Het Gerechtshof Amsterdam heeft op 28 april 2020 uitspraak gedaan over de uitleg van een testament waarbij de echtgenoot van de erflaatster door de erflaatster was onterfd.

Appellant licht de grieven op niet (geheel) navolgbare wijze toe.

Het hof begrijpt zijn toelichting – samengevat – als volgt.

Het testament staat op gespannen voet met de huwelijkse status die heeft voortgeduurd.

Appellant is stellig ervan overtuigd dat de erflaatster hem in een opwelling heeft onterfd in de veronderstelling dat het huwelijk op korte termijn zou worden ontbonden.

De erflaatster heeft tijdens het huwelijk met geen woord over het testament gerept en is na het maken daarvan nog 23 jaar met appellant gehuwd door het leven gegaan als waren zij beide in gemeenschap van goederen gehuwd.

Dit leidt tot strijd met de maatschappelijke opvattingen in die zin dat geen uitvoering kan worden gegeven aan het testament.

De beweegredenen in het testament zijn onduidelijk en appellant gaat ervan uit dat het testament, dat erop neerkomt dat alleen nog levende familieleden aanspraak kunnen maken op de erfenis en waarbij achterneven en –nichten en de echtgenoot zijn uitgesloten, niet de juiste beweegreden vormt.

In de gegeven omstandigheden kunnen geïntimeerden naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid geen rechten ontlenen aan het wilsrecht.

Zeker niet, omdat niet vaststaat of de erflaatster op de hoogte was van de verstrekkende gevolgen van het testament en zij voor haar overlijden niet meer in staat was haar testament te herroepen en een nieuw testament op te stellen.

Appellant verwijst in dit kader – naar het hof begrijpt – naar de uitspraak van de Hoge Raad van 6 juli 2018 (HR:2018:1751).

Hij verwijst verder naar een brief van 10 augustus 1987, waaruit zou volgen dat de kans gering is dat de erflaatster wenste dat haar vermogen bij haar overlijden aan geïntimeerden zou toekomen.

Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte zijn beroep op de (beperkende werking van de) redelijkheid en billijkheid verworpen.

Erfrecht. Uitleg van een testament. Uiterste wilsbeschikking. Onterving. Redelijkheid en billijkheid.

De rechter oordeelt als volgt.

Voor zover appellant een beroep heeft willen doen op artikel 4:46 BW overweegt het hof als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 4:46 lid 1 BW dient bij de uitlegging van een uiterste wilsbeschikking te worden gelet op de verhoudingen die de uiterste wil kennelijk wenst te regelen, en op de omstandigheden waaronder de uiterste wil is gemaakt.

Ingevolge lid 2 van dit artikel mogen daden of verklaringen van de erflaatster buiten de uiterste wil alleen bij de uitleg worden gebruikt als het testament zonder die daden of verklaringen geen duidelijke zin heeft.

De erflaatster en appellant zijn in 1971 gehuwd onder het maken van huwelijkse voorwaarden inhoudende geen gemeenschap van goederen en een periodiek verrekenbeding.

Dit beding is niet uitgevoerd.

Het huwelijk heeft geduurd tot het overlijden van de erflaatster.

De erflaatster heeft in 1993 een testament gemaakt en daarin alle eerdere uiterste wilsbeschikkingen herroepen en haar echtgenoot (appellant) uitgesloten als haar erfgenaam.

Zij heeft geen beweegreden daarvoor opgenomen in haar testament.

In het testament wilde zij kennelijk de verhouding regelen dat haar echtgenoot, appellant, wordt uitgesloten als erfgenaam.

In het testament is niet te lezen dat zij de onterving beperkte tot een bepaalde situatie.

Behalve naar de verhouding moet het hof ook nog kijken naar de omstandigheden waaronder het testament is gemaakt.

Er zijn geen omstandigheden komen vast te staan die de door appellant voorgestane uitleg ondersteunen.

Weliswaar heeft de erflaatster volgens appellant haar uiterste wil in een opwelling, een moment van onvrede, jaloezie en/of wantrouwen gemaakt in de veronderstelling dat het huwelijk tussen haar en appellant op korte termijn zou worden ontbonden, omdat appellant haar had verteld over een aardige jonge Chileense vrouw die hij had ontmoet en in hun wereld wilde introduceren, maar appellant heeft deze stellingen niet nader onderbouwd en ook geen bewijs daarvan aangeboden.

Dit had wel op zijn weg gelegen.

Geïntimeerden B hebben immers niet alleen de voorgenomen scheiding betwist maar ook weersproken dat de erflaatster ziekelijk jaloers en geestelijk en lichamelijk instabiel was.

Al hetgeen appellant verder nog heeft aangevoerd, doet aan het voorgaande niet af.

Ook niet de stelling dat de erflaatster de gevolgen van haar testament niet heeft overzien en deze ook niet heeft gewild.

Deze stelling gaat onder andere uit van de onjuiste veronderstelling dat geïntimeerden geen erfgenaam zijn en ontbeert een voldoende concrete onderbouwing, mede gezien de verklaringen van geïntimeerden B, inhoudende dat de relatie tussen appellant en de erflaatster een andere was dan die appellant doet voorkomen, dat appellant erflaatster isoleerde van familie, collega’s en vrienden, dat appellant de minst stabiele persoon van de twee echtelieden was en dat de erflaatster tot haar pensioen in het onderwijs heeft gewerkt anders dan appellant die na enkele maanden in het onderwijs te hebben gewerkt in de WAO is terechtgekomen, dat voort heeft geduurd tot zijn pensioen en dat erflaatster nimmer aanleiding heeft gezien het testament te wijzigen, terwijl zij daartoe wel de mogelijkheid had.

Voor zover appellant een beroep heeft willen doen op artikel 4:43 lid 2 BW, gaat ook dit beroep niet op.

Artikel 4:43 lid 2 BW geldt niet voor uiterste wilsbeschikkingen die voor de invoering van het nieuwe Boek 4 zijn gemaakt (artikel 79 en 127 Ow NBW).

Voor zover het beroep ziet op het equivalent hiervan onder oud recht (artikel 4:937 BW), is ook dit beroep niet succesvol.

In artikel 4:937 BW is bepaald dat de vermelding van een valse beweegreden voor niet geschreven wordt gehouden, als uit de uiterste wil blijkt dat de erflater de beschikking niet zou hebben gemaakt, indien hij van de valsheid van de beweegreden kennis had gedragen.

Geïntimeerden B hebben de door appellant hieraan ten grondslag gelegde feiten en omstandigheden over de voorgenomen scheiding en gebeurtenissen in die en de laatste fase van het leven van erflaatster gemotiveerd weersproken.

De beweegreden is bovendien niet in het testament aangeduid, zodat artikel 4:937 BW (net als het huidige 4:43 lid 2 BW) ook om die reden niet opgaat in dit geval.

Daarin is namelijk niet te lezen dat de erflaatster voornemens is te scheiden, dat zij om die reden haar echtgenoot onterft voor het geval het huwelijk wordt ontbonden.

Appellant doet – naar het hof begrijpt – een beroep op (de beperkende werking van) de redelijkheid en billijkheid in die zin dat geïntimeerden geen rechten zouden kunnen ontlenen aan het testament en in die zin dat geen uitvoering kan worden gegeven aan het testament.

Appellant heeft dit beroep op diverse plaatsen in zijn memorie van grieven weergegeven en daaraan nu eens het ene samenstel van feiten en omstandigheden en dan weer (deels) andere feiten en omstandigheden ten grondslag gelegd.

Hij heeft deze feiten en omstandigheden op geen enkele wijze onderbouwd en er valt in de weergave daarvan geen duidelijke structuur/lijn te ontdekken.

Het gevolg van deze wijze van procederen is, dat zowel voor het hof als voor geïntimeerden niet eenduidig en moeilijk te begrijpen valt wat appellant wil zeggen.

Voor zover appellant zich op het standpunt stelt dat geïntimeerden geen rechten zouden kunnen ontlenen aan het testament, kan hem dit niet baten.

Geïntimeerden zijn immers geen testamentair erfgenaam en als zij aan de uiterste wil geen rechten zouden kunnen ontlenen, heeft dit bovendien niet tot gevolg dat appellant wel erfgenaam wordt.

Voor zover appellant bedoelt te zeggen dat aan de onterving in het testament zijn werking moet worden onthouden, baat hem dit evenmin.

Hij heeft niet alleen de door hem aangevoerde feiten en omstandigheden tegenover de gemotiveerde betwisting door geïntimeerden onvoldoende onderbouwd, maar hij heeft tegenover de gemotiveerde betwisting door geïntimeerden ook te weinig gesteld, zodat een vergaande conclusie als hij voorstaat – als dit al kan – niet gerechtvaardigd is.

Hoe dan ook, zonder nadere toelichting die ontbreekt, valt niet in te zien waarom en met welke maatschappelijke opvattingen strijd zou ontstaan, als de erflaatster niet vertelt dat zij een testament heeft gemaakt, waarin zij appellant onterft en het huwelijk daarna nog voortduurt.

Ook de duur van het huwelijk en de opbouw van vermogen tijdens het huwelijk, het voeren van het beheer over financiën en de toestemming voor dit beheer, de omstandigheid dat appellant de erflaatster in de laatste jaren – toen zij volledig afhankelijk van hem was – heeft verpleegd en verzorgd en al wat appellant verder nog heeft gesteld, leiden mede gelet op de gemotiveerde betwisting niet tot een dergelijke conclusie.

Echtgenoten zijn verplicht elkaar het nodige te verschaffen (artikel 1:81 BW).

Zij zijn niet verplicht elkaar tot erfgenaam te benoemen of verzorgd achter te laten, afgezien dat appellant een beroep kan doen op andere wettelijke rechten in Boek 4 BW, waarover ook een procedure loopt.

Daarbij komt dat appellant op geen enkele wijze heeft onderbouwd dat hij berooid achterblijft.

Wilt u de gehele uitspraak bekijken? Klik dan hier.

Heeft u een vraag aan onze advocaat nietig testament over de vereffening of verdeling van een erfenis, over de rechtsgeldigheid of uitleg van een testament of over de nietigheid van een testament, over de taken en bevoegdheden van de executeur, over het kindsdeel of over de legitieme of over de wilsbekwaamheid van de erflater ten tijde van het opmaken van het testament, belt u dan gerust onze advocaat nietig testament op 020-3980150.

Wilt u meer weten over de rechtsgeldigheid van een testament of over de nietigheid of vernietigbaarheid van een testament, bezoek dan onze website over het testament. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over het erfrecht, bezoek dan onze website. Klik dan hier.

Wilt u meer weten over ons advocatenkantoor? Klik dan hier.