier toe te staan.
Tijdens de zitting en ook met zijn subsidiaire vordering heeft eiser er blijk van gegeven dat het niet noodzakelijk is dat hij zelf inzage in het dossier heeft, maar dat voldoende is dat een arts op basis van het dossier van erflaatster verslag uitbrengt over de vraag of, en zo ja, vanaf welk moment erflaatster wilsonbekwaam was.
Partijen hebben een dergelijke oplossing ook tijdens en na afloop van de zitting verkent, waarbij voornamelijk de aan te wijzen arts onderwerp van geschil was.
Gelet hierop zal de voorzieningenrechter de subsidiaire vordering van eiser toewijzen, met dien verstande dat zal worden bepaald dat aan de door eiser aan te wijzen arts een geriatrische specialisatie dient te hebben en alleen inzage hoeft te worden gegeven in de medische gegevens die betrekking hebben op de periode december 2021 tot en met december 2024.
Nu de huisarts er tijdens de zitting blijk van heeft gegeven dat hij de veroordeling zal naleven, ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding om aan de jegens hem uit te spreken veroordeling een dwangsom te verbinden.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.