Erfrecht. Uitleg van een testament. Onjuiste voorstelling van zaken? Onduidelijke bewoordingen in testament? Inbreng van schenkingen. Gelijke behandeling. Toetsing.
Het Gerechtshof Amsterdam heeft onlangs uitspraak gedaan over de uitleg van een testament met betrekking tot de inbreng van schenkingen.
Eiser voert aan dat het testament van erflater op zichzelf duidelijk is, maar dat door de toelichting in de bijlage bij het testament, waarin is opgenomen dat erflater zijn kinderen zo veel mogelijk financieel gelijk wilde behandelen, onduidelijkheid is ontstaan.
Gezien het feit dat erflater zijn kinderen zo veel mogelijk financieel gelijk wilde behandelen maar verweerder meer geschonken heeft gekregen dan eiser, terwijl in het testament en in de bijlage is bepaald dat schenkingen niet hoeven te worden ingebracht, is aan de doelstelling van erflater om zijn kinderen zoveel mogelijk financieel gelijk te behandelen geen gevolg gegeven.
Volgens eiser leidt dit ertoe dat het testament op grond van artikel 4:46 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) zo moet worden uitgelegd dat het bedrag dat het ene kind meer heeft ontvangen dan het andere kind, in afwijking van hetgeen in het testament is opgenomen, dient te worden ingebracht in de nalatenschap van erflater.
Eiser betwist daarbij dat erflater – ondanks uitvoerige (cijfermatige) discussies met eiser – oprecht van mening is geweest dat hij zijn beide kinderen gelijk heeft behandeld, zoals de rechtbank heeft overwogen.
Eiser en erflater hebben inderdaad lang gediscussieerd over de vraag of eiser minder geschonken had gekregen dan verweerder, maar die discussie is beslecht met de overeenkomst van 31 januari 2014, inhoudende dat erflater eiser nog een bedrag van € 60.000,- zou schenken en in een later stadium de rest met verrekening van het restant van de lening.
De enige discussie die toen nog resteerde, ging over de rente over de nabetaling.
Eiser en erflater hebben dus geen debat gevoerd over de (door verweerder opgestelde) bijlage.
Erflater kon de situatie ten tijde van het opmaken van de bijlage al niet meer overzien en heeft zich laten leiden door de onjuiste berekeningen van verweerder.
Als erflater een juiste voorstelling van zaken had gehad, had hij niet ingestemd met de inhoud van de bijlage.
Dat erflater ten tijde van het redigeren van het testament 86 jaar oud was, hij door de jaren heen meer moeite kreeg om het overzicht te houden over zijn financiën, vergeetachtiger werd en onder invloed stond van verweerder, draagt volgens eiser eraan bij dat erflater geen juiste voorstelling van zaken had.
Dit alles dient te worden meegenomen bij de uitleg van het testament in de zin die eiser voorstaat.
Verweerder betoogt dat de bepaling onder H van het testament duidelijk is en dat er dus geen ruimte is voor uitleg van de uiterste wil van erflater.
De uitleg die eiser aan het testament geeft, is onredelijk, ongegrond en onbewezen; het is bovendien geen uitleg maar een wijziging van het testament.
Ook al zou de bijlage cijfermatig niet kloppen – wat niet is gebleken -, dan nog blijkt uit niets dat erflater in dat geval wél zou hebben gekozen voor een inbrengplicht.
Ook in zijn eerdere testament had erflater zijn kinderen vrijgesteld van een inbrengplicht, terwijl het toen nog niet zo was dat partijen evenveel schenkingen hadden gekregen.
Erflater heeft dus bewust nooit gekozen voor een inbrengplicht.
Volgens verweerder heeft erflater zelfstandig en in goede geestelijke gezondheid, in overleg met de notaris, de bijlage aan zijn testament gehecht.
Verweerder betwist dat sprake was van overeenstemming tussen eiser en erflater; ook na 31 januari 2014 duurde hun onenigheid voort.
Eiser probeert nu postuum het jarenlange conflict tussen erflater en haar over schenkingen alsnog in haar voordeel te beslechten, terwijl erflater anders heeft beslist.
Erfrecht. Uitleg van een testament. Onjuiste voorstelling van zaken? Onduidelijke bewoordingen in testament? Inbreng van schenkingen. Gelijke behandeling. Toetsing.
De rechter oordeelt als volgt.
Onderwerp van geschil tussen partijen is de betekenis, althans de consequentie, van de bijlage bij het testament van erflater zoals hiervoor aangeduid.
Het hof constateert dat partijen – zo hebben zij ter zitting verklaard – het erover eens zijn dat de bijlage deel uitmaakt van het testament.
Volgens eiser leidt de onduidelijkheid, die is ontstaan doordat enerzijds in het testament is vastgelegd dat inbreng van schenkingen wordt uitgesloten en anderzijds in de bijlage de wens van erflater is vastgelegd om zijn kinderen zo veel mogelijk financieel gelijk te behandelen, ertoe dat nu geen sprake is van financieel gelijk behandelen, het testament van erflater dient te worden uitgelegd.
Het hof volgt eiser hierin niet.
Het hof komt immers pas aan uitleg van een bepaling in een testament toe als de bewoordingen daarvan onduidelijk zijn.
Van onduidelijke bewoordingen in het testament en de bijlage is echter geen sprake; zowel in het testament als in de bijlage heeft erflater zijn kinderen vrijgesteld van de verplichting tot inbreng.
Daarnaast heeft erflater in de bijlage geprobeerd te onderbouwen dat hij – naar zijn idee – zijn beide kinderen in financieel opzicht zo gelijk mogelijk heeft behandeld.
Dat eiser al een geruim aantal jaren meent dat er geen sprake is van een gelijke behandeling, valt uit de overgelegde stukken af te leiden.
Het dossier bevat meerdere brieven en e-mails die (in ieder geval) sinds 2004 tussen eiser en erflater over en weer gestuurd zijn.
Eiser heeft daarin de in haar ogen ongelijke behandeling herhaaldelijk aan de orde gesteld.
Het hof constateert dat het debat tussen eiser en erflater ook na 31 januari 2014 voortduurde.
Zo schreef erflater in een e-mail van 31 juli 2014 aan eiser onder andere:
“Alhoewel ook deze regeling nog steeds in je voordeel is komt deze toch in principe tegemoet aan je beginsel “gelijke monniken, gelijke kappen. Ik kan hiermee zowel jou als C recht in de ogen kijken. Anders wil ik niet, anders kan ik niet. Ik hoop dat je dit zelf ook wilt inzien. Het heeft me zeer verdriet dat – o.a in je telefoongesprek met Ma – beweert dat je door mij verschrikkelijk benadeeld bent. Dat is niet zo. Zoals eerder gesteld ben je nog steeds (met effect renteloze lening en schenking) bevoordeeld.”
Uit deze e-mail blijkt niet alleen dat de discussie tussen eiser en erflater nog niet (volledig) beslecht was op 31 januari 2014, maar ook dat erflater volhield dat hij eiser en verweerder gelijk wilde behandelen, dat hij van mening was dat hij daaraan voldeed en dat hij eiser niet minder had geschonken dan verweerder.
Of erflater die mening terecht was toegedaan, doet er in feite niet toe.
Het stond erflater vrij om naar eigen goeddunken te beslissen over zijn vermogen en nalatenschap.
Dat eiser een andere mening was (en is) toegedaan over de al dan niet gelijke behandeling, maakt niet dat erflater een onjuiste voorstelling van zaken had.
Daarbij komt dat eiser ter zitting in hoger beroep heeft erkend dat erflater ten tijde van het opstellen van het testament wilsbekwaam was.
Er moet dus vanuit worden gegaan dat erflater (de wijziging van) het testament en de bijlage begreep en dat hij de gevolgen daarvan kon overzien.
Een en ander volgt ook uit het gegeven dat de notaris, wiens taak het is de wilsbekwaamheid van een testateur te toetsen, kennelijk geen grond zag om het door erflater gewenste testament niet te verlijden.
Het hof gaat dan ook ervan uit dat de bijlage niet berust op een onjuiste voorstelling van zaken bij erflater.
Of eiser erflater op andere gedachten had kunnen brengen over de inhoud van de bijlage, is dus niet relevant.
Ook als erflater zijn mening echter heeft gebaseerd op een verkeerde berekening, zoals eiser stelt, kan dat naar het oordeel van het hof niet ertoe leiden dat het bedrag dat verweerder meer dan eiser zou hebben ontvangen, alsnog door verweerder in de nalatenschap zou moeten worden ingebracht.
Zoals verweerder terecht naar voren heeft gebracht, beoogt eiser in feite geen uitleg van het testament, maar een wijziging ervan.
Hetgeen eiser wenst, te weten dat verweerder toch bedragen inbrengt, kan zij niet bereiken met behulp van de uitleg van het testament op grond van artikel 4:46 lid 1 BW.
Het is immers niet mogelijk om bepaling H van het testament – dat een inbrengplicht expliciet uitsluit – zodanig uit te leggen dat er in enig geval toch een inbrengplicht ontstaat.
Zoals de rechtbank terecht heeft overwogen, geeft artikel 4:46 lid 1 BW regels over de wijze waarop bepalingen in het testament moeten worden uitgelegd, maar mag uitleg van een testament er niet toe leiden dat de inhoud van het testament wordt gewijzigd.
De grieven treffen dan ook geen doel.
Dat betekent dat het hof niet tot een ander oordeel dan de rechtbank komt en dat het testament van erflater niet zodanig zal worden uitgelegd dan wel aangepast dat door verweerder alsnog bedragen in de nalatenschap van erflater dienen te worden ingebracht.
Het bestreden vonnis zal in zoverre worden bekrachtigd.
Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.
Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.
Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.
Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.