Erfrecht. Uitleg van een testament. Voorwaarde in testament. Erfstelling. Hertrouwen van de erflater. Wie is erfgenaam? Afstammelingen.

Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 22 maart 2022 uitspraak gedaan over de uitleg van een voorwaarde over hertrouwen in het testament.

Erflater is in 2017 overleden.

Hij heeft voor het laatst beschikt over zijn nalatenschap in zijn testament van 21 juli 2006.

Op dat moment was hij gehuwd met E.

Hij heeft haar benoemd tot zijn enige erfgename en executeur onder de voorwaarde dat hun huwelijk nog bestaat op zijn sterfdag.

Erflater en E zijn in 2009 gescheiden, zodat E geen erfgenaam is en ook geen executeur.

Erflater heeft in zijn testament ook een subsidiaire erfstelling opgenomen die luidt als volgt:

“SUBSIDIAIRE ERFSTELLING :

Voor het geval dat de onder II. gemaakte erfstelling geen gevolg heeft, benoem ik mijn broer de heer [appellant] tot mijn enige erfgenaam. Indien hij niet van mij erft benoem ik zijn afstammelingen die in Nederland zijn geboren tot mijn enige erfgenamen.”

In de kern gaat het om de vraag of de (subsidiaire) erfstelling van appellant in het testament van erflater uit 2006 nog steeds geldt.

De uitleg die geïntimeerde aan de erfstelling van appellant in het testament uit 2006 geeft, komt erop neer dat de erfstelling van appellant alleen is gemaakt voor het geval erflater bij zijn overlijden niet gehuwd is en geen afstammelingen achterlaat.

Appellant betwist dat.

Erfrecht. Uitleg van een testament. Voorwaarde in testament. Erfstelling. Hertrouwen van de erflater. Wie is erfgenaam? Afstammelingen.

De rechter oordeelt als volgt.

Geïntimeerde moet haar stellingen over de uitleg die zij geeft aan de erfstelling van appellant bewijzen.

Zij beroept zich immers op die uitleg en de rechtsgevolgen daarvan (artikel 150 Rv).

Om te kunnen vaststellen op welk rechtsgevolg de erfstelling van appellant in het testament uit 2006 van erflater is gericht is uitleg nodig.

Op grond van artikel 4:46 lid 1 BW moet bij die uitleg worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Feiten en omstandigheden van na het maken van het testament kunnen alleen meedoen bij de uitleg als erflater daarop bij het maken van zijn testament is vooruitgelopen.

Vaststaat dat erflater in 2006 een restaurant exploiteerde, dat hij op dat moment getrouwd was met E en geen kinderen had en dat appellant, zijn jongste broer, destijds als kok in het restaurant werkte en dat al sinds 1990 deed.

Niet is komen vast te staan hoe het vermogen van erflater destijds was samengesteld.

Ook staat niet vast of erflater of E in 2006 al concreet aan echtscheiding dachten.

 Het hof leidt uit het testament van erflater af welke verhoudingen hij daarmee – kennelijk – wilde regelen.

Erflater heeft zijn toenmalige echtgenote E tot enig erfgename en executeur benoemd.

Hij heeft dat gedaan voor het geval zijn huwelijk met E wordt ontbonden door zijn overlijden.

De erfstelling van E en haar benoeming tot executeur geldt (onder meer) niet als er bij overlijden van erflater een echtscheidingsbeschikking is gegeven.

Voor het geval E geen erfgenaam is heeft erflater zijn jongste broer (appellant) tot zijn enige erfgenaam benoemd en als appellant niet van hem erft de afstammelingen van appellant die in Nederland zijn geboren.

Gelet op de omstandigheden waaronder erflater deze erfstellingen in 2006 heeft gemaakt en de verhoudingen die hij kennelijk wilde regelen biedt de tekst van het testament volgens het hof onvoldoende aanknopingspunten voor de uitleg die geïntimeerde aan de erfstelling van appellant geven.

In het testament is niet verwoord dat de erfstelling van appellant niet geldt als erflater na een echtscheiding met E of haar vooroverlijden hertrouwt en afstammelingen achterlaat.

Dat die situatie zich wel voordeed op het moment van overlijden van erflater is een omstandigheid van na het maken van het testament van 2006.

Erflater is in zijn testament niet vooruitgelopen op die omstandigheid.

Geïntimeerde en haar kinderen hebben ook geen omstandigheden genoemd die, ook al is in het testament de bedoelde voorwaarde niet verwoord, toch de conclusie kunnen dragen dat erflater de erfstelling van appellant alleen maar wilde voor de situatie dat hij ongehuwd en zonder afstammelingen achter te laten zou overlijden.

Dat hij aan derden zou hebben gezegd dat hij wilde dat zijn gehele nalatenschap naar zijn vrouw en kinderen zou gaan, is daarvoor niet voldoende.

Voor het vervullen van die wens had hij zijn testament uit 2006 moeten herroepen en dat heeft hij niet gedaan.

De tekst van het testament biedt volgens het hof eerder steun aan de uitleg van appellant die erop neerkomt dat hij enig erfgenaam is van erflater.

Zo is op de mondelinge behandeling namens geïntimeerde verklaard dat erflater wel wist dat hij een testament had en ook dat hij wist dat hij dat testament eigenlijk moest herzien, omdat zijn vrouw en kinderen geen erfgenamen waren, maar dacht dat het geregeld was, terwijl dat formeel niet het geval was.

Daaruit valt eerder af te leiden dat ook erflater ervan uitging dat hij de erfstelling van appellant zou moeten herroepen als hij wilde dat geïntimeerde en zijn kinderen zijn erfgenamen zouden zijn.

Het is in deze procedure niet duidelijk geworden waarom hij het testament waarvan hij tijdens zijn huwelijk met geïntimeerde een concept had laten maken niet heeft getekend.

Het is niet uitgesloten dat hij heeft gedacht dat het concept ook gold zonder ondertekening of dat hij het al had getekend.

Ook is niet uitgesloten dat hij uiteindelijk toch niet wilde wat er in het concept stond.

Het debat tussen partijen over de gang van zaken na het overlijden van erflater is niet relevant voor de uitleg van de erfstelling van appellant.

Daarvoor is ook niet relevant dat appellant (aanvankelijk) ervan zou zijn uitgegaan dat hij geen erfgenaam was.

Dat alles betekent dat de grieven van appellant tegen de beslissing van de rechtbank slagen in zoverre de rechtbank voor recht heeft verklaard appellant aan het testament van erflater van 21 juli 2006 geen rechten kan ontlenen.

Het hof zal het bestreden vonnis vernietigen en de vordering van geïntimeerde en haar kinderen alsnog afwijzen.

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren vanwege de familierelatie van partijen (schoonzus en neefjes tegen zwager en oom).

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.