Erfrecht. Testament. Onterving. Testament nietig vanwege geestelijke stoornis? Medisch bewijs. Testament vernietigbaar vanwege dwaling? Onjuiste beweegreden? Toetsing.
De Rechtbank Gelderland heeft onlangs uitspraak gedaan over de vraag of een testament nietig was vanwege een geestelijke stoornis van de erflater.
Tussen partijen is in geschil of erflater ten tijde van het passeren van het testament van 16 maart 2022 als gevolg van een geestelijke stoornis al dan niet in staat was zijn wil (in vrijheid) te vormen.
Artikel 3:33 BW bepaalt dat een rechtshandeling, waaronder (het laten opstellen van) een testament, een met elkaar overeenstemmende wil en verklaring vereist.
Wanneer sprake is van een geestelijke stoornis, dan wordt op grond van artikel 3:34 BW de voor de rechtshandeling vereiste wil geacht te ontbreken (i) indien de stoornis een redelijke waardering van de bij de handeling betrokken belangen belette, of (ii) indien de wilsverklaring onder invloed van de stoornis is gedaan.
De wil wordt dus vermoed te hebben ontbroken als een stoornis aanwezig is en één van deze twee omstandigheden zich heeft voorgedaan.
Op grond van artikel 3:34 lid 2 BW is een testament dan nietig.
De stelplicht en bewijslast van de stelling dat de erflater die zijn testament heeft gewijzigd, als gevolg van een geestelijke stoornis niet in staat was zijn wil (in vrijheid) te vormen, rusten op degene die deze stelling aanvoert, in dit geval eiser.
Daarbij kunnen ook feiten en omstandigheden die zijn voorafgegaan aan of gevolgd op het passeren van het testament van belang zijn.
Ter onderbouwing van zijn stelling dat erflater een geestelijke stoornis had en dat dat de voor het testament van 16 maart 2022 vereiste wil moet worden geacht te hebben ontbroken, heeft eiser, samengevat, het volgende aangevoerd.
Notaris G heeft, ondanks de verklaring van de VIA-arts van 5 oktober 2021, geweigerd het testament van erflater te wijzigen.
Eind 2020 en in 2021 kwam erflater door zijn verwardheid steeds in levensgevaarlijke situaties, hieruit bleek dat hij in de dagelijkse praktijk geen reële waardering van zijn belangen meer had. Ook bleef erflater ondanks verlies van zijn rijbewijs autorijden.
Eiser en B hebben daarom het verzoek tot ondercuratelestelling ingediend en de auto van erflater en erflaatster weggehaald.
Tegen het oordeel van de VIA-arts dat erflater wilsbekwaam was, brengt eiser het volgende in.
Het oordeel is gebaseerd op een huisbezoek op 9 februari 2022, derhalve een maand voor het verlijden van het testament.
Aangezien dementie een progressief verloop heeft, kan dit verslag niets zeggen over de geestesvermogens van erflater op 16 maart 2022, aldus eiser.
Erflater was hoogopgeleid en slim, waardoor hij mogelijk de onderzoeker om de tuin heeft kunnen leiden.
Verder heeft de VIA-arts zich bij zijn oordeel van 9 februari 2022 ook gebaseerd op zijn eerdere onderzoek in oktober 2021, hetgeen zou meebrengen dat het oordeel van 9 februari 2022 niet objectief is.
Ook verwijt eiser de VIA-arts en de notaris niet te hebben overlegd met de bewindvoerder, die heeft verklaard dat het gedrag van erflater inconsistent en niet responsief was.
Erfrecht. Testament. Onterving. Testament nietig vanwege geestelijke stoornis? Dementie. Medisch bewijs. Testament vernietigbaar vanwege dwaling? Onjuiste beweegreden? Toetsing.
De rechter oordeelt als volgt.
De rechtbank overweegt het volgende.
Vast staat dat erflater ten tijde van het passeren van het testament verstandelijke beperkingen had.
Door gedaagde wordt niet betwist dat erflater leed aan een psychogeriatrische aandoening.
Dat wil echter nog niet zeggen dat sprake is van een geestelijke stoornis als bedoeld in artikel 3:34 BW.
De VIA-arts, die als medisch specialist bij uitstek geschikt is om daarover te oordelen, acht erflater met betrekking tot het testament van 16 maart 2022 wilsbekwaam.
Daarnaast heeft ook de notaris als taak om de wilsbekwaamheid van de persoon die een testament door hem laat opmaken te toetsen.
In haar brief van 18 november 2022 heeft de notaris verklaard hoe ook zij tot het oordeel is gekomen dat erflater wilsbekwaam was.
Hetgeen eiser heeft aangevoerd is onvoldoende om de conclusies van de VIA-arts en de notaris, die de rechtbank duidelijk en consistent acht, opzij te zetten.
Het staat niet vast dat notaris G geweigerd heeft om het testament van erflater te wijzigen omdat hij van oordeel was dat erflater wilsonbekwaam was, nu eiser hiervan geen bewijs heeft overgelegd en gedaagde dit betwist.
De rechtbank ziet bovendien geen aanwijzingen om te veronderstellen dat erflater de VIA-arts om de tuin heeft geleid.
De VIA-arts heeft namelijk wel opgemerkt dat er cognitieve beperkingen waren bij erflater.
Er is in zoverre geen reden om aan te nemen dat de VIA-arts iets over het hoofd heeft gezien.
Ook weegt mee dat de VIA-arts juist wordt ingeschakeld vanwege zijn expertise.
Ten aanzien van het tijdsverloop tussen het huisbezoek en het opmaken van testament geldt dat de VIA-arts op 11 maart 2022 nog telefonisch contact heeft gehad met de huisarts.
Ook hebben twee kantoorgenoten van de notaris erflater nog bezocht in het ziekenhuis.
De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn ter zitting gemaakte opmerking dat niet met erflater besproken zou zijn dat de wijziging van het testament ingrijpend was.
Uit de brief van de notaris blijkt dat de consequenties van de testamentswijziging met erflater zijn besproken.
Die consequenties, waaronder onterving van eiser, zijn ingrijpend, zodat met de bespreking van de consequenties ook de ingrijpendheid is besproken.
Voor zover eiser heeft aangevoerd dat de notaris en de VIA-arts ten onrechte de in hun vak geldende protocollen over de vaststelling van wils(on)bekwaamheid niet hebben gevolgd, kan dit hem evenmin baten.
Ook indien deze protocollen niet zijn opgevolgd, is hiermee nog niet gezegd dat sprake was van een geestelijke stoornis bij erflater en van causaal verband tussen die geestelijke stoornis en het maken van het testament.
Dat erflater leed aan dementie is niet vastgesteld, zodat daarvan niet kan worden uitgegaan.
Daarbij komt dat de enkele aanwezigheid van een geestelijke stoornis zoals dementie niet altijd betekent dat de wilsverklaring ook onder invloed van die stoornis is gedaan, omdat een geestelijke stoornis de waardering van de bij een uiterste wilsbeschikking betrokken belangen niet in alle gevallen hoeft te beletten.
Voor zover eiser heeft willen stellen dat erflater dementie had en dus wilsonbekwaam was, is zijn stelling dus onvoldoende om die conclusie te kunnen dragen.
Verder zijn de (deels door gedaagde betwiste) voorvallen van eind 2020 en begin 2021 die eiser noemt geen aanwijzingen van wilsonbekwaamheid.
Zo voert eiser aan dat hij erflater moest dwingen om mee te gaan naar de kaakchirurg, maar dit geeft slechts aan dat erflater zorgmijdend was.
Bovendien heeft eiser onvoldoende concreet onderbouwd dat de stoornis, voor zover daarvan sprake is (i) een redelijke waardering van de bij het testament betrokken belangen belette, of (ii) dat de wilsverklaring onder invloed van de stoornis is gedaan.
Eiser heeft gelet op het voorgaande onvoldoende gesteld om tot bewijslevering te worden toegelaten.
Gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot het oordeel dat niet is vast komen te staan dat erflater ten tijde van het passeren van het testament van 16 maart 2022 als gevolg van een geestelijke stoornis niet in staat was zijn wil (in vrijheid) te vormen, zodat geen sprake is van de situatie dat het testament nietig is op grond van artikel 3:34 BW.
De rechtbank begrijpt dat eiser subsidiair vernietiging van het testament vordert op grond van artikel 4:43 lid 2 BW, waarin een dwalingsregeling voor testamenten is opgenomen.
Deze regeling houdt in dat wanneer sprake is van een onjuiste beweegreden, dat kan leiden tot vernietiging van het testament wanneer de onjuiste beweegreden in het testament is aangeduid én de erflater het testament niet had gemaakt als hij wist dat die veronderstelling onjuist was.
Aan die voorwaarden is niet voldaan.
De beweegreden is volgens eiser dat erflater boos op hem was over het weghalen van de auto en het verlies van controle door het verzoek tot ondercuratelestelling.
Deze beweegreden is echter niet opgenomen in het testament, zodat het beroep van eiser op artikel 4:43 lid 2 BW reeds om die reden niet kan slagen.
Bovendien is geen sprake van een onjuiste beweegreden.
Eiser erkent immers dat hij het verzoek tot ondercuratelestelling heeft gedaan en dat hij de auto heeft weggehaald.
Dit is dus geen onjuiste veronderstelling van erflater.
Dat het volgens eiser onterecht is dat erflater daar kennelijk boos over was, maakt niet dat sprake is van een onjuiste beweegreden.
Het beroep van eiser op dwaling slaagt daarom niet.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.