Erfrecht. Beschermingsbewind dementerende bejaarde. Vóór onderbewindstelling zijn geldbedragen en auto geschonken. Terugvordering mogelijk door de bewindvoerder?
Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 24-11-2020 uitspraak gedaan over de vraag of terugvordering van schenkingen, gedaan vóór de onderbewindstelling van de gever, mogelijk was.
Met de grief betoogt appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zowel de overboeking van € 20.000,- als de schenking van de auto onder invloed van een stoornis zijn gedaan.
De verklaringen van de hulpverleners zijn daarvoor onvoldoende.
Volgens appellante is het goed mogelijk dat onder bewind gestelde – ondanks zijn verslechterende gezondheid – op het moment van deze handelingen – door appellante schenkingen genoemd – geheel compos mentis was zodat niet kan worden geconcludeerd dat zijn wil was aangetast.
Voor het geval het hof mocht oordelen dat dit laatste wel het geval was, beroept appellante zich erop dat zij gerechtvaardigd erop heeft vertrouwd dat onder bewind gestelde haar het geld en de auto wilde schenken zodat sprake is van onaantastbare rechtshandelingen.
Zij voert daartoe aan dat de schenkingen passen in het patroon van het gezamenlijke luxe bestaan dat zij en de onder bewind gestelde leidden, de schenkingen plaatsvonden in juni 2016 terwijl het bewind eerst ruim twee maanden later is ingesteld, alsook dat zij niet op de hoogte was van de verslechterende situatie van de onder bewind gestelde.
Appellante stelt dat zij dergelijke situaties zelf niet goed kan inschatten, in welk verband zij onder meer wijst op de inhoud van de weergegeven brief van 20 september 2018 van haar behandelend arts.
Erfrecht. Beschermingsbewind dementerende bejaarde. Vóór onderbewindstelling zijn geldbedragen en auto geschonken. Terugvordering mogelijk door de bewindvoerder? Bewijs.
De rechter oordeelt als volgt.
Vooropgesteld wordt dat het in het kader van een beroep op artikel 3:34 van het Burgerlijk Wetboek (BW) (ontbreken van de wil als gevolg van een geestelijke stoornis) overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) (i) aan degene is die de verklaring aflegde om te stellen en zo nodig te bewijzen dat ten tijde van die verklaring zijn geestvermogens blijvend dan wel tijdelijk waren gestoord en (ii) tevens aan diegene is om aan te tonen dat als gevolg van die stoornis of in verband daarmee een met de verklaring overeenstemmende wil heeft ontbroken.
Indien de geestelijke stoornis en het causaal verband vaststaan, kan artikel 3:35 BW (gerechtvaardigd vertrouwen) een uitweg bieden voor de wederpartij van de geestelijk gestoorde.
Artikel 3:35 BW biedt de wederpartij bescherming tegen een beroep op het ontbreken van de wil indien er, kort gezegd, bij de wederpartij het gerechtvaardigde vertrouwen bestaat dat wil en verklaring wél overeenstemden.
Ook voor een geestelijke gestoorde geldt namelijk dat hij zich niet op het ontbreken van een met zijn verklaring overeenstemmende wil kan beroepen wanneer zijn wederpartij redelijkerwijs heeft mogen aannemen dat die wil er wel was.
Dit zal onder meer kunnen worden aangenomen in het geval dat de geestelijke stoornis voor de wederpartij niet kenbaar was of zij uit andere, bij normaal bewustzijn afgelegde, verklaringen van de feitelijke onbekwame heeft begrepen dat deze de verklaring wel degelijk heeft gewild.
De hierbij behorende stelplicht en de bewijslast rusten ter zake op de wederpartij.
Anders dan appellante heeft betoogd, volgt uit de inhoud van de bescheiden genoegzaam dat onder bewind gestelde ten tijde van de overboeking en de schenking van de auto leed aan een geestelijke stoornis als bedoeld in artikel 3:34 BW.
Bij onder bewind gestelde is naar aanleiding van een gesprek op 5 juni 2016 en een vervolggesprek op 25 juli 2016 door een specialist ouderengeneeskunde de diagnose dementie gesteld.
In het verslag is onder bewind gestelde door de specialist ouderengeneeskunde wilsonbekwaam geacht in het maken van een inschatting over zijn eigen situatie, over mogelijke (toekomstige) gevaren en over eventuele benodigde hulp.
Ook de huisarts van onder bewind gestelde heeft – blijkens de verwijsbrief – verklaard dat onder bewind gestelde dementerend is en een totaal gebrek aan ziekte-inzicht heeft.
De huisarts heeft voorts verklaard dat onder bewind gestelde ook geen inzicht meer heeft in zijn financiën en hoe zijn bestedingspatroon verantwoord kan zijn.
Uit deze verklaring volgt dat onder bewind gestelde omstreeks juni 2016 in een zodanige toestand verkeerde dat hij de gevolgen van zijn eigen handelingen niet meer kon overzien.
Het hof is evenals de rechtbank van oordeel dat hiermee is komen vast te staan dat de geestvermogens van onder bewind gestelde waren gestoord op het moment van de overboeking op 7 juni 2016 en de schenking van de auto.
Feiten en omstandigheden die tot een ander oordeel zouden kunnen leiden, zijn niet door appellante gesteld en evenmin anderszins gebleken.
Tussen partijen staat vast dat de overboeking van € 20.000,- geen lening betrof en dat appellante geen tegenprestatie behoefde te verrichten.
Daarmee is gegeven dat de overboeking nadelig was voor onder bewind gestelde.
Hetzelfde geldt voor de schenking van de auto.
Ingevolge artikel 3:34 BW wordt vermoed dat onder bewind gestelde deze overboeking onder invloed van zijn stoornis heeft verricht.
Het is dan aan appellante om dit vermoeden te weerleggen.
Het hof is van oordeel dat appellante ook in hoger beroep hierin niet is geslaagd.
Appellante heeft in dit verband slechts gesteld dat het heel goed mogelijk is dat onder bewind gestelde – ondanks zijn verslechterende gezondheid – op het moment van de overboeking geheel compos mentis was en dat de verklaringen van de hulpverleners onvoldoende zijn om tot een andere conclusie te komen, maar zij heeft die stelling onvoldoende onderbouwd en toegelicht.
Appellante heeft slechts volstaan met de stelling dat onder bewind gestelde haar al vanaf het begin van hun relatie in 2010 financieel steunde – zoals bij de overname van appellante van de echtelijke woning na haar echtscheiding – en dat onder bewind gestelde haar dure cadeaus schonk zoals een verlovingsring en een Volkswagen Polo, alsmede dat zij samen vele internationale reizen maakten die alle werden bekostigd door onder bewind gestelde.
Appellante miskent hierbij echter dat al deze gebeurtenissen dateren uit de periode omstreeks 2010 en 2011, althans van ver vóór de overboeking van 7 juni 2016, zodat deze niet relevant zijn voor de beoordeling van de vraag of de overboeking onder invloed van een stoornis is gedaan.
Bij de beoordeling of sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen in de zin van artikel 3:35 BW moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval, zoals de aard van de rechtshandeling, de bijzondere deskundigheid of ondeskundigheid van partijen en de mogelijkheid van nader onderzoek naar de wil van degene die de rechtshandeling heeft verricht.
Ook het door partijen over en weer te lijden nadeel is een van de factoren die wordt meegewogen bij de beoordeling of er sprake is van gerechtvaardigd vertrouwen in de zin van art. 3:35 BW.
Naarmate de handeling voor degene die zich op het opgewekte vertrouwen beroept voordeliger is en voor de verklarende (kenbaar) nadeliger is, zal het vertrouwen dat de verklaring werkelijk is gewild minder snel gerechtvaardigd zijn.
Er zullen dan meer redenen bestaan voor degene tot wie de verklaring gericht is om zich van de werkelijke bedoelingen van de wederpartij te vergewissen.
Zowel aan de desbetreffende verklaring voorafgaande gebeurtenissen als feiten en omstandigheden die zich na de verklaring voordoen, kunnen een aanwijzing vormen voor de beantwoording van de vraag of de andere partij gerechtvaardigd heeft mogen vertrouwen op de verklaring van de handelende partij.
Een beroep op artikel 3:35 BW slaagt indien vaststaat dat de wederpartij van de geestelijk gestoorde niet wist of behoefde te weten dat de verklaring werd afgelegd in een toestand van (tijdelijke) geestelijke stoornis.
Met andere woorden, de geestelijk gestoorde kan enkel een beroep op het gemis aan wil doen tegenover de wederpartij die de geestesstoornis kende of behoorde te kennen.
Uitgaande van bovengenoemde maatstaf is het hof met de rechtbank van oordeel dat appellante in de gegeven omstandigheden geen beroep toekomt op gerechtvaardigd vertrouwen als bedoeld in artikel 3:35 BW.
Daartoe is het volgende redengevend.
Blijkens de door haar ter zitting in eerste aanleg afgelegde verklaring was appellante vóór de overboeking en de schenking van de auto ervan op de hoogte dat zoon A bezig was een machtiging te verkrijgen teneinde over de financiën van onder bewind gestelde te beschikken.
Over het voorval op 7 juni 2016 – de dag van de overboeking – waarbij onder bewind gestelde urinerend in de lift was aangetroffen, heeft appellante – eveneens blijkens hetgeen is opgetekend in het proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg – verklaard “dat onder bewind gestelde een alcoholprobleem heeft, waardoor hij niet altijd meer weet wat hij doet.”
Gelet op deze feiten en omstandigheden had appellante zich moeten vergewissen van de werkelijke bedoelingen van onder bewind gestelde en of hij de gevolgen van zijn handelingen kon overzien.
Dit geldt te meer nu niet is gebleken dat het patroon waarbinnen onder bewind gestelde dure cadeaus schonk aan appellante alsmede haar financiële steun gaf, in de jaren ná 2011 zich heeft voortgezet tot aan 2016 zodat van een bestendige lijn in dit verband niet kan worden gesproken.
Ook is van belang dat onder bewind gestelde – naar zeggen van appellante – de schriftelijke verklaringen heeft opgesteld terwijl voor de dure cadeaus en financiële hulp in het verleden zulks niet geschiedde, althans dat daarvan niet is gebleken, hetgeen de situatie in 2016 wezenlijk anders maakt dan de situatie omstreeks 2010 en 2011.
De stelling van appellante dat zij situaties als waarin onder bewind gestelde in juni 2016 verkeerde zelf niet goed kan inschatten, kan – wat daarvan ook zij – haar niet baten nu dit voor haar risico komt.
Het beroep op gerechtvaardigd vertrouwen in de zin van artikel 3:35 BW wordt verworpen.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.