Erfrecht. Nietigverklaring testament. Wilsonbekwaamheid. Hoogbejaard. Dementie. Curatele. Was een redelijke waardering van de belangen mogelijk? Maatstaf. Toetsing.
De Advocaat-Generaal bij het Parket bij de Hoge Raad heeft op 1 oktober 2021 de toetsingsnorm besproken bij het vaststellen van de mogelijkheid tot een redelijke waardering van de belangen van een hoogbejaarde erflaatster bij het opmaken van haar testament.
Deze zaak heeft betrekking op de vraag of een in 2015 verleden testament van een 104-jarige erflaatster nietig moet worden verklaard, omdat erflaatster ten tijde van het opmaken en passeren van het testament niet wilsbekwaam zou zijn geweest wegens dementie.
In 2013 is erflaatster onder curatele gesteld.
De kantonrechter heeft op de voet van art. 4:55 lid 2 BW toestemming verleend voor het maken van het testament.
De neef van erflaatster die in een in 2012 gemaakt testament tot enig erfgenaam van erflaatster was benoemd, heeft bij de rechtbank een verklaring voor recht gevorderd dat het testament van 2015 nietig is.
De rechtbank heeft de vordering afgewezen, maar het hof is tot een ander oordeel gekomen en heeft het testament nietig verklaard.
Daartegen richt zich het cassatieberoep.
Erfrecht. Nietigverklaring testament. Wilsonbekwaamheid. Hoogbejaard. Dementie. Curatele. Was een redelijke waardering van de belangen mogelijk? Maatstaf. Toetsing.
Nietigverklaring uiterste wilsbeschikking op voet art. 3:34 BW.
Was hoogbejaarde wegens dementie onder curatele gestelde testatrice in staat tot ‘redelijke waardering van de betrokken belangen’ in zin art. 3:34 BW?
De A-G concludeert als volgt.
In de kern genomen klaagt het onderdeel dat het hof een onjuiste maatstaf heeft aangelegd voor de toepassing van art. 3:34 BW en art. 4:55 lid 2 BW en te zware zorgvuldigheidseisen heeft gesteld.
Het onderdeel betoogt dat het hof verschillende omstandigheden in zijn oordeelsvorming heeft betrokken die voor het oordeel over de vraag of erflaatster in staat was haar wil te bepalen niet relevant zijn.
Volgens het onderdeel heeft als maatstaf slechts te gelden of erflaatster in de gegeven situatie ondanks haar stoornis wilsbekwaam was, in die zin dat haar stoornis een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsbeschikking betrokken belangen niet belette.
Uitgangspunt in het erfrecht is de testeervrijheid. Voor het maken van een uiterste wilsbeschikking is, zoals voor iedere rechtshandeling, vereist dat de testateur in staat is zijn wil te bepalen.
Het maken van een uiterste wilsbeschikking is een (eenzijdige, ongerichte) rechtshandeling.
Daarvoor gelden de algemene bepalingen inzake rechtshandelingen van art. 3:32 e.v. BW, voor zover de bepalingen van Boek 4 BW daarvan niet afwijken.
Dat betekent dat voor het maken van een uiterste wilsbeschikking een op rechtsgevolg gerichte wil noodzakelijk is, die zich door een verklaring heeft geopenbaard (art. 3:33 BW).
Lijdt de testateur aan een geestelijke stoornis, dan wordt de bij zijn verklaring behorende wil geacht te ontbreken, indien de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette, of indien de verklaring onder invloed van die stoornis is gedaan (art. 3:34 lid 1 BW).
Een eenzijdige rechtshandeling die niet tot een of meer bepaalde personen is gericht, zoals een uiterste wilsbeschikking, is door het ontbreken van de vereiste wil nietig (art. 3:34 lid 2 BW).
Het voorgaande betekent echter niet dat wie aan een geestelijke stoornis lijdt, nooit een uiterste wilsbeschikking kan maken.
Uiteraard kan hij dat als de geestelijke stoornis niet van dien aard is dat een redelijke waardering van de betrokken belangen daardoor wordt belet, of wanneer de stoornis hem op het relevante moment niet beïnvloedde.
Verder bepaalt art. 4:55 lid 2 BW, dat zij die wegens hun lichamelijke of geestelijke stoornis onder curatele zijn gesteld, met toestemming van de kantonrechter een uiterste wilsbeschikking kunnen maken.
Het geven van toestemming door de kantonrechter ontslaat de notaris niet van zijn eigen verantwoordelijkheid om bij het opstellen van het testament bedacht te zijn op signalen dat de testateur niet (langer) in staat is zijn of haar wil te bepalen, zoals bij de aanwezigheid van de ziekte van Alzheimer.
Zo nodig dient de notaris het passeren van het testament te weigeren.
Zoals vermeld, bepaalt art. 3:34 lid 1 BW dat een met de verklaring overeenstemmende wil wordt geacht te ontbreken, indien de stoornis ‘een redelijke waardering der bij de handeling betrokken belangen belette’. Welke belangen bij de handeling betrokken zijn, hangt af van de aard van de handeling.
Bij het passeren van een testament moet de notaris beoordelen welke belangen daarbij zijn betrokken en of de testateur in staat is tot een redelijke waardering van die belangen.
Niet is vereist dat de testateur het volledige overzicht van alle juridische finesses van de uiterste wilsbeschikking heeft, zoals de notaris dat moet hebben.
Uiteindelijk is het aan de rechter om te bepalen of een uiterste wilsbeschikking nietig is wegens een stoornis van de geestelijke vermogens van de testateur die een redelijke waardering van de betrokken belangen belette.
Het staat de rechter vrij om per geval een nadere concretisering van de maatstaf van art. 3:34 lid 1 BW aan te leggen, waarbij in het ene geval die maatstaf uitgebreider zal zijn dan in het andere geval.
In het tussenarrest heeft het hof verschillende omstandigheden aangenomen om voorshands te oordelen dat bij erflaatster een redelijke waardering van de bij het maken van haar uiterste wil betrokken belangen heeft ontbroken.
Het hof heeft daartoe de volgende omstandigheden meegewogen:
- (i) de aanwezigheid van de curator bij de procedure bij de kantonrechter,
- (ii) de complexiteit van het testament, wat de kantonrechter niet heeft kunnen overzien,
- (iii) er was niet voorzien in de oprichting van een stichting bij testament,
- (iv) het is onaannemelijk dat een 104-jarige onder curatele gestelde vrouw de fiscale gevolgen van haar testament heeft kunnen overzien, indien deze gevolgen met haar zouden zijn besproken,
- (v) er is sprake van een verwevenheid van personen en functies,
- (vi) de rol van de curator.
Aan de vraag of erflaatster door haar stoornis in staat was haar wil te bepalen, heeft het hof aandacht besteed door een aantal omstandigheden in de beoordeling te betrekken.
Het hof heeft gewezen op de verklaring van de onafhankelijk arts.
Weliswaar heeft deze arts verklaard dat erflaatster haar wens kon bepalen tot het opmaken van een notariële akte, maar het hof heeft in het tussenarrest overwogen dat niet is vastgesteld of erflaatster het complexe testament kon overzien met alle civielrechtelijke en fiscale gevolgen.
Het hof heeft ook gewezen op het Stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid dat door de notaris bij het passeren van het testament is gevolgd, maar heeft geoordeeld dat onduidelijk is op welk wijze de notaris de verschillende indicatoren uit het stappenplan heeft gewogen en dat ook onduidelijk is of en hoe de notaris de erflaatster heeft bevraagd.
Verder heeft het hof overwogen dat het initiatief voor het maken van het nieuwe testament was gelegen bij de curator en dat erflaatster in enige mate lichamelijk en geestelijk afhankelijk was van de curator.
In het eindarrest heeft het hof overwogen de gang van zaken rond het testament van erflaatster zeer zorgelijk te vinden.
Het hof heeft geoordeeld dat P niet is geslaagd in de haar bij tussenarrest opgedragen opdracht te bewijzen dat de geestestoestand van erflaatster zodanig was dat zij – kort gezegd – in staat was zelfstandig haar wil te bepalen.
Het hof heeft terecht in het eindarrest overwogen dat de notaris juist met betrekking tot kwetsbaren in onze maatschappij zeer zorgvuldig met hun belangen moet omgaan.
Niemand zal ontkennen dat een 104-jarige vrouw, die dementerend was, tot de kwetsbaren in onze maatschappij behoort en bescherming behoeft.
Tegelijkertijd behoeft bescherming niet tot bevoogding te leiden.
Dat heeft de wetgever ook begrepen door de regeling van art. 4:55 lid 2 BW op te nemen: een persoon die wegens een lichamelijke of geestelijke stoornis onder curatele is gesteld, kan met toestemming van de kantonrechter een uiterste wilsbeschikking maken.
De rechter moet in het algemeen ook uiterst terughoudend zijn met het nietig verklaren van een uiterste wilsbeschikking op grond van art. 3:34 lid 1 BW.
Het hof heeft allerlei omstandigheden meegewogen die niet van belang zijn voor de vraag of erflaatster in staat was te komen tot een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsbeschikking betrokken belangen en evenmin voor de vraag of erflaatster door haar stoornis in staat was haar wil te bepalen.
Ik noem de kwestie van de civielrechtelijke en fiscale complexiteit van het testament, de aanwezigheid van de curator (die overigens zelf geen belang bij het testament had) bij de procedure bij de kantonrechter en bij het passeren van het testament, en de vraag op welke wijze de notaris de verschillende indicatoren van het Stappenplan beoordeling wilsbekwaamheid heeft gewogen.
Dat erflaatster dementerend was, betekent nog niet dat zij niet in staat was te verklaren omtrent hetgeen zij wilde dat na haar overlijden zou moeten gebeuren.
De juridische uitwerking van die wil mag complex zijn en misschien in dit geval op allerlei civielrechtelijke en fiscale problemen stuiten, maar dat behoeft niet weg te nemen dat het testament de uiterste wil van erflaatster kan bevatten.
De tekst van haar uiterste wil is overigens kennelijk bewust ruim geformuleerd en niet ingewikkeld: op de executeur is de last gelegd een fonds voor een bepaald doel op te richten, waarbij aan de executeur de vrijheid is gelaten daarvoor een stichting op te richten (‘eventueel middels een daartoe op te richten stichting’).
De bezwaren van het hof lijken vooral gericht te zijn tegen deze uitwerking (door de deskundigen) van de wil van erflaatster en hebben geen betrekking op de vraag of de verklaring van erflaatster overeenstemde met haar wil en evenmin op de vraag of zij in staat was te komen tot een redelijke waardering van de bij de uiterste wilsbeschikking betrokken belangen.
Zo heeft het hof de verklaring van de onafhankelijke arts onvoldoende geacht met als argument dat deze verklaring betrekking heeft op de algemene geestestoestand van erflaatster en de arts niet heeft getoetst of erflaatster de juridische complexiteit kon begrijpen.
Ook hier geeft het hof blijk voorbij te gaan aan de maatstaf van ‘redelijke waardering’ en van de vraag of erflaatster door haar stoornis niet in staat was haar wil te bepalen.
Door aldus te oordelen en het testament van erflaatster nietig te verklaren, heeft het hof naar mijn mening een te zware maatstaf gehanteerd dan wel een onbegrijpelijk oordeel gegeven, zodat de kernklacht slaagt.
Wilt u de gehele conclusie bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.