Erfrecht. Testament. Verzoek door erfgenamen en legatarissen om inzage te krijgen in het testamentendossier. Geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht van de notaris.

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft onlangs uitspraak gedaan over een verzoek door de erfgenamen en legatarissen om inzage te krijgen in het testamentendossier.

De erflater was de oom van appellanten.

Erflater is nooit getrouwd geweest en had geen kinderen.

Erflater exploiteerde een landbouwbedrijf. In zijn testament uit 2018 heeft erflater (landbouw)gronden gelegateerd aan appellanten tegen een inbrengverplichting van de waarde van deze gronden en heeft hij alle kinderen van zijn broers en zussen voor gelijke delen tot zijn erfgenamen benoemd.

Het testament is verleden voor geïntimeerde .

Na het overlijden van erflater in mei 2021 is tussen de erfgenamen een geschil ontstaan over de wijze waarop de hoogte van de inbrengverplichting moet worden vastgesteld, meer in het bijzonder op basis van welke waarderingsgrondslag de waarde van de gronden moet worden bepaald.

Appellanten menen dat het testament op dit punt niet duidelijk is of een onjuistheid bevat, en willen recht doen aan de laatste wil van erflater.

Zij wensen inzage in het dossier van geïntimeerde om te achterhalen wat destijds precies is besproken met erflater en wat hem is uitgelegd over de inbrengbepaling, met name over de verschillende grondslagen voor de waardering van de gronden.

Geïntimeerde heeft inzage geweigerd en heeft zich beroepen op zijn geheimhoudingsplicht.

Appellanten hebben daarom in kort geding om afgifte van gespreksaantekeningen en correspondentie uit het testamentendossier verzocht.

Erfrecht. Testament. Verzoek door erfgenamen en legatarissen om inzage te krijgen in testamentendossier. Geheimhoudingsplicht en verschoningsrecht van de notaris.

De rechter oordeelt als volgt.

Een vordering als bedoeld in artikel 843a Rv is slechts toewijsbaar indien aan een aantal cumulatieve voorwaarden is voldaan: degene die de vordering instelt

(1) dient een rechtmatig belang te hebben,

(2) het moet gaan om bepaalde bescheiden

(3) aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser of zijn rechtsvoorganger partij is en ten slotte

(4) moet de wederpartij de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting hebben.

In het algemeen kan van een rechtmatig belang in de zin van artikel 843a lid 1 Rv al sprake zijn indien degene die afschrift verlangt dat stuk niet tot zijn beschikking heeft maar wel bekend is met het bestaan ervan en dat stuk in de procedure zou willen overleggen.

Voldoende is dat het desbetreffende stuk relevant kan zijn voor een niet op voorhand als kansloos aan te merken vordering of verweer.

De verlangde stukken moeten voldoende bepaald zijn; voldoende concreet moet worden aangegeven dat en waarom de specifieke stukken van belang zijn, teneinde een “fishing expedition” te voorkomen.

Artikel 843a Rv dient er niet toe om stukken op te vragen waarvan slechts het vermoeden bestaat dat die mogelijk in de procedure van pas zouden kunnen komen.

Daarnaast moet geen van de uitzonderingen als bedoeld in artikel 843a lid 3 en/of lid 4 Rv zich voordoen.

In lid 3 is bepaald dat hij die uit hoofde van zijn ambt, beroep of betrekking tot geheimhouding verplicht is, niet gehouden is om aan deze vordering te voldoen indien de bescheiden uitsluitend uit dien hoofde te zijner beschikking staan of onder zijn berusting zijn.

Lid 4 bepaalt verder dat men niet gehouden is aan de vordering te voldoen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde gegevens is gewaarborgd.

In dat kader kan het hof de belangen van partijen afwegen.

Indien het bewijs van de betreffende feiten ook redelijkerwijs langs een andere weg kan worden verkregen, is er geen goede grond voor een exhibitieplicht.

De gevraagde stukken (correspondentie en gespreksaantekeningen) zien – blijkens de nadere afbakening in hoger beroep – enerzijds op mededelingen van erflater (zoals ten aanzien van de gestelde wens van erflater met betrekking tot de voortzetting van zijn onderneming binnen de familie en de legaten) en anderzijds op informatie en uitleg die geïntimeerde aan erflater heeft gegeven (ten aanzien van de inbrengbepaling en over de term WEVAB-waarde).

Verondersteld dat is voldaan aan de vereisten van artikel 843a lid 1 Rv, komt het hof nog niet tot toewijzing van de vordering om de reden dat artikel 843a lid 3 Rv daaraan in de weg staat.

Het hof licht dat oordeel als volgt toe.

In artikel 22 van de Wna is, samengevat, bepaald dat de notaris ten aanzien van al hetgeen waarvan hij uit hoofde van zijn werkzaamheid als zodanig kennis neemt, tot geheimhouding is verplicht en dat de dezelfde verplichting geldt voor de personen die onder zijn verantwoordelijkheid werkzaam zijn.

De geheimhouding beperkt zich tot de informatie die vertrouwelijk aan de notaris is medegedeeld of waarvan hij het vertrouwelijke karakter moest begrijpen: hierbij is geen plaats voor een onderscheid tussen vertrouwelijke en minder vertrouwelijke gegevens.

De geheimhoudingsplicht heeft ten doel cliënten en andere belanghebbenden de zekerheid te geven dat vrijelijk met de vertrouwenspersoon kan worden gesproken.

Het functionele verschoningsrecht van onder andere notarissen berust op een erkend algemeen geldend rechtsbeginsel dat meebrengt dat bij deze vertrouwenspersonen het maatschappelijk belang dat de waarheid in rechte aan het licht komt, moet wijken voor het maatschappelijk belang dat een ieder zich vrijelijk en zonder vrees voor openbaarmaking van het besprokene om bijstand en advies tot hen moet kunnen wenden (vgl. HR 1 maart 1985, HR:1985:AC9066, NJ 1986/173).

Dit beginsel vindt voor het burgerlijk recht onder meer uitdrukkelijk erkenning in artikel 165 lid 2, onder b, en lid 3 Rv en artikel 843a lid 3 Rv (vgl. HR 3 april 2020, HR:2020:600).

Aangezien slechts de notaris precies kan beoordelen of bepaalde gegevens onder zijn verschoningsrecht vallen, moet dit oordeel in beginsel aan de notaris worden overgelaten.

De rechter dient derhalve het beroep van de notaris op diens verschoningsrecht te aanvaarden zolang hij aan redelijke twijfel onderhevig acht of verstrekking van de gevraagde gegevens zou kunnen geschieden zonder dat geopenbaard wordt wat verborgen dient te blijven (vgl. HR 18 december 1998, HR:1998:ZC2808, NJ 2000/341).

De rechter mag het beroep op het functionele verschoningsrecht derhalve slechts marginaal toetsen.

Het verschoningsrecht is in zoverre niet absoluut dat zich zeer uitzonderlijke omstandigheden laten denken waarin het belang dat de waarheid aan het licht komt – ook ten aanzien van datgene waarvan de wetenschap hem als zodanig is toevertrouwd – moet prevaleren boven het verschoningsrecht.

Wanneer sprake is van een situatie waarin de hulp van de notaris is ingeroepen bij de totstandkoming van een rechtshandeling tussen twee of meer partijen en naar aanleiding daarvan één van de partijen van de notaris informatie wenst, zal het van de omstandigheden afhangen of hetgeen de onderhandelende partijen de notaris hebben meegedeeld, heeft te gelden als hem toevertrouwd.

Staat vast dat geen overeenstemming is bereikt dan heeft de notaris een verschoningsrecht met betrekking tot hetgeen hem in het kader van de onderhandelingen is meegedeeld (vgl. HR 22 juni 1984, HR:1984:AG4835, NJ 1985/188).

Als een notaris door twee partijen die hebben onderhandeld over een transactie en daarbij een bepaalde mate van overeenstemming hebben bereikt, wordt ingeschakeld om aan hen bijstand te verlenen door het ontwerpen en bespreken van een of meer notariële akten waarin de beoogde transactie wordt vastgelegd en uitgewerkt, zal het van de omstandigheden afhangen of hetgeen de onderhandelende partijen aan de notaris hebben medegedeeld als aan hem toevertrouwd heeft te gelden (vgl. HR 25 september 1992, HR:1992:ZC0690, NJ 1993/467 en HR 13 januari 2006, HR:2006:AU4533, NJ 2006/480).

In ieder geval zal deze zich niet kunnen verschonen voor zover zijn getuigenis door één van de partijen wordt verlangd ter zake van de totstandkoming en de uitleg van die transactie.

In het geval dat het niet gaat om een geschil tussen partijen, maar om een geschil tussen een aantal van deze partijen en een derde die zich op het standpunt stelt dat hij als gevolg van deze transactie in hem toekomende rechten is benadeeld, zal de notaris zich ook ten aanzien van vragen over de totstandkoming en de uitleg van de transactie waarop in het geding met de derde een beroep is gedaan, slechts kunnen verschonen, wanneer gezegd kan worden dat die transactie dan wel de feiten van belang voor de uitleg daarvan, hem zijn ‘toevertrouwd’ in die zin dat zij voor derden, in het bijzonder de derde die in het geding betrokken is, verborgen dienen te blijven.

Dat kan voortvloeien zowel uit de vertrouwelijke aard van de transactie zelf als uit een uitdrukkelijk uitgesproken dan wel aannemelijk te achten verlangen van partijen.

In beginsel ligt dit echter niet voor de hand en zullen daarvoor dus duidelijke aanwijzingen moeten zijn (vgl. HR 11 maart 1994, HR:1994:ZC1296, NJ 1995/3).

Met toepassing van de hiervoor weergegeven maatstaf komt het hof tot het oordeel dat het beroep op de geheimhoudingsplicht slaagt.

Daarbij wordt voorop gesteld dat het hier gaat om een uiterste wilsbeschikking met een vertrouwelijk karakter.

Dit betreft een naar zijn aard hoogstpersoonlijke rechtshandeling, die een persoon uitsluitend zelf en individueel kan verrichten (zie de artikelen 4:42 en 4:93 BW).

Het betreft hier een wezenlijk ander geval dan de situaties zoals hiervoor weergegeven en waarin de vraag speelde of in die specifieke omstandigheden sprake was van feiten (mededelingen van onderhandelende partijen) die aan de notaris waren toevertrouwd en voor derden verborgen moesten blijven.

Anders dan in de kwesties die daar voorlagen, gaat het hier niet om een tweezijdige zakelijke transactie tussen meer partijen, waarbij de overeenstemming ten overstaan van de – door partijen benoemde – notaris tot stand is gekomen of is vastgelegd en waarvan moet worden aangenomen dat de informatie die is gedeeld is bedoeld om aan een ander te worden overgebracht.

Erflater en geïntimeerde hebben – zoals blijkt uit de correspondentie en door geïntimeerde in zijn brieven ook is toegelicht – gesproken over de inbrengverplichting en verschillende wijzen van waardering, waarna erflater een eigen keuze heeft gemaakt, om zijn moverende redenen.

Al hetgeen daarover tussen hen is uitgewisseld, moet worden geacht onder de vertrouwelijkheid van dat gesprek te vallen.

Het betoog van appellanten dat de legaatstelling vergelijkbaar is met een koopoptie en dat daarom moet worden aangenomen dat de informatie niet in vertrouwelijkheid is medegedeeld, houdt geen stand.

Beide rechtsfiguren zijn niet met elkaar vergelijkbaar in de door appellanten bepleite zin.

Een koopoptie is een beding dat na wilsovereenstemming daarover in een overeenkomst tussen partijen wordt opgenomen, en dat na aanvaarding leidt tot een onherroepelijke koopovereenkomst.

Het heeft daarmee een wezenlijk ander karakter dan een legaat, hetgeen een uiterste wilsbeschikking – en daarmee een eenzijdige rechtshandeling – is waarbij aan een of meer personen een vorderingsrecht wordt toegekend (artikel 4:117 BW), dat al dan niet wordt aanvaard.

Daarover is niet onderhandeld (ten overstaan van de notaris).

Wat erflater precies heeft gewild en heeft bedoeld is in vertrouwelijkheid besproken met de notaris, die dat vervolgens in het testament heeft neergelegd.

De notaris kan uitsluitend goed en deskundig adviseren over de totstandkoming van (bepalingen in) een testament als de cliënt onbelemmerd en zonder vrees voor openbaarmaking zijn wensen en overwegingen ten aanzien van de door hem te maken keuzes in zijn laatste wil met de notaris kan delen.

Al hetgeen erflater in het kader daarvan aan de notaris heeft medegedeeld heeft te gelden als in dat kader aan hem toevertrouwd.

Datzelfde geldt voor de voorlichting en de adviezen die de notaris over (de bepalingen in) het testament aan erflater heeft gegeven, met name ook voor de toelichting op en uitleg over de in het testament gekozen waarderingsgrondslag op basis waarvan erflater kennelijk tot een keuze is gekomen.

Als zou moeten worden aanvaard dat de geheimhoudingsplicht zich niet uitstrekt tot deze door de notaris in het kader van de advisering verstrekte informatie, zoals appellanten betogen, dan zou dat tot een onaanvaardbare uitholling van het verschoningsrecht leiden.

Uit die informatie zou immers eenvoudigweg kunnen worden afgeleid wat de erflater aan de notaris heeft toevertrouwd.

De verwijzing door appellanten naar het arrest van de Hoge Raad van 13 januari 2006 (HR:2006:AU4533, NJ 2006/480) treft geen doel.

Weliswaar is in dat arrest overwogen dat “het verschoningsrecht naar zijn aard geen betrekking heeft” op mededelingen van de notaris, maar de mededeling in die zaak betrof een mededeling van de notaris aan een partij waaruit zou volgen dat diens wederpartij niet zou nakomen en die bestemd was om te worden overgebracht.

Een dergelijke mededeling laat zich niet vergelijken met de vertrouwelijke advisering aan erflater aangaande de bepalingen in een testament en hun gespreksvoering daarover.

Het hof overweegt voorts dat in zijn algemeenheid de geheimhoudingsplicht van een notaris zich niet uitstrekt tot de wijze waarop een notaris te werk gaat.

Voor een notaris is het goed mogelijk om de gang van zaken die geleid heeft tot het tot stand komen van een akte (in dit geval een testament) en de wijze waarop deze zich een oordeel heeft gevormd over de wilsbekwaamheid van een cliënt uiteen te zetten, zonder diens geheimhoudingsplicht te schenden (vgl. o.a. Gerechtshof Amsterdam 21 maart 2023, GHAMS:2023:651).

Dat heeft geïntimeerde in zijn brieven van 2 mei 2022 en 30 juni 2023 ook gedaan.

Een verdergaande verplichting om informatie of inzage te verschaffen kan in de omstandigheden van dit geval niet worden aangenomen.

Uit de door appellanten gestelde feiten kan immers niet worden afgeleid dat sprake is van zeer bijzondere omstandigheden die maken dat het belang dat de waarheid aan het licht moet komen, toch moet prevaleren boven het verschoningsrecht.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.