Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 13 oktober 2020 uitspraak gedaan over de bewijslast en bewijslastverdeling bij het aantonen van een veronderstelde geestelijke stoornis van de erflater.

Bij testament van 20 augustus 1998 hebben beide ouders laatstelijk over hun nalatenschap beschikt.

Daarbij hebben zij beiden, haar of zijn echtgenoot en haar of zijn kinderen tezamen en voor gelijke delen, met inachtneming van de voor plaatsvervulling geldende wettelijke regels, tot erfgenamen benoemd.

Beide testamenten bevatten een zogenoemde ouderlijke boedelverdeling (artikel 4: 1167 (oud) BW).

Het hof begrijpt de grieven van appellant als volgt.

Met de grief klaagt appellant dat de zijn ouders hun belangen niet meer behoorlijk konden waarnemen.

Het hof begrijpt deze grieven aldus dat appellant een beroep doet op artikel 3:34 BW

Geestelijke stoornis erflater? Wilsonbekwaamheid. Waardering van belangen. Bewijs. Bewijslast. Bewijslastverdeling. Omkering van bewijslast?

De rechter oordeelt als volgt.

Allereerst stelt het hof vast dat noch voor vader noch moeder curatele of bewind is ingesteld.

Zij waren dus beiden handelingsbekwaam tot hun overlijden.

Of ze ook wilsbekwaam waren, moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaf van art. 3:34 lid 1 BW.

Art. 3:34 BW volgt op art. 3:33 BW, dat bepaalt dat een rechtshandeling een met de verklaring overeenstemmende wil vereist.

Art. 3:34 lid 1 BW bepaalt dat een rechtshandeling aan nietigheid of vernietigbaarheid blootstaat als de betrokkene niet in staat was zijn voor die rechtshandeling vereiste wil te bepalen.

Er is in dat geval sprake van wilsonbekwaamheid, hoewel de wet deze term niet kent.

Voor toepassing van art. 3:34 BW is vereist dat sprake is van een tijdelijke of blijvende geestelijke stoornis.

Is die aanwezig, dan wordt de voor de rechtshandeling vereiste wil geacht te ontbreken indien (i) de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette, of (ii) indien de wilsverklaring onder invloed van de stoornis is gedaan.

De wil wordt dus geacht te hebben ontbroken als een stoornis aanwezig is en één van deze twee omstandigheden zich heeft voorgedaan.

Het hof begrijpt, net als de rechtbank dat appellant zijn vordering baseert op de geschetste situatie.

Dit betekent dat hij zowel de stoornis dient te bewijzen plus het feit dat de stoornis een redelijke waardering van de belangen belette.

De rechtbank heeft appellant in het bewijs daarvan geslaagd geacht voor de periode waarin op grond van de indicatiebesluiten is komen vast te staan dat beide ouders niet meer wilsbekwaam waren, derhalve voor de periode vanaf 24 augustus 2012.

Aangezien appellant stelt dat zijn ouders ook al daarvoor ten gevolge van hun geestelijke conditie niet meer in staat waren hun belangen behoorlijke waar te nemen, heeft de rechtbank appellant toegelaten te bewijzen dat de transacties die geïntimeerde ten behoeve van zijn ouders heeft verricht niet passen binnen het uitgavenpatroon dat de ouders tot 24 augustus 2012 hanteerden.

Het hof is het eens met voornoemde bewijslastverdeling door de rechtbank; degene die zich op art. 3:34 BW beroept zal dit alles moeten stellen en zo nodig bewijzen.

Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv. rust de bewijslast dus op appellant.

Het beroep van appellant in hoger beroep op het tweede deel van artikel 150 Rv faalt.

Daarbij kan immers van de hoofdregel van bewijslastverdeling worden afgeweken als uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.

Van een bijzondere regel in de hiervoor bedoelde zin, is in dit geval echter geen sprake.

Zowel het hebben van een volmacht als het feit dat dat geïntimeerde zelf zou hebben geschreven dat de ouders begin 2012 ziek waren en hun belangen niet meer behoorlijk konden waarnemen, zijn in de gegeven omstandigheden niet van een zodanige aard of gewicht, dat dit moet leiden tot omkering van de bewijslast.

Naar het oordeel van het hof vloeit in dit geval ook uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid niet voort dat moet worden afgeweken van de hoofdregel van bewijslastverdeling.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.