Erfrecht. Uitleg testament tot vaststelling van omvang van legaat. Is door erflater bedoeld een beperkt recht van gebruik en bewoning van een landgoed te legateren of alleen van de woningen?

Het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch heeft op 25 april 2023 uitspraak gedaan over de uitleg van een testament. Had de erflater in zijn testament bedoeld een beperkt recht van gebruik en bewoning van een geheel landgoed te legateren of alleen van de woningen?

In de kern gaat het in deze zaak om de vraag welk deel van het onroerend goed van erflater wordt aangeduid met de passage “woning plus gronden.

De vraag is wat het legaat precies omvat.

Geïntimeerde stelt dat dit uitsluitend ziet op het registergoed kadastraal, totaal groot 0.66.15 hectare, waarop de woning is gelegen.

Appellante bestrijdt dit en stelt dat is bedoeld de beperkte rechten van gebruik en bewoning van alle gronden met bebouwing die behoren tot het landgoed van erflater aan haar te legateren, met als enige uitzondering het deel dat aan geïntimeerde is gelegateerd.

Het testament zal derhalve op dit punt moeten worden uitgelegd.

Geïntimeerde moet de feiten en omstandigheden van zijn stellingen over de uitleg die hij geeft aan het legaat dat is toegekend aan appellante bewijzen.

Hij beroept zich immers op die uitleg en de rechtsgevolgen daarvan (artikel 150 Rv).

Om te kunnen vaststellen op welk rechtsgevolg de uiterste wilsbeschikking van erflater is gericht is uitleg nodig.

Op grond van artikel 4:46 lid 1 BW moet bij die uitleg worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Feiten en omstandigheden van na het maken van het testament kunnen alleen meedoen bij de uitleg als de erflater daarop bij het maken van zijn testament is vooruitgelopen of als de erflater de toekomstige omstandigheden kan hebben verwacht (MvA II, Parl. Gesch. Vaststellingswet Erfrecht, p. 278-279).

Lid 2 van dat artikel bepaalt dat daden of verklaringen van de erflater buiten de uiterste wil slechts dan voor uitlegging van een beschikking worden gebruikt, indien deze zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft.

Dit betekent dat eerst indien de bewoordingen van een testament – gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt – onduidelijk zijn doordat ze geen duidelijke zin hebben, de bedoeling van de erflater mag en moet worden achterhaald.

Erfrecht. Uitleg van een testament met betrekking tot de vaststelling van de omvang van een legaat. Is door de erflater in zijn testament bedoeld een beperkt recht van gebruik en bewoning van het gehele landgoed te legateren of alleen van de woningen?

De rechter oordeelt als volgt.

Het hof leidt uit het testament van erflater af welke verhoudingen hij daarmee – kennelijk – wilde regelen.

Erflater heeft onder de last van de in het testament opgenomen legaten de wettelijke erfopvolging bevestigd en daarmee zijn twee kinderen (geïntimeerden) tot zijn enige erfgenamen benoemd.

Aan zijn partner appellante zijn enkele legaten toegekend.

Zij is tevens benoemd tot executeur.

Niet in geschil is dat erflater wilde dat appellante ter plaatse zou kunnen blijven wonen gedurende een duurzame periode.

Dat heeft erflater kennelijk geregeld door de beperkte rechten van gebruik en bewoning van de woning met gronden te legateren, evenals de bevoegdheid om alle handelingen te verrichten die tot een goed beheer daarvan dienstig kunnen zijn.

Ook is de eigendom van de levende have, met een bedrag ter verzorging daarvan, en van de inboedel, machines en gereedschappen gelegateerd.

Dat ondersteunt dat erflater wilde regelen dat appellante de bewoning en het gebruik van de woning en de gronden zou kunnen voortzetten.

Evenmin is in geschil dat erflater wilde dat het landgoed binnen zijn familie bleef, om welke reden uitsluitend geïntimeerden tot erfgenamen zijn benoemd.

Het aan appellante toegekend gebruiksrecht eindigt – in ieder geval – na verloop van 20 jaar.

In die periode dienen geïntimeerden wel de zakelijke lasten en de grove onderhouds- en reparatiekosten te dragen.

Tot slot staat niet ter discussie dat het behoud van de NSW-rangschikking van het landgoed voor erflater van groot belang was.

Die verhouding heeft hij kennelijk geregeld door de vervalbepaling in het testament op te nemen, inhoudende dat de aan appellante en geïntimeerde  toegekende legaten onder IV A 6 en B als niet geschreven dienen te worden beschouwd indien afgifte van de legaten tot statusverlies zou leiden.

De tekst van het testament biedt volgens het hof voldoende steun aan de uitleg van appellante.

Erflater heeft met zoveel woorden bepaald dat het gebruik en de bewoning van zijn “woning plus gronden, binnenvijver plus de vijver” onder het legaat valt.

Er is geen kenbaar onderscheid gemaakt tussen de woning en het erf enerzijds, en de overige gronden van het landgoed anderzijds.

Er is slechts één gedeelte expliciet uitgezonderd, en dat is het gedeelte dat aan geïntimeerde is gelegateerd.

Op de aan het testament gehechte kaart is ook alleen dat gedeelte ingetekend.

Het hof volgt appellante in haar standpunt dat als erflater had bedoeld slechts de beperkte rechten van gebruik en bewoning van een gedeelte van het landgoed aan haar te legateren, het voor de hand had gelegen dat dan ook daarvan een tekening zou zijn bijgevoegd.

Kennelijk was dat niet nodig.

Dat de passage “binnenvijver plus de vijver” is bedoeld als een begrenzing blijkt nergens uit, temeer niet nu die passage blijkens de tekst en het gebruik van de komma’s meer als een opsomming – in die zin dat het beperkte recht van gebruik niet alleen ziet op de gronden, maar ook op de wateren – en niet als een begrenzing van “de gronden” is weergegeven.

In dat laatste geval was het immers meer logisch geweest om een andere omschrijving te gebruiken, bijvoorbeeld “de gronden gelegen binnen de vijver, plus de vijver”.

Dat erflater gewild heeft een onderscheid te maken tussen enerzijds het gedeelte van het landgoed waarop gewoond werd en anderzijds de overige gronden van het landgoed (natuurterrein, grasland en teelt- en kweekterrein), blijkt hier niet uit.

In de beschrijving van het legaat is het adres met postcode genoemd en volgens appellante ziet dat adres op álle tot het landgoed behorende gronden.

Geïntimeerde heeft dat betwist en heeft erop gewezen dat niet alle percelen van het landgoed aan dit adres zijn gelegen.

Het hof wijst er nogmaals op dat het landgoed er ten tijde van de opmaken van het testament anders bij lag, zoals ook blijkt uit de door geïntimeerde zelf ingediende producties.

Het grootste gedeelte van de door geïntimeerde genoemde gronden die een ander adres zouden hebben, waaronder die met een eigen toegang, was op dat moment nog niet in het bezit van erflater.

Alle andere gronden zijn, zo is niet voldoende gemotiveerd betwist, toegankelijk via de weg.

Gesteld noch gebleken is dat de gronden die ten tijde van het opstellen van het testament tot het landgoed behoorden een andere adres-aanduiding hadden.

De vermelding van het adres is daarmee geen reden om aan te nemen dat slechts het “woongedeelte” onder het legaat valt, zodat ook in dit opzicht de uitleg van appellante kan worden gevolgd.

Bovendien wijst appellante er terecht op dat, zou het de bedoeling zijn geweest slechts de beperkte rechten van gebruik en bewoning van het door geïntimeerde bedoelde deel van het landgoed te legateren, dit perceel voor haar niet bereikbaar zou zijn.

Het legaat zou dan namelijk zien op een ingesloten gelegen perceel, hetgeen weinig logisch is.

Zij zou het perceel in dat geval uitsluitend via de toegangsweg die gedeeltelijk in eigendom van geïntimeerde en gedeeltelijk in eigendom van overige geïntimeerden gezamenlijk is, kunnen bereiken, terwijl geen voorziening is getroffen om die toegang te waarborgen.

Dat appellante een dergelijke voorziening op de voet van artikel 5:57 lid 1 BW kan vorderen, zoals geïntimeerde betoogt, maakt dat niet anders.

Dat de gronden buiten de grachten door erflater en appellante werden beheerd, onderhouden en gebruikt ten behoeve van de levende have, waaronder hondentrainingen, is onvoldoende gemotiveerd betwist.

Geïntimeerde erkent dat een weide buiten de door hem voorgestane grens van het legaat werd gebruikt ten behoeve van het trainen van honden.

De vraag of het binnen de grachten gelegen terrein al dan niet groot genoeg is daarvoor, is naar het oordeel van het hof niet relevant.

De gronden daarbuiten werden door erflater en appellante als zodanig gebruikt, en de verhouding die erflater kennelijk heeft willen regelen betreft het voortgezette gebruik door appellante.

Het testament biedt volgens het hof onvoldoende aanknopingspunten voor de andersluidende uitleg van geïntimeerde die erop neerkomt dat uitsluitend is bedoeld het gebruik en bewoning van het “woongedeelte” van het landgoed te legateren.

Dat het legaat in het testament na de omschrijving verder is aangeduid als “de woning” en dat niet de term “het landgoed” is gebruikt, is daartoe niet voldoende.

Het gaat om de feitelijke omschrijving en die is, zoals hiervoor. is toegelicht, voldoende duidelijk.

Wat precies met het woord “binnenvijver” is bedoeld kan in het midden blijven, nu er in het licht van het voorgaande in ieder geval onvoldoende aanknopingspunten zijn om aan te nemen dat daarmee “binnen de vijver” is bedoeld.

Het hof betrekt in dat oordeel dat niet aannemelijk is dat het woord per abuis als één woord is opgeschreven, zoals geïntimeerde betoogt, nu die beweerde fout dan al in het testament in 2002 door B zou zijn gemaakt en in het testament van 2006 door een andere notaris zou zijn herhaald.

Overigens geldt dat zelfs als er alleen een zwembad dat niet in gebruik is – naast de gracht – op het binnenterrein is gelegen, niet uitgesloten kan worden dat erflater dit heeft willen aanduiden.

Geïntimeerde heeft verder nog gesteld dat erflater de vervalbepaling niet in het testament had hoeven opnemen indien beoogd was de beperkte rechten van gebruik en bewoning van het gehele landgoed te legateren.

Dat zou immers nimmer tot verval van de rangschikking kunnen leiden, zo stelt geïntimeerde.

Dat was misschien zo het geval ten tijde van het opstellen van het testament, maar andersom geldt eveneens dat de beperkte rechten van gebruik en bewoning van alleen de woning met erf ten tijde van het opstellen van het testament niet tot statusverlies zou leiden.

Ook voor die situatie was het aldus – de redenering van geïntimeerde volgend – niet nodig een vervalbepaling op te nemen.

Dat erflater op dat moment al wist van de op handen zijnde wetswijziging in 2007 en van de exacte gevolgen daarvan voor de situatie na zijn overlijden, is niet voldoende onderbouwd.

Dat brengt het hof tot het oordeel dat erflater, indachtig zijn wens om de NSW-rangschikking voor het landgoed te behouden, de vervalbepaling als een soort vangnetbepaling ter zake van beide legaten heeft opgenomen.

Daaraan kunnen dus niet de gevolgen worden verbonden die geïntimeerde voorstaat.

De veronderstelling dat erflater met de verhoging van het legaat in contanten naar een bedrag van € 110.000,00 heeft willen bewerkstelligen dat appellante altijd de mogelijkheid zou hebben om elders woonruimte te kunnen betalen in het geval dat de vervalbepaling van toepassing zou worden, blijkt nergens uit.

Appellante ontvangt dit legaat zonder meer en onvoorwaardelijk, ongeacht de vraag of de vervalbepaling in werking treedt of niet.

Deze volgens geïntimeerde logische uitleg vindt geen steun in de stukken en is ook overigens niet voldoende van een concrete onderbouwing voorzien.

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep al geoordeeld dat de omstandigheden dat uit de legatering van het beperkte recht van gebruik en bewoning van het gehele landgoed forse financiële verplichtingen voor geïntimeerden kunnen voortvloeien en dat erflater niets heeft geregeld ten aanzien van het deel van het landgoed dat geïntimeerde in 2006 en 2011 in gebruik heeft genomen voor onder andere een bootstalling, niet kunnen bijdragen aan de door geïntimeerde voorgestane uitleg.

Tegen die oordelen zijn geen grieven gericht.

Het hof onderschrijft overigens deze oordelen ook en maakt deze tot de zijne.

Het voorgaande brengt het hof tot de slotsom dat het testament – gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk heeft willen regelen en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt – duidelijke zin heeft, in die zin dat het legaat omvat de beperkte rechten van gebruik en bewoning van het gehele landgoed.

Dat betekent dat daden en verklaringen van erflater buiten zijn uiterste wil niet behoeven te worden betrokken bij de uitleg.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.