Erfrecht. Testament. Uitleg van een testament. Tweetrapsmaking. Geldlegaat aan kleinkinderen. Lacune in testament? Vooroverlijden. Bedoeling van de erflater.
De Rechtbank Oost-Brabant heeft onlangs uitspraak gedaan over de uitleg van een testament betreffende een geldlegaat aan kleinkinderen bij een tweetrapsmaking.
Erfgenaam/gedaagde vordert een verklaring voor recht dat aan ieder kleinkind van erflater een geldlegaat toekomt ter grootte van het voor de erfbelasting vrijgestelde bedrag in het jaar van overlijden van erflater.
Het testament van erflater voorziet echter alleen in een kleinkindlegaat voor de situatie dat erflater eerder zou komen te overlijden dan zijn vrouw.
Nu erflater in dit geval na erflaatster is overleden, krijgen de kleinkinderen niets, terwijl dat wel de bedoeling was van erflater, aldus erfgenaam/gedaagde.
Erfrecht. Testament. Uitleg van een testament. Tweetrapsmaking. Geldlegaat aan kleinkinderen. Lacune in testament? Vooroverlijden. Bedoeling van de erflater.
De rechter oordeelt als volgt.
Partijen hebben in hun aktes, mede op basis van wat is overwogen in het tussenvonnis, nader toegelicht wat hun standpunten zijn over de uitleg van het testament en wat daarbij in aanmerking moet worden genomen.
Erfgenaam/gedaagde heeft in haar conclusie van antwoord gesteld dat erflater tijdens leven meerdere keren tegen partijen zou hebben gezegd dat ieder kleinkind bij zijn overlijden een geldlegaat zou worden toegedeeld ter hoogte van de maximale vrijstelling voor de erfbelasting.
Volgens erfgenaam/gedaagde heeft erflater tegen haar verteld dat hij dit in zijn testament had staan en zou hij ook erfgenaam/eiser daarvan op de hoogte hebben gebracht.
Erfgenaam/gedaagde voert ten slotte aan dat de opvolgend notaris heeft verklaard dat hij het met erfgenaam/gedaagde eens is dat de kleinkindlegaten ook van toepassing hadden moet zijn bij het vooroverlijden van erflaatster.
Erfgenaam/eiser voert aan dat erfgenaam/gedaagde in haar akte niet heeft toegelicht waarom sprake zou zijn van een lacune in het testament, terwijl erflater niet gehouden was om kleinkindlegaten toe te kennen.
Volgens erfgenaam/eiser heeft erfgenaam/gedaagde ook niet bewezen dat erflater ook in het geval hij na erflaatster zou komen te overlijden kleinkindlegaten heeft willen toekennen en volgt ook nergens uit dat erflaters wil daarop was gericht.
Erfgenaam/eiser stelt dat het veel logischer is dat erflater alleen kleinkindlegaten wilde toekennen in het geval hij vóór erflaatster zou komen te overlijden, zeker nu alle kleinkinderen ten tijde van het opmaken van het testament van erflater al geboren waren en erflater daar dus op had kunnen voorsorteren.
Verder voert erfgenaam/eiser aan dat de door erfgenaam/gedaagde voorgestane uitleg in haar voordeel zou zijn, omdat zij vier kinderen heeft en erfgenaam/eiser twee.
Erfgenaam/eiser wijst erop dat de vordering van erfgenaam/gedaagde gebaseerd is op artikel 3 van het testament van erflater, maar hij meent dat dit artikel geen toepassing vindt vanwege het feit dat erflater na erflaatster is overleden.
Hij wijst in dit verband nogmaals op de verklaring van de notaris die hij in het geding heeft gebracht.
Ook in het licht van het arrest van de Hoge Raad van 10 november 2023 blijft erfgenaam/eiser bij zijn standpunt.
Hij voert aan dat geen sprake is van feiten en omstandigheden van na het opstellen van het testament die van belang zijn voor de uitleg van het testament.
Volgens erfgenaam/eiser heeft erflater meerdere bezoeken gebracht aan de notaris, waarbij het testament volledig is doorgenomen met erflater, eventuele vragen van de erflater zijn beantwoord, en gecontroleerd is of erflater zich volledig bewust was van wat in het testament staat.
Erfgenaam/eiser meent dat erflater dus bewust gekozen heeft voor de huidige vorm van het testament.
Hij wijst er in dit verband nog op dat erflater na het opmaken van het testament nog zeven jaar de tijd heeft gehad om daarin wijzigingen aan te brengen, maar dat niet heeft gedaan.
De rechtbank overweegt dat erflater bij wijze van tweetrapsmaking bepaald heeft dat al hetgeen erflaatster uit zijn nalatenschap verkrijgt en bij zijn overlijden onverteerd achterblijft, zal toevallen aan erfgenaam/eiser en erfgenaam/gedaagde, en dat zijn kleinkinderen ieder een geldbedrag ontvangen ter grootte van het voor de erfbelasting vrijgestelde bedrag.
Hij heeft dus niets bepaald voor het geval hij ná erflaatster zou komen te overlijden.
Wanneer erflater bij het opmaken van de uiterste wil geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat hij na erflaatster zou komen te overlijden, zoals erfgenaam/gedaagde stelt, dringt zich de vraag op of erflater met de uiterste wil ook de door die omstandigheid gewijzigde verhoudingen kennelijk wilde regelen.
Bij de uitlegging van uiterste wilsbeschikkingen wordt gezocht naar wat de erflater daadwerkelijk heeft bedoeld.
Aan de hand van de bedoeling van de erflater wordt gezocht naar de betekenis van de woorden van de uiterste wilsbeschikking en worden deze geïnterpreteerd.
De bedoeling van de erflater dient op haar beurt te worden gezocht in de verhoudingen die het testament wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt (artikel 4:46 lid 1 BW).
Bij het vaststellen van de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt, kunnen feiten en omstandigheden van na het opmaken van de uiterste wil van belang zijn, omdat daaraan bewijs kan worden ontleend van een omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt.
Ten tijde van het opmaken van de uiterste wil bij de erflater bestaande verwachtingen over toekomstige gebeurtenissen zullen in aanmerking kunnen komen als omstandigheid waaronder de uiterste wil is gemaakt (HR:2023:1531).
Om te achterhalen welke verhoudingen erflater kennelijk wenste te regelen, moeten ook de andere artikelen van het testament bij de uitleg worden betrokken.
Erflater was op het moment dat hij zijn testament maakte (9 maart 2012) 73 jaar oud.
Hij was toen in gemeenschap van goederen gehuwd met erflaatster.
Kennelijk heeft erflater gewild dat erflaatster goed verzorgd achter zou blijven voor het geval hij vóór haar zou komen te overlijden.
Hij heeft erflaatster door een tweetrapsmaking benoemd tot zijn enige erfgename.
Wat zij onvervreemd en onverteerd van de nalatenschap zou achterlaten, zou toekomen aan de verwachters, te weten erfgenaam/eiser en erfgenaam/gedaagde, en aan de kleinkinderen vanwege de toegekende kleinkindlegaten.
Dat erflater met zijn testament de verhouding met erflaatster heeft willen regelen, volgt ook uit het feit dat hij – kennelijk vanwege het feit dat erflaatster dementerend was – bij dat testament een bewind heeft ingesteld over de door hem aan erflaatster nagelaten of vermaakte goederen.
Als het de bedoeling van erflater zou zijn geweest om de kleinkinderen ook een geldlegaat toe te kennen voor de situatie dat hij na erflaatster zou komen te overlijden, dan had erflater ten tijde van het opstellen van het testament de mogelijkheid om daarvoor een voorziening in het testament te treffen.
Dat heeft hij echter niet gedaan, ook niet in de ruim zeven jaar die zijn verstreken tussen het opstellen van het testament in maart 2012 en zijn overlijden in 2019.
De aantekeningen van notaris duiden daar ook niet op.
De omstandigheden die erfgenaam/gedaagde heeft aangedragen, leiden de rechtbank niet tot een ander oordeel.
Erfgenaam/gedaagde heeft weliswaar aangevoerd dat erflater gedurende zijn leven meerdere keren zou hebben gezegd dat alle kleinkinderen een kleinkindlegaat toegedeeld zouden krijgen, maar niet dat erflater hierbij expliciet vermeld heeft dat dit ook zou gelden voor de situatie dat hij na erflaatster zou komen te overlijden.
Erfgenaam/eiser heeft bovendien betwist dat hij hierin is gekend door erflater, en erfgenaam/gedaagde heeft haar stelling in het licht hiervan niet nader onderbouwd.
Verklaringen van andere personen zijn door erfgenaam/gedaagde niet in het geding gebracht.
Verder heeft erfgenaam/gedaagde, om de bedoeling van erflater te onderstrepen, nog gewezen op schenkingen die erflater bij leven aan zijn kleinkinderen heeft gedaan.
Hierbij heeft zij verwezen naar een opmerking hierover van de opvolgend notaris.
Uit de overgelegde e-mail van mr. B volgt echter alleen dat erflater op papier € 5.012 aan de kleinkinderen heeft geschonken, wat er juist ook op kan duiden dat erflater op die wijze wilde zorgen dat zijn kleinkinderen iets zouden krijgen.
De rechtbank overweegt verder dat erfgenaam/gedaagde weliswaar stelt dat sprake is van een lacune in het testament, maar dat dit een conclusie is van erfgenaam/gedaagde en geen omstandigheid die moet worden betrokken bij de uitleg van het testament.
Erfgenaam/gedaagde heeft voor het overige ook geen feiten gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat erflater bij het maken van het testament onbedoeld geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid dat hij na erflaatster zou komen te overlijden.
Dat alle kleinkinderen ten tijde van het testeren al geboren waren, en erflater en erflaatster op dat moment al bijna vijftig jaar getrouwd waren, past evengoed in de door erfgenaam/eiser voorgestane uitleg van het testament.
Erfgenaam/gedaagde heeft tot slot nog gewezen op de e-mail en een brief van mr. B, waarin de notaris de gestelde bedoeling van erflater zou bevestigen.
Van verklaringen of daden van de erflater die niet zijn vervat in het testament, maar die wel relevant zijn voor de uitleg van het testament, is echter geen sprake.
Mr. B schrijft slechts dat het – mede gelet op de mededelingen die erfgenaam/gedaagde aan haar heeft gedaan over de bedoelingen van de erflater – niet logisch zou zijn als erflater de kleinkindlegaten niet ook zou hebben geregeld voor het geval hij na erflaatster zou komen te overlijden.
Gelet op deze omstandigheden en op de bedoelde verhoudingen neemt de rechtbank tot uitgangspunt dat het testament zo moet worden uitgelegd, dat erflater uitsluitend bedoeld heeft kleinkindlegaten toe te kennen voor het geval hij vóór erflaatster zou komen te overlijden.
Dit betekent dat de gevorderde verklaring voor recht in reconventie wordt afgewezen en de kleinkindlegaten niet als schuld in mindering komen op de nalatenschap van erflater.
Ook artikel 4:47 BW kan hier niet tot aanvulling van het testament leiden, omdat de bedoeling van erflater niet klaarblijkelijk uit de bewoording van het testament blijkt en voor aanvulling op grond van artikel 4:47 BW geen gebruik mag worden gemaakt van verklaringen buiten de uiterste wil.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.