Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 13 oktober 2020 uitspraak gedaan over de vraag of de ouders van een erfgenaam nog wel wilsbekwaam waren tot het verrichten van rechtshandelingen.

Het hof begrijpt de grieven van appellant als volgt.

Met de grieven klaagt appellant dat de rechtbank hem heeft belast met bewijs terwijl geïntimeerde een volmacht had, geïntimeerde zelf zou hebben geschreven dat de ouders begin 2012 ziek waren en hun belangen niet meer behoorlijk konden waarnemen en omdat het ongebruikelijke transacties waren.

Het hof begrijpt deze grieven aldus dat appellant een beroep doet op artikel 3:34 BW.

Erfrecht. Waren beide ouders nog wel wilsbekwaam? Geestelijke stoornis? CIZ indicatiebesluit. Bewijs. Bewijslast.

De rechter oordeelt als volgt.

Allereerst stelt het hof vast dat noch voor vader noch moeder curatele of bewind is ingesteld.

Zij waren dus beiden handelingsbekwaam tot hun overlijden.

Of ze ook wilsbekwaam waren, moet worden beantwoord aan de hand van de maatstaf van art. 3:34 lid 1 BW.

Art. 3:34 BW volgt op art. 3:33 BW, dat bepaalt dat een rechtshandeling een met de verklaring overeenstemmende wil vereist.

Art. 3:34 lid 1 BW bepaalt dat een rechtshandeling aan nietigheid of vernietigbaarheid blootstaat als de betrokkene niet in staat was zijn voor die rechtshandeling vereiste wil te bepalen.

Er is in dat geval sprake van wilsonbekwaamheid, hoewel de wet deze term niet kent.

Voor toepassing van art. 3:34 BW is vereist dat sprake is van een tijdelijke of blijvende geestelijke stoornis.

Is die aanwezig, dan wordt de voor de rechtshandeling vereiste wil geacht te ontbreken indien (i) de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette, of (ii) indien de wilsverklaring onder invloed van de stoornis is gedaan.

De wil wordt dus geacht te hebben ontbroken als een stoornis aanwezig is en één van deze twee omstandigheden zich heeft voorgedaan.

Het hof begrijpt, net als de rechtbank dat appellant zijn vordering baseert op de onder i) geschetste situatie.

Dit betekent dat hij zowel de stoornis dient te bewijzen plus het feit dat de stoornis een redelijke waardering van de belangen belette.

De rechtbank heeft appellant in het bewijs daarvan geslaagd geacht voor de periode waarin op grond van de indicatiebesluiten is komen vast te staan dat beide ouders niet meer wilsbekwaam waren, derhalve voor de periode vanaf 24 augustus 2012.

Aangezien appellant stelt dat zijn ouders ook al daarvoor ten gevolge van hun geestelijke conditie niet meer in staat waren hun belangen behoorlijke waar te nemen, heeft de rechtbank appellant toegelaten te bewijzen dat de transacties die geïntimeerde ten behoeve van zijn ouders heeft verricht niet passen binnen het uitgavenpatroon dat de ouders tot 24 augustus 2012 hanteerden.

Het hof is het eens met voornoemde bewijslastverdeling door de rechtbank; degene die zich op art. 3:34 BW beroept zal dit alles moeten stellen en zo nodig bewijzen.

Op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv. rust de bewijslast dus op appellant.

Het beroep van appellant in hoger beroep op het tweede deel van artikel 150 Rv faalt.

Daarbij kan immers van de hoofdregel van bewijslastverdeling worden afgeweken als uit enige bijzondere regel of uit de eisen van redelijkheid en billijkheid een andere verdeling van de bewijslast voortvloeit.

Van een bijzondere regel in de hiervoor bedoelde zin, is in dit geval echter geen sprake.

Zowel het hebben van een volmacht als het feit dat dat geïntimeerde zelf zou hebben geschreven dat de ouders begin 2012 ziek waren en hun belangen niet meer behoorlijk konden waarnemen, zijn in de gegeven omstandigheden niet van een zodanige aard of gewicht, dat dit moet leiden tot omkering van de bewijslast.

Naar het oordeel van het hof vloeit in dit geval ook uit de eisen van de redelijkheid en billijkheid niet voort dat moet worden afgeweken van de hoofdregel van bewijslastverdeling.

Het hof gaat er bij de verdere beoordeling – evenals de rechtbank – van uit dat geïntimeerde sinds 2002 beschikte over een volmacht van zijn vader.

Aan appellant wordt toegegeven dat niet duidelijk is geworden wat deze volmacht precies inhield.

Voor de consequentie van de aanwezigheid van een volmacht maakt dat echter niet uit.

De volmacht zag immers op de rechtsbetrekking tussen erflater en geïntimeerde en niet tussen appellant en geïntimeerde.

Het hof gaat er dan ook van uit dat betalingen en geldopnames in opdracht van de erflater zijn gedaan, althans met zijn instemming zolang erflater in staat was om zijn wil te bepalen. Dit geldt zowel voor vader als moeder.

De wilsonbekwaamheid van de ouders moet worden beoordeeld naar het moment van de rechtshandelingen waartegen het bezwaar zich richt, dus hier de instemming van de ouder(s) met de betalingen waarvan appellant stelt dat die onrechtmatig zijn verricht vanaf in elk geval 1 januari 2012 .

Appellant heeft ter onderbouwing van zijn stellingen onder meer het volgende aangevoerd.

Het was op 9 maart 2012 gewenst dat zijn vader zou worden opgenomen op de gesloten afdeling.

Deze opname vond plaats op 16 maart 2012 en heeft geduurd tot zijn overlijden in 2014.

Uit de zogeheten ‘Zorgtoewijzing’ (ook wel genoemd: ‘CIZ indicatiebesluit’; hierna: indicatiebesluit) van vader van 6 juli 2012 blijkt onder meer dat op 9 maart 2012 ook een toets op grond van (destijds) art. 60 Bopz heeft plaatsgevonden.

Daaruit blijkt volgens appellant dat vader toen al niet in staat was om zijn belangen behoorlijk waar te nemen.

Verder stelt appellant dat de in de zorgtoewijzing genoemde score stoornisrecord en score beperkingsrecord dit ook zeer uitvoerig laten zien.

Daarnaast stelt appellant dat uit de opzegging van de huurovereenkomst door geïntimeerde is af te leiden dat vader daartoe niet in staat was.

De transacties die geïntimeerde vanaf 2012 heeft verricht, bevestigen het standpunt dat beide ouders niet meer in staat waren hun belangen behoorlijk waar te nemen.

Die transacties wijken immers volledig af van de transacties die vóór 2012 plaatsvonden, aldus appellant.

Verder stelt appellant dat van enige volmacht van moeder door geïntimeerde niet wordt gerept, laat staan van overleg met moeder.

Het hof overweegt dat voor zover uit de indicatiebesluiten van vader en moeder de conclusie getrokken zou kunnen worden dat sprake is van een geestelijke stoornis vanaf dat beoordelingsmoment op 6 juli 2012 respectievelijk 24 augustus 2012, dat niet voldoende zegt over de periode daarvoor.

Daarnaast zou ook nog vastgesteld moeten worden dat beide ouders door de geestelijke stoornis niet instaat waren tot een redelijke waardering van hun belangen.

Hoewel het hof van oordeel is dat uit het indicatiebesluit van het CIZ feiten kunnen blijken die kunnen duiden op onmogelijkheid tot het redelijk waarderen van belangen, is het hof anders dan de rechtbank van oordeel dat alleen de CIZ-bevindingen daarvoor onvoldoende zijn.

Hiervoor is van belang dat de CIZ-bevindingen niet zijn geschreven met het oog op het vaststellen van wilsbekwaamheid, maar om een opname te kunnen bewerkstelligen.

In dit geval is ook nog eens bekend dat het nodig was om vader op te nemen, omdat moeder voor een operatie was opgenomen in het ziekenhuis en hij niet voor zichzelf kon zorgen.

Dit kan ook van belang zijn geweest bij het (mogelijk) iets zwaarder aanzetten van de bewoordingen over de geestesgesteldheid van vader.

Daarnaast overweegt het hof dat wilsbekwaamheid en bijvoorbeeld dementie andere grootheden zijn, zoals ook al eerder in de jurisprudentie is vastgesteld.

Dit betekent dat het hof oordeelt dat naast de CIZ-bevindingen appellant ook andere feiten had moeten stellen.

Appellant heeft in dat verband gesteld dat hij van de huisarts heeft vernomen dat vader de ziekte van Alzheimer had.

Verder heeft appellant gesteld dat vader depressief was, niet meer kon handelen en vaak verdwaalde.

Vader mocht geen boodschappen meer doen en helemaal geen bankzaken. Het hof stelt echter vast dat ten aanzien van deze andere feiten appellant stellingen inneemt over vader, maar dat die niet nader worden onderbouwd met bijvoorbeeld een verklaring van de huisarts of het zorgpersoneel.

Over moeder heeft appellant geen nadere feiten gesteld, terwijl dat wel tot zijn stelplicht behoort.

Appellant kan niet volstaan met de opmerking dat geïntimeerde meer had moeten uitleggen over zijn verhouding tot moeder.

Verder overweegt het hof dat de gestelde feiten van appellant weliswaar stroken met een beeld van Alzheimer of dementie van vader, maar dat daarmee wilsonbekwaamheid nog niet aangetoond is, zoals hiervoor al is overwogen.

Nu appellant onvoldoende heeft gesteld, neemt het hof aan dat beide ouders tot hun overlijden wilsbekwaam zijn geweest.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.