Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft op 16 juni 2020 uitspraak gedaan over de vraag of een schenking

Het gaat in deze zaak om de vraag of geïntimeerde een bedrag van € 14.000,- aan appellanten  moet terugbetalen, omdat zijn moeder niet heeft gewild dat geïntimeerde van haar bankrekening een bedrag van elk € 7.000,- aan zich zelf en zijn zuster heeft geschonken dan wel dat geïntimeerde misbruik heeft gemaakt van de omstandigheden van appellante ten tijde van die betaling.

Erfrecht. Schenking van moeder aan zoon. Geestelijke stoornis? Misbruik van omstandigheden? Bewijs en bewijslast.

De rechter oordeelt als volgt.

Het beroep op wilsontbreken (artikel 3:34 BW)

Op appellante rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv in beginsel de stelplicht en de bewijslast van de stelling dat ten tijde van de schenking aan geïntimeerde in februari 2016 haar geestelijke vermogens waren gestoord als gevolg van haar dementie en dat de wil om te schenken ontbrak.

Voor zover appellante heeft bedoeld tegen deze, ook door de kantonrechter toegepaste, bewijslastverdeling een grief te richten, faalt die grief.

Geïntimeerde heeft de stellingen van appellante betwist en aangevoerd dat appellante op dat moment helder van geest was en goed wist wat zij deed.

In januari 2015 zijn bij appellante de eerste symptomen van een zich progressief ontwikkelende dementie vastgesteld en in september 2015 kampte zij enige tijd met wanen, die aanleiding vormden voor haar opname in een verzorgingsinstelling.

Dat zij in februari 2016 ook nog met die wanen kampte en in die gesteldheid geïntimeerde heeft verzocht de schenkingen te doen is door haar echter onvoldoende onderbouwd.

Over de geestelijke toestand van appellante in februari 2016 bevindt zich geen enkele informatie in het dossier. Dat zij op dat moment een episode van wanen doormaakte kan dan ook niet worden afgeleid uit de overgelegde medische gegevens.

Ook blijkt uit die stukken niet dat appellante toen op andere wijze, door haar dementie of anderszins, in haar geestvermogens was gestoord.

Nadere objectieve en op basis van een onderzoek door deskundigen opgestelde informatie is ook niet voorhanden in het dossier.

Bovendien kende appellante ook heldere momenten; in april 2016 heeft zij een levenstestament laten opstellen.

De instrumenterend notaris dient zich een oordeel te vormen over de wilsbekwaamheid, van in dit geval appellante, ten behoeve van de notariële dienstverlening en in voorkomend geval nader onderzoek te verrichten.

Kennelijk heeft de notaris geen belemmering gezien in de handelingsbekwaamheid van appellante voor het opstellen van een levenstestament.

Om die reden is geen ruimte voor bewijslevering.

Het beroep op misbruik van omstandigheden (artikel 3:44 lid 4 / artikel 7:176 BW)

Appellante stelt terecht, en geïntimeerde bestrijdt het ook niet, dat uit artikel 7:176 BW voortvloeit dat op geïntimeerde de bewijslast rust dat de schenking niet door misbruik van omstandigheden tot stand is gekomen, indien appellante feiten stelt waaruit volgt dat dat het geval is, tenzij deze verdeling van de bewijslast in de omstandigheden van het geval in strijd is met de eisen van redelijkheid en billijkheid.

Geïntimeerde heeft een (subsidiair) beroep op deze uitzonderingsbepaling gedaan.

De andere uitzondering van artikel 7:176 BW (schenking bij notariële akte) doet zich in dit geval niet voor.

Die bewijslastverdeling laat onverlet dat op appellante de stelplicht rust met betrekking tot het bestaan van de bijzondere omstandigheden waarvan misbruik zou zijn gemaakt, het causaal tussen die omstandigheden en de schenking, en het misbruik.

Zij moet daarvoor voldoende onderbouwd feiten en omstandigheden stellen, om geïntimeerde in staat te stellen het bewijs van het tegendeel te kunnen leveren.

Ook hier schieten de stellingen van appellante op het punt van de stelplicht te kort, waarbij het hof heeft onderkend dat vanwege het beschermingskarakter van de bepaling, de eisen aan de stelplicht niet te hoog mogen worden gesteld.

De stellingen van appellante dat zij onder misbruik van omstandigheden heeft gehandeld zijn gestoeld op twee pijlers.

De eerste pijler is de geestelijke stoornis van appellante, maar die pijler valt weg om de redenen zoals het hof die heeft genoemd: die stoornis is niet voldoende aannemelijk gemaakt.

De andere pijler is de slechte financiële situatie van appellante, maar ook daarover zijn te weinig gegevens verstrekt.

Zij had kennelijk spaargeld in februari 2016 in de orde van grootte van € 28.000,-, maar precieze informatie daarover (bankafschriften, belastingaanslagen) en over haar verdere vermogen ontbreekt, evenals gegevens over het inkomen van appellante en dat van haar echtgenoot.

Die inkomens waren voldoende om de kosten van verzorging te dragen; dat dit niet zo was, is niet gesteld of gebleken.

Dat appellante met het wegvallen van het inkomen van haar echtgenoot na diens overlijden in de loop van 2016 de kosten van verzorging niet meer kon dragen is, mede bij gebrek aan informatie over die kosten, niet inzichtelijk gemaakt.

Nu appellante onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld die het oordeel kunnen dragen dat de schenking onder invloed van misbruik van omstandigheden is gedaan, strandt haar vordering op die grondslag reeds daarom, zonder dat geïntimeerde nog bewijs moet leveren.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.